Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK2269

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
06-11-2009
Zaaknummer
200907267/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / geen titel voor vrijheidsontneming periode tussen ontslag strafrechtelijke detentie en vreemdelingenbewaring / belangenafweging

Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de vreemdeling op 25 augustus 2009 om 8.00 uur uit strafrechtelijke detentie is ontslagen en hij vervolgens om 11.45 uur in vreemdelingenbewaring is gesteld. Niet is daaruit gebleken dat hij in de tussengelegen periode is opgehouden voor verhoor. Derhalve ontbreekt een titel op grond waarvan de vreemdeling op 25 augustus 2009 tussen 8.00 uur en 11.45 uur zijn vrijheid is ontnomen. De klacht is terecht voorgedragen, maar de grief kan niet tot het daarmee beoogde doel leiden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 juli 2001 in zaak nr. 200102749/1, AB 2001, 274), maakt een gebrek dat kleeft aan de vrijheidsontneming, via welke de vreemdeling in de macht van de tot inbewaringstelling en uitzetting bevoegde autoriteiten is gebracht, de daarop aansluitende bewaring slechts onrechtmatig, indien de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Van een dergelijke onevenwichtigheid is in dit geval geen sprake. Uit de stukken kan worden afgeleid dat de gronden voor ophouding krachtens artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 aanwezig waren, zodat de vreemdeling gedurende zes uur kon worden opgehouden. Niet in geschil is voorts dat voor de inbewaringstelling gronden aanwezig waren en dat de inbewaringstelling ook overigens niet onrechtmatig was. De belangen, gediend met de bewaring ter fine van uitzetting, waren in dit geval bovendien zwaarwegend, nu het gaat om een vreemdeling die wegens de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld, ongewenst is verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200907267/1/V2.

Datum uitspraak: 28 oktober 2009

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 9 september 2009 in zaak nr. 09/30953 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2009 is [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 september 2009, verzonden op 15 september 2009, heeft de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 17 september 2009, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De vreemdeling betoogt in grief I dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het ervoor moet worden gehouden dat artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) de grond heeft gevormd voor zijn vrijheidsberoving op 25 augustus 2009 tussen 8.00 uur, het tijdstip van expiratie van de strafrechtelijke detentie, en 11.45 uur, het tijdstip van inbewaringstelling, nu deze conclusie geen steun vindt in het dossier.

2.1.1. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de vreemdeling op 25 augustus 2009 om 8.00 uur uit strafrechtelijke detentie is ontslagen en hij vervolgens om 11.45 uur in vreemdelingenbewaring is gesteld. Niet is daaruit gebleken dat hij in de tussengelegen periode is opgehouden voor verhoor. Derhalve ontbreekt een titel op grond waarvan de vreemdeling op 25 augustus 2009 tussen 8.00 uur en 11.45 uur zijn vrijheid is ontnomen. De klacht is terecht voorgedragen, maar de grief kan niet tot het daarmee beoogde doel leiden.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 juli 2001 in zaak nr. 200102749/1, AB 2001, 274), maakt een gebrek dat kleeft aan de vrijheidsontneming, via welke de vreemdeling in de macht van de tot inbewaringstelling en uitzetting bevoegde autoriteiten is gebracht, de daarop aansluitende bewaring slechts onrechtmatig, indien de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.

Van een dergelijke onevenwichtigheid is in dit geval geen sprake. Uit de stukken kan worden afgeleid dat de gronden voor ophouding krachtens artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 aanwezig waren, zodat de vreemdeling gedurende zes uur kon worden opgehouden. Niet in geschil is voorts dat voor de inbewaringstelling gronden aanwezig waren en dat de inbewaringstelling ook overigens niet onrechtmatig was. De belangen, gediend met de bewaring ter fine van uitzetting, waren in dit geval bovendien zwaarwegend, nu het gaat om een vreemdeling die wegens de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld, ongewenst is verklaard.

2.2. Hetgeen in grief II is aangevoerd, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.4. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. S.J.E. Horstink von Meyenfeldt, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Vonk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009

345-549.

Verzonden: 28 oktober 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak