Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK2923

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
200902945/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het met het bestemmingsplan "Buitengebied 2005 Hengelo / Vorden" strijdige gebruik van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) op te heffen en opgeheven te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902945/1/H1.

Datum uitspraak: 11 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Bronckhorst,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 15 april 2009 in zaak nrs. 09/196 en 09/210 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het met het bestemmingsplan "Buitengebied 2005 Hengelo / Vorden" strijdige gebruik van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) op te heffen en opgeheven te houden.

Bij besluit van 16 december 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 april 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft

de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 april 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 oktober 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door zijn [zoon] en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. IJsseldijk, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 2005 Hengelo / Vorden" heeft het perceel de bestemmingen "Agrarisch gebied met natuur en landschapswaarden (ALN)" en "Niet-agrarisch bedrijf".

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de voorschriften van het geldende bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften) is het verboden opstallen - of delen daarvan - en gronden te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

Ingevolge het tweede lid is het bepaalde in het eerste lid van dit artikel niet van toepassing op:

a. gebruik van opstallen - of delen daarvan - en gronden strijdig met de bestemming aan de grond gegeven in het plan voor zover dit gebruik reeds plaatsvond ten tijde van het van kracht worden van het plan, zolang in de aard van dat gebruik geen wijziging wordt aangebracht.

b. het overgangsrecht is niet van toepassing op het gebruik dat tevens in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan;

c. (…).

Ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1994" (hierna: het voorheen geldende bestemmingsplan) rustte op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied".

Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan is het verboden opstallen - of delen daarvan - en gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 46, vijfde lid, is het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing op:

a. gebruik van opstallen - of delen daarvan - en grond strijdig met de bestemming aan de grond gegeven in het plan, voor zover dit gebruik reeds plaatsvond ten tijde van het van kracht worden van het plan, zolang in de aard en omvang van het gebruik geen wijziging wordt aangebracht;

b. een gewijzigd gebruik van opstallen - of delen daarvan - en grond, anders dan ten tijde van het van kracht worden van het plan, indien dit gewijzigde gebruik minder strijdig zal zijn met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

2.2. Niet in geschil is dat het perceelsgedeelte met de bestemming "Agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden (ALN)" is verhard en dat daarop een kraanwagen en andere voertuigen worden gestald. Dit gebruik van het perceelsgedeelte is in strijd met artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften.

2.3. De voorzieningenrechter is tot het juiste oordeel gekomen dat het beroep van [appellant] op artikel 20, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften niet kan slagen, omdat het gebruik van het perceelsgedeelte ook in strijd was met de bestemming "Agrarisch gebied" van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" 1994, zodat gelet op het bepaalde onder b van het tweede lid van artikel 20, geen aanspraak kan worden gemaakt op de beschermende werking van het overgangsrecht als bedoeld in het tweede lid, onder a.

2.3.1. Anders dan [appellant] betoogt heeft de voorzieningenrechter op juiste wijze uitleg gegeven aan artikel 20, tweede lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften. Uit dit artikel volgt dat gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan niet valt onder de beschermende werking van het in artikel 20, tweede lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften neergelegde overgangsrecht. Voor een andere uitleg biedt het artikel geen ruimte, ook niet nu de formulering van onderdeel b van artikel 20, tweede lid, niet goed aansluit op de formulering van de aanhef van artikel 20, tweede lid.

2.3.2. Ook valt dit met het bestemmingsplan strijdige gebruik niet onder de beschermende werking van het overgangsrecht van het voorheen geldende bestemmingsplan omdat aard en omvang van het gebruik zijn geïntensiveerd door de aanleg van een verharde parkeerplaats. Hetgeen [appellant] in dit verband verder heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunt voor een ander oordeel dan dat van de voorzieningenrechter.

2.4. De conclusie is dat is gehandeld in strijd met de planvoorschriften, zodat het college bevoegd was terzake handhavend op te treden.

2.5. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6. De voorzieningenrechter is tot het juiste oordeel gekomen dat geen concreet uitzicht op legalisering bestaat en dat niet is gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien. Daarbij heeft de voorzieningenrechter terecht in aanmerking genomen dat het beleid van het college er op is gericht om niet aan het buitengebied gebonden activiteiten tegen te gaan.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Boot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009

202.