Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK2929

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
200902677/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dronten (hierna: het college) een aanvraag van [appellante] voor een gehandicaptenparkeerkaart als passagier afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200902677/1/H3.

Datum uitspraak: 11 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Dronten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 februari 2009 in zaak nr. 08/1654 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Dronten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dronten (hierna: het college) een aanvraag van [appellante] voor een gehandicaptenparkeerkaart als passagier afgewezen.

Bij besluit van 26 augustus 2008 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 februari 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 mei 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door J.G. van der Struik en H. van Soomeren, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer, voor zover van belang, kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriƫle regeling gestelde criteria, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (hierna: de Regeling) kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen, passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij - met de gebruikelijke loopmiddelen - in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen (hierna: voorwaarde 1) en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder (hierna: voorwaarde 2).

2.2. Bij besluit van 26 augustus 2008 heeft het college zijn besluit gehandhaafd [appellante] geen gehandicaptenparkeerkaart als passagier te verstrekken. Aan deze weigering heeft het college ten grondslag gelegd dat [appellante] niet voldoet aan de in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling vermelde voorwaarden, nu uit medische rapportages opgesteld door de door het college geraadpleegde keuringsarts J.B.M. Bom, werkzaam bij keuringsinstantie Van Brederode (hierna: keuringsarts), en M.D. van der Ploeg, werkzaam als arts bij GGD Gelre-IJssel (hierna: GGD-arts), is gebleken dat [appellante] in het algemeen 100 meter in redelijkheid kan lopen. Er zijn dagen dat dit niet mogelijk is, echter tijdens die dagen is [appellante] niet continu van de hulp van de bestuurder afhankelijk.

2.3. De rechtbank heeft de vraag of [appellante] aan voorwaarde 1 voldoet in het midden gelaten. Ten aanzien van voorwaarde 2 heeft de rechtbank overwogen dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat [appellante] voor vervoer van deur tot deur continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder. Het college kon zich voor dit standpunt baseren op de rapportages van de keuringsarts en de GGD-arts, aldus de rechtbank. Dat door deze artsen is nagelaten informatie op te vragen bij de behandelend specialist van [appellante] leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel. Hierbij heeft zij in aanmerking genomen dat uit een brief van 27 oktober 2007 van professor L. Monnens, die bij de GGD-arts bekend was, niet kan worden afgeleid dat [appellante] continu afhankelijk is van hulp door een derde.

2.4. [appellante] voert aan dat de rechtbank voorbijgaat aan de omstandigheid dat de GGD-arts geen lichamelijk onderzoek bij haar heeft verricht en bij de behandelend specialist geen medische informatie heeft opgevraagd. Verder voert zij aan dat zij tegenwoordig lijdt aan botontkalking en een lage bloeddruk waardoor haar loopvermogen verder achteruit is gegaan.

2.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 september 2007 in zaak nr. 200702094/1) mag het bestuursorgaan een advies dat is uitgebracht door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige bij zijn beoordeling van een aanvraag betrekken, mits dit advies op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld. Zoals de Afdeling in diezelfde uitspraak heeft overwogen is onderzoek aan het lichaam niet een verplicht onderdeel van een medisch onderzoek ten behoeve van de beslissing op een aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart. De bevindingen van de geneeskundige dienen zonder zo'n onderzoek wel op andere wijze afdoende te zijn onderbouwd.

In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college zich niet op de medische rapportages heeft mogen baseren. Dat bij de behandelend specialist geen informatie is opgevraagd maakt dat, zoals de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld, niet anders, omdat uit de bij de GGD-arts bekende brief van professor L. Monnens over de aandoening waaraan [appellante] lijdt, niet kan worden afgeleid dat [appellante] bij het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk is van hulp van de bestuurder. In de in hoger beroep overgelegde brieven van de behandelend internist, dr. S.H.A. Peters, is evenmin grond gelegen voor het oordeel dat het college zich niet op de medische rapportages heeft mogen baseren.

2.6. De door [appellante] aangevoerde omstandigheid dat zij thans door botontkalking en een lage bloeddruk continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder, daargelaten de juistheid daarvan, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden omdat deze dateert van na het bij de rechtbank bestreden besluit.

2.7. Nu niet is gebleken van een continue afhankelijkheid van de bestuurder, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat niet aan voorwaarde 2 is voldaan en dat het de gehandicaptenparkeerkaart als passagier heeft mogen weigeren.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Graat

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009

307-591.