Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1981

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
200900798/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleesvarkens- en zoogkoeienhouderij aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 22 december 2008 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200900798/1/M2.

Datum uitspraak: 4 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleesvarkens- en zoogkoeienhouderij aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 22 december 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2009, beroep ingesteld.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2009, waar het college, vertegenwoordigd door E.L.A. Kramer, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] voert aan dat bij het bestreden besluit ten onrechte vergunning is verleend voor de uitbreiding van de inrichting, nu deze in de omgeving van een kwetsbaar natuurgebied is gelegen. Volgens hem gaat het college er ten onrechte van uit dat de ammoniakemissie zal afnemen. In dit verband stelt hij zich op het standpunt dat de stallen gelegen aan de [locatie 2] geen deel uitmaken van de inrichting en daarom, anders dan waarvan het college uitgaat, niet meegenomen kunnen worden bij de vaststelling van de ammoniakemissie in de reeds vergunde situatie. De effecten van de ammoniakemissie zouden volgens [appellant] eerst moeten worden onderzocht. Volgens [appellant] is verlening van de vergunning onder deze omstandigheden in strijd met provinciaal beleid.

2.1.1. Voor de inrichting is bij besluit van 18 december 2007 een vergunning verleend waarbij - kort weergegeven - de inrichtingen gelegen aan [locatie 1] en de [locatie 2] zijn samengevoegd. Bij uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2008, in zaak nr. 200800783/1 is het hiertegen ingestelde beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard. Het besluit is daarmee onherroepelijk geworden. Het college is gelet hierop er bij het bestreden besluit terecht van uitgegaan dat voor de inrichting een vergunning gold die zowel de locatie [locatie 1] als de locatie [locatie 2] omvatte.

2.1.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij mag het college bij de beslissing inzake de vergunning voor deze inrichting de gevolgen van ammoniakemissie uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7 van deze wet betrekken.

Het college heeft gelet hierop bij de beoordeling van de ammoniakemissie terecht niet betrokken of uitbreiding van de inrichting in overeenstemming is met provinciaal beleid en het onderzoek naar de ammoniakemissie terecht beperkt tot de vraag of aan de artikelen 4 tot en met 7 wordt voldaan.

In het bestreden besluit heeft het college uiteengezet dat de artikelen 4 tot en met 7 zich niet verzetten tegen vergunningverlening. Er is geen grond om deze conclusie onjuist te achten. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de ammoniakemissie geen grond geeft voor weigering van de vergunning.

De beroepsgronden over ammoniakemissie falen.

2.2. [appellant] betoogt - zo begrijpt de Afdeling het beroep - dat wat betreft de uitstoot van zwevende deeltjes (fijn stof) ten onrechte geen rekening is gehouden met toekomstige normstelling. Voorts heeft het college volgens hem ten onrechte voor de vaststelling van de uitstoot van zwevende deeltjes van de inrichting in de reeds vergunde situatie de uitstoot van de stallen gelegen aan de [locatie 2] meegenomen.

2.2.1. In titel 5.2 van de Wet milieubeheer zijn, voor zover hier van belang, met betrekking tot uitstoot van zwevende deeltjes regels gesteld waaraan bij verlening van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer moet worden voldaan. Het college heeft terecht getoetst aan deze regels en niet aan eventuele toekomstige normstelling over zwevende deeltjes. Verder is het college, zoals eerder in deze uitspraak onder 2.1.1 is overwogen, bij de vaststelling van de reeds vergunde situatie terecht ervan uitgegaan dat de stallen gelegen aan de [locatie 2] deel uitmaken van de inrichting.

De beroepsgronden falen.

2.3. [appellant] voert aan dat het college, gelet op het aantal varkens waarmee de inrichting zal worden uitgebreid, ten onrechte heeft besloten dat geen milieu-effectrapportage hoeft te worden gemaakt.

2.3.1. In onderdeel D, categorie 14, van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 is, voor zover hier van belang, het oprichten van een inrichting voor het houden van meer dan 2.200 mestvarkens aangewezen als activiteit waarbij het bevoegd gezag krachtens artikel 7.8b van de Wet milieubeheer moet beslissen of een milieu-effectrapportage moet worden gemaakt.

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994, onder 2, is bepaald dat onder oprichting van een inrichting mede moet worden verstaan: de uitbreiding van een inrichting door oprichting van een nieuwe installatie.

2.3.2. Niet in geschil is dat vergunning is verleend voor de uitbreiding van de inrichting met 2.912 vleesvarkens door het oprichten van stal 2. Dit is een activiteit waarbij het college krachtens artikel 7.8b van de Wet milieubeheer moest beslissen of vanwege de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de voorgenomen activiteit kan hebben, een milieu-effectrapportage moet worden gemaakt. Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het college gemotiveerd weergegeven waarom er geen belangrijke nadelige gevolgen in de zin van artikel 7.8b van de Wet milieubeheer zijn ten gevolge waarvan een milieu-effectrapportage is vereist. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat geen milieu-effectrapportage hoeft te worden gemaakt.

De beroepsgrond faalt.

2.4. [appellant] voert aan dat onduidelijk is op welke wijze gecontroleerd zal worden of overeenkomstig de bij het bestreden besluit verleende vergunning luchtwassers toegepast worden.

2.4.1. In dit geding staat ter beoordeling of de verlening van de vergunning als zodanig rechtmatig is en niet of deze zal worden nageleefd dan wel hoe naleving ervan zal worden gecontroleerd. Aangezien het betoog van [appellant] op het laatste betrekking heeft, faalt de beroepsgrond.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

De voorzitter w.g. Van der Zijpp

is verhinderd de uitspraak ambtenaar van Staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2009

262-578.