Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1987

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
200809255/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) aan [appellante sub 1] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de productie van basispapier en golfkarton aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 13 november 2008 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/4547

Uitspraak

200809255/1/M2.

Datum uitspraak: 4 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) aan [appellante sub 1] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de productie van basispapier en golfkarton aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 13 november 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2008, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 1] en het college hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2009, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door R.M. Kooij, [een der appellanten sub 2], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door P.A. Kuijper en ing. A.J. Willemsen, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft [appellante sub 1] de beroepsgrond ten aanzien van vergunningvoorschrift 4.6 ingetrokken.

2.2. [appellante sub 1] en [appellanten sub 2] voeren aan dat het college ten onrechte voorschrift 1.8 aan de vergunning heeft verbonden. Volgens [appellante sub 1] is dit voorschrift onnodig bezwarend. Volgens [appellanten sub 2] zullen vrachtwagens, wanneer zij niet direct het bedrijfsterrein op kunnen rijden, ten gevolge van dit voorschrift extra rondjes blijven rijden. Dit zal grotere nadelige milieugevolgen met zich brengen dan wanneer de vrachtwagens op de openbare weg blijven wachten alvorens zij het terrein van de inrichting oprijden. Er had gekozen dienen te worden voor een effectievere oplossing, zoals het plaatsen van een extra weegbrug of het aanpassen van de verkeerssituatie, aldus [appellanten sub 2].

2.2.1. In voorschrift 1.8 is bepaald dat verkeer dat de inrichting als bestemming heeft en vanaf de Harderwijkerweg niet onmiddellijk het bedrijfsterrein op kan, door het bedrijf dient te worden gesommeerd om zijn weg over de Harderwijkerweg te vervolgen.

2.2.2. Blijkens het bestreden besluit is voorschrift 1.8 aan de vergunning verbonden ter voorkoming van luchtverontreiniging en geurhinder ter hoogte van de woning Harderwijkerweg 20 vanwege wachtende vrachtwagens op de openbare weg. Ter zitting heeft het college aangegeven dat voorschrift 1.8 bij nader inzien niet kan voorkomen dat nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan ten gevolge van vrachtverkeer dat niet direct het terrein van de inrichting kan oprijden. Wanneer vrachtverkeer dat wordt gesommeerd om door te rijden in de omgeving van de inrichting rondjes blijft rijden, zijn de nadelige gevolgen voor het milieu zelfs groter dan wanneer vrachtverkeer voor de inrichting blijft wachten, aldus het college. Volgens het college is wellicht een betere oplossing om aan de vergunning een voorschrift te verbinden waarin de verplichting wordt opgelegd dat vrachtwagenchauffeurs worden geïnstrueerd op een daarvoor geschikt terrein in de omgeving van de inrichting te wachten totdat zij worden opgeroepen.

Gelet op hetgeen het college ter zitting heeft opgemerkt heeft het college bij de voorbereiding van voorschrift 1.8 in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaard. De beroepsgronden slagen. Het bestreden besluit komt, voor wat betreft voorschrift 1.8 voor vernietiging in aanmerking.

2.3. [appellanten sub 2] vrezen trillinghinder. Ten gevolge van de capaciteitsuitbreiding zal volgens hen de reeds ondervonden trillinghinder toenemen. Volgens hen is niet gebleken dat ter plaatse van hun woning kan worden voldaan aan de grenswaarden voor trillingen zoals vastgesteld in vergunningvoorschrift 4.5.

2.3.1. Volgens het college blijkt uit het door onderzoeksbureau Peutz uitgevoerde trillingsonderzoek ter plaatse van de woning [locatie 2], waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van 31 mei 2005, dat trillingen ten gevolge van de representatieve bedrijfssituatie wat betreft deze woning voldoen aan de in voorschrift 4.5 vastgestelde grenswaarden. [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de resultaten van dit onderzoek onjuist zijn. Met hun argument dat dit onderzoek is uitgevoerd op een moment dat een in de omgeving van de inrichting gelegen kruispunt was afgesloten, hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het onderzoek ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting minder trillinghinder dan gebruikelijk werd veroorzaakt.

Volgens het college bevindt de woning [locatie 2] zich dichterbij de belangrijkste trillingsbron van het bedrijf -de in het bestreden besluit als PM5 aangeduide papiermachine- dan de woning van [appellanten sub 2]. Daarom kan er volgens het college van uit worden gegaan dat ook ter plaatse van die woning aan de grenswaarden kan worden voldaan. [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit betoog onjuist is.

De beroepsgrond faalt.

2.4. [appellanten sub 2] vrezen geurhinder. Volgens hen is de door het college vastgestelde grenswaarde van 20 ge/m3 als 98 percentiel voor geuremissie vanwege het in werking zijn van de inrichting te hoog.

2.4.1. Het geurbeleid van de provincie is neergelegd in de door het college op 27 augustus 2002 vastgestelde beleidsregels "Gelderse beleidsregels voor geur en milieuvergunningen" (hierna: de beleidsregels). In deze beleidsregels wordt, voor zover hier van belang, vermeld dat wanneer de geuremissie van bestaande bronnen hoger is dan de op grond van deze regels van toepassing zijnde bovenwaarde en niet met redelijkerwijs te verlangen maatregelen of voorzieningen is te reduceren tot ten hoogste de bovenwaarde, gedeputeerde staten het met redelijkerwijs te verlangen maatregelen of voorzieningen best bereikbare niveau voor geurhinder vaststellen.

2.4.2. De van toepassing zijnde bovenwaarde uit de beleidsregels bedraagt 10 ge/m3 als 98 percentiel. Gelet op de gestelde grenswaarde van 20 ge/m3 als 98 percentiel wordt de van toepassing zijnde bovenwaarde overschreden.

Het college heeft in het bestreden besluit - kort weergegeven en voor zover hier van belang - het volgende overwogen. De geuroverlast wordt met name veroorzaakt door anaërobie in het proceswater, wat mogelijk het gevolg is van procesverstoringen of andere ongeplande stops. In de aanvraag om vergunning is een aantal procesmaatregelen beschreven die met name zijn gericht op het voorkomen en bestrijden van procesverstoringen en het beheersen van de kwaliteit van het proceswater. Volgens het college heeft [appellante sub 1] alle redelijkerwijs te verlangen maatregelen en voorzieningen getroffen om de geurhinder te beperken.

[appellanten sub 2] hebben deze conclusie als zodanig niet bestreden. Zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college ten onrechte het standpunt in heeft genomen dat het met redelijkerwijs te verlangen maatregelen of voorzieningen best bereikbare niveau voor geurhinder voor de inrichting in kwestie wordt bereikt. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de geurhinder in deze situatie in voldoende mate wordt beperkt en toereikend gemotiveerd dat kan worden afgeweken van de van toepassing zijnde bovenwaarde.

De beroepsgrond faalt.

2.5. [appellanten sub 2] voeren aan dat het college ten onrechte de toename van de geluidemissie van het vrachtverkeer ten gevolge van de capaciteitsuitbreiding van de inrichting niet bij de beoordeling van de aanvraag heeft betrokken. Weliswaar mag het speciale regime van de Wet geluidhinder niet worden doorkruist, maar dit betekent volgens hen niet dat de door het vrachtverkeer veroorzaakte geluidhinder helemaal niet bij de beoordeling wordt betrokken.

2.5.1. De inrichting bevindt zich op een industrieterrein waarvoor krachtens artikel 53 van de Wet geluidhinder een zone is vastgesteld. Uit hetgeen de Afdeling in de uitspraak van 16 september 1996 in zaak no. E03.94.1331 (BR 1997, p. 50) heeft overwogen, volgt dat in een dergelijk geval de door verkeer van en naar de inrichting veroorzaakte geluidbelasting geen aanleiding kan geven voor het weigeren van de vergunning. Het college heeft daarom terecht de geluidemissie van vrachtverkeer ten behoeve van de inrichting niet bij de beoordeling betrokken.

De beroepsgrond faalt.

2.6. Voor zover door [appellanten sub 2] wordt aangevoerd, dat zij vrezen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd, heeft het beroep betrekking op de naleving van de bij het bestreden besluit verleende vergunning en niet op de rechtmatigheid van het ter beoordeling staande besluit en kan om die reden niet slagen.

2.7. Het beroep van [appellante sub 1] is gegrond. Het beroep van [appellanten sub 2] is gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 24 oktober 2008 komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover voorschrift 1.8 aan de vergunning is verbonden. Het beroep van [appellanten sub 2] is voor het overige ongegrond.

2.8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 1] gegrond en het beroep van [appellanten sub 2] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 24 oktober 2008, kenmerk MPM521/2006-020054, voor wat betreft voorschrift 1.8;

III. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] voor het overige ongegrond;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) voor [appellante sub 1] en € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellanten sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2009

262-578.