Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK2910

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2009
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
200906547/1/M1 en 200906547/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan [appellante] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het composteren van groenafval met een verwerkingscapaciteit van 20.000 ton op jaarbasis, het verwerken van groenafval tot biomassa met een verwerkingscapaciteit van 10.000 ton op jaarbasis, het voeren van een loonbedrijf en de tijdelijke opslag van schone grond met een maximale opslagcapaciteit van 20.000 ton m³ aan de Schootjesbaan te Goirle. Dit besluit is op 13 juli 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/268
JOM 2011/269

Uitspraak

200906547/1/M1 en 200906547/2/M1

Datum uitspraak: 5 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan [appellante] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het composteren van groenafval met een verwerkingscapaciteit van 20.000 ton op jaarbasis, het verwerken van groenafval tot biomassa met een verwerkingscapaciteit van 10.000 ton op jaarbasis, het voeren van een loonbedrijf en de tijdelijke opslag van schone grond met een maximale opslagcapaciteit van 20.000 ton m³ aan de Schootjesbaan te Goirle. Dit besluit is op 13 juli 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2009, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [appellante] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 oktober 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door G. Hofstra, milieuadviseur, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.J.M. Kock en ing. J.J.A. Voesenek, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. [appellante] voert aan dat het college in zijn reactie op de door haar naar voren gebrachte zienswijze ten aanzien van de voorschriften in paragraaf 8.1 verwijst naar verkeerde voorschriften.

2.2.1. Uit het bestreden besluit en het verweerschrift volgt dat het college in zijn reactie op de door [appellante] naar voren gebrachte zienswijze ten aanzien van de voorschriften in paragraaf 8.1, deels geen rekening heeft gehouden met de juiste nummering van de voorschriften. De voorzitter is van oordeel dat de onjuiste verwijzingen kennelijke verschrijvingen betreffen welke geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Deze beroepsgrond faalt.

2.3. [appellante] betoogt dat de in voorschrift 8.1.5 opgenomen verplichting dat zand en grond niet hoger dan tot 0,5 meter onder de rand van de keerwanden mogen worden opgeslagen, onnodig belastend is. Volgens haar betekent het voorschrift dat de top van het opgeslagen zand en grond onder de hoogte van 0,5 meter onder de rand van de keerwanden dient te blijven. Voorts voert [appellante] aan dat de samenhang en reikwijdte van de voorschriften uit paragraaf 8.1, met name de voorschriften 8.1.4, 8.1.5 en 8.16, niet duidelijk is. Volgens haar is onduidelijk welke voorschriften betrekking hebben op de opslag van zand uit de nabijgelegen ontgronding en welke voorschriften betrekking hebben op de op- en overslag van schone grond en zand.

2.4. Ingevolge voorschrift 8.1.4 dient bij langdurige opslag van zand of grond binnen het depot gebruik te worden gemaakt van een bindmiddel om stofvorming te voorkomen.

Ingevolge voorschrift 8.1.5 dient de opslag van zand en grond minimaal aan 2 zijden te zijn voorzien van een keerwand en dienen de grondstoffen 0,5 meter onder de rand van de keerwanden te worden opgeslagen.

Ingevolge voorschrift 8.1.6 wordt de tijdelijke opslag van zand afkomstig van de naastgelegen ontgronding in depot gehouden met een maximale opslaghoogte van 9 meter boven maaiveld.

2.4.1. De voorzitter stelt vast dat voorschrift 8.1.5 er ondermeer toe strekt dat de top van de opslag van zand en grond 0,5 meter onder de hoogte van de rand van de keerwanden dient te liggen. Het college heeft evenwel ter zitting verklaard dat wanneer langs de rand van de keerwand een hoogte van 0,5 meter onder de rand wordt aangehouden het niet nodig is dat de hoogte van de opslag van zand en grond verder wordt beperkt.

Ten aanzien van de samenhang en reikwijdte van de voorschriften uit paragraaf 8.1 zijn [appellante] en het college blijkens het verhandelde ter zitting van mening dat de voorschriften 8.1.1, 8.1.2 en 8.1.3 betrekking hebben op alle opslag van zand en grond in de inrichting. Verder zien volgens hen de voorschriften 8.1.4 en 8.1.6 alleen op de opslag van zand en grond uit de ontgronding en ziet voorschrift 8.1.5 alleen op de op- en overslag van schone grond en zand. Volgens [appellante] en het college komt deze bedoeling door de volgorde van de voorschriften onvoldoende tot uitdrukking.

Gezien het vorenstaande is de voorzitter van oordeel dat het college het bestreden besluit voor wat betreft de hiervoor aangeduide voorschriften in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid.

Het beroep slaagt in zoverre.

2.5. [appellante] stelt dat de in voorschrift 10.4.6 opgenomen opslaghoogte van 5 meter dient te worden verhoogd naar 7 meter. In dit verband voert [appellante] aan dat in niet alle gevallen het opgeslagen gras hoeft te worden aangereden. Zij wijst daartoe naar de opslag van gras in de vorm van pakken. Voorts voert [appellante] aan dat de werkzaamheden ook kunnen worden uitgevoerd met een kraan in plaats van met een loader, waardoor minder geluid zal worden geproduceerd.

2.6. Het college stelt dat voor de vorming van het depot overeenkomstig de vergunningaanvraag en het akoestisch rapport een loader wordt toegepast. Volgens het college is de loader in het akoestisch onderzoek vanaf maaiveld hoogte gemodelleerd en volgt uit het akoestisch rapport dat de reikwijdte van de laadarm van de loader 5 meter is. Daarom is een opslaghoogte van 5 meter voorgeschreven, aldus het college.

2.7. In voorschrift 10.4.6 is bepaald dat de opslag van het in depot gebrachte gras niet hoger mag reiken dan 5 meter boven het maaiveld.

2.7.1. Gelet op het feit dat [appellante] voor de vorming van het depot slechts het gebruik van een loader heeft aangevraagd en alleen deze loader is meegenomen in het akoestisch onderzoek, is de voorzitter van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld, dat de opslaghoogte in voorschrift 10.4.6 in overeenstemming is met de aanvraag.

Deze beroepsgrond faalt.

2.8. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 3 juli 2009 komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover het de voorschriften 8.1.4 tot en met 8.1.6 betreft. Voor het overige is het beroep ongegrond.

Gelet op hetgeen [appellante] en het college ter zitting hebben verklaard, ziet de Voorzitter aanleiding wat betreft de voorschriften 8.1.4 tot en met 8.1.6 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak te voorzien en deze voorschriften te wijzigen.

2.9. Gelet hierop ziet de voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.10. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 3 juli 2009, kenmerk Directie Ecologie, 1553933, voor zover het de voorschriften 8.1.4 tot en met 8.1.6 betreft;

III. bepaalt dat de voorschriften 8.1.4, 8.1.5 en 8.1.6 als volgt komen te luiden:

8.1.4

Opslag van zand en grond dient minimaal aan 2 zijden te zijn voorzien van een keerwand. De grondstoffen dienen aan de zijde van de keerwanden 0,5 meter onder de rand van de keerwanden te worden opgeslagen;

8.1.5

De tijdelijke opslag van zand en grond afkomstig van de naastgelegen ontgronding wordt in depot gehouden met een maximale opslaghoogte van 9 meter boven maaiveld;

8.1.6

Bij opslag van zand of grond binnen het depot dient gebruik te worden gemaakt van een bindmiddel om stofvorming te voorkomen;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. wijst het verzoek af;

VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Melse

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2009

191-625.