Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK2258

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2009
Datum publicatie
06-11-2009
Zaaknummer
200901461/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BH4596, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / beroep op artikel 8 EVRM ten onrechte niet buiten beschouwing gelaten

De vreemdeling heeft in de aanvullende gronden van bezwaar alleen aangevoerd dat hij naar school gaat en goed zijn best doet. Dit heeft de staatssecretaris niet op enige wijze in verband hoeven brengen met belangen die artikel 8 van het EVRM beoogt te beschermen. Ook eerder in de procedure heeft de vreemdeling niets aangevoerd dat daarmee verband houdt. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris daarom in dit geval niet gehouden was om in het besluit van 13 maart 2008 te beoordelen of ten aanzien van de vreemdeling sprake is van schending van privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Reeds hieruit volgt dat de rechtbank in het eerst ter zitting gedane beroep van de vreemdeling op bescherming van privéleven ten onrechte grond heeft gevonden om het besluit van 13 maart 2008 te vernietigen.

De grief slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200901461/1/V1.

Datum uitspraak: 29 oktober 2009

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 29 januari 2009 in zaak nr. 08/12784 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om wijziging van de beperking en verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.

Bij besluit van 13 maart 2008 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 januari 2009, verzonden op 30 januari 2009, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 27 februari 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel, waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Ingevolge het tweede lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid.

In artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aantal categorieën vreemdelingen vermeld, van wie de aanvraag niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv. In het eerste lid, aanhef en onder g, wordt de mogelijkheid geopend bij algemene maatregel van bestuur categorieën vreemdelingen aan te wijzen die van het vereiste over een geldige mvv te beschikken zijn vrijgesteld.

In artikel 3.80, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) is bepaald dat de niet-tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, wordt gelijkgesteld met een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning.

Volgens paragraaf B1/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, voor zover thans van belang, wordt een niet-tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, in beginsel afgewezen vanwege het ontbreken van een mvv, tenzij sprake is van feiten en omstandigheden waardoor de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling is toe te rekenen.

2.2. In hoger beroep is niet in geschil dat de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur en wijziging van de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet is ingediend binnen de in artikel 3.80, eerste lid, van het Vb 2000 bedoelde termijn, zodat die aanvraag dient te worden gelijkgesteld met een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. Voorts is in hoger beroep niet in geschil dat de te late indiening aan de vreemdeling is toe te rekenen.

2.3. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte het ter zitting door de vreemdeling gedane beroep op schending van het privéleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) niet buiten beschouwing heeft gelaten en ten onrechte het besluit van 13 maart 2008 heeft vernietigd wegens schending van dat artikel. Daartoe betoogt de staatssecretaris onder meer dat de vreemdeling eerst in beroep feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht waarin impliciet een beroep op het recht op respect voor het privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM te lezen valt. Gelet op de beoordeling in beroep naar de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van dat besluit, was er volgens hem geen ruimte voor ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden door de rechtbank.

2.3.1. De vreemdeling heeft in de aanvullende gronden van bezwaar alleen aangevoerd dat hij naar school gaat en goed zijn best doet. Dit heeft de staatssecretaris niet op enige wijze in verband hoeven brengen met belangen die artikel 8 van het EVRM beoogt te beschermen. Ook eerder in de procedure heeft de vreemdeling niets aangevoerd dat daarmee verband houdt. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris daarom in dit geval niet gehouden was om in het besluit van 13 maart 2008 te beoordelen of ten aanzien van de vreemdeling sprake is van schending van privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Reeds hieruit volgt dat de rechtbank in het eerst ter zitting gedane beroep van de vreemdeling op bescherming van privéleven ten onrechte grond heeft gevonden om het besluit van 13 maart 2008 te vernietigen.

De grief slaagt.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 13 maart 2008 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 29 januari 2009 in zaak nr. 08/12784;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Klein Nulent

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2009

218-587.

Verzonden: 29 oktober 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak