Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1979

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
200902046/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 februari 2009, kenmerk 2008-020567, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Overbetuwe (hierna: de raad) bij besluit van 28 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Slijk-Ewijk" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200902046/1/R2.

Datum uitspraak: 4 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2009, kenmerk 2008-020567, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Overbetuwe (hierna: de raad) bij besluit van 28 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Slijk-Ewijk" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 24 maart 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 16 april 2009.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het college van burgemeester en wethouders namens de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. W.J.B.M. Alkemade, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord de raad, als partij, vertegenwoordigd door R.C. van der Spek en G.J. Willemsen, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de kern Slijk-Ewijk en heeft in hoofdzaak een beheersfunctie.

2.3. Het beroep van [appellant] richt zich tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Groen - Dorpsgroen/Tuinen" dat betrekking heeft op het perceel tussen Dorpsstraat 52 en 66 (hierna: het perceel) omdat dit geen mogelijkheden voor woningbouw biedt. [appellant] betoogt dat reeds in 1997 overeenstemming is bereikt met het college van burgemeester en wethouders van de toenmalige gemeente Valburg en dat hij hieraan het vertrouwen mocht ontlenen dat het college van burgemeester en wethouders akkoord ging met woningbouw op het perceel. Dit blijkt uit de brief van het college van burgemeester en wethouders van 7 juli 1997 waarin wordt ingestemd met een ontwerpbouwplan voor twaalf woningen op het perceel. Subsidiair stelt [appellant] dat, indien geen woonbebouwing kan worden gerealiseerd, de agrarische bestemming op het perceel gehandhaafd dient te blijven, omdat het perceel altijd voor agrarische doeleinden gebruikt is geweest. De bouw- en gebruiksmogelijkheden op het perceel worden ingevolge het plan volkomen teniet gedaan, zo stelt [appellant].

2.4. Het college heeft goedkeuring aan het plandeel verleend. Het college stelt dat er slechts conceptovereenkomsten bestaan over de ontwikkeling van het perceel, maar dat deze nooit zijn ondertekend. Daarnaast stelt het college dat het perceel in het plan is bestemd in overeenstemming met het bestaande gebruik en dat de raad overeenkomstig dat gebruik heeft mogen bestemmen.

2.5. Blijkens de stukken is [appellant] in onderhandeling geweest met het college van burgemeester en wethouders over de realisatie van woningen op het perceel. Aan [appellant] is een conceptexploitatieovereenkomst voorgelegd. Bij brief van 7 juli 1997 is namens het college van burgemeester en wethouders ingestemd met een ontwerpplan voor twaalf woningen en is een conceptintentieovereenkomst aan [appellant] toegezonden. Omdat verschil van mening bestond over de vraag in wiens beheer de exploitatie diende plaats te vinden, is een patstelling ontstaan. Geen van de overeenkomsten is ondertekend.

De Afdeling overweegt dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan verwachtingen die zijn gewekt door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust bij de gemeenteraad. Daargelaten of in dit concrete geval de beweerdelijk gewekte verwachtingen zijn toe te rekenen aan de raad, had het college evenwel uit de omstandigheden die zich in dit geval voordoen in redelijkheid niet hoeven af te leiden dat het hier om gerechtvaardigde verwachtingen ging welke gehonoreerd dienden te worden. Hierbij acht de Afdeling van belang dat er geen overeenkomsten getekend zijn omdat in de brief van 7 juli 1997 voorwaarden gesteld waren waaronder ingestemd zou worden met het bouwplan. Aan deze voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat overeenstemming wordt bereikt over de wijze van exploitatie dan wel het kostenverhaal, is echter niet voldaan. Ook had [appellant] uit artikel 7 van de conceptintentieovereenkomst kunnen afleiden dat de gemeenteraad omtrent eventuele voortgang van het bouwplan niet gebonden was aan mogelijk bij de ambtelijke besluitvorming of anderszins gewekte verwachtingen omtrent de voortgang. Op grond van het voorgaande overweegt de Afdeling dat het plandeel niet in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld.

2.6. Het desbetreffende perceel van [appellant] had in het vorige bestemmingsplan "Dorp Slijk-Ewijk 1979" de bestemming "Agrarisch gebied". Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de voorschriften van dat bestemmingsplan, voor zover hier van belang, zijn de als "Agrarisch gebied" aangewezen gronden bestemd voor landbouw-, weidebouw-, tuinbouw-, veeteelt- en fruitteeltbedrijven en kwekerijen.

Ingevolge artikel 7.1 van de voorschriften van het plan zijn de als "Groen - Dorpsgroen/Tuinen" op de kaart aangewezen gronden bestemd voor grasvelden, weilanden met voorzieningen zoals paardenbakken, sport- en spelvoorzieningen, evenementen en tuinen, één en ander met de bijbehorende voorzieningen. Ingevolge artikel 7.3.1 van de voorschriften van het plan zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan die ten dienste staan van deze bestemming, alsmede de bestaande gebouwen.

2.7. Vast staat dat ingevolge het plan het perceel niet mag worden gebruikt ten behoeve van een agrarisch bedrijf, terwijl dit onder het vorige plan wel mogelijk was. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan echter geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden dan de voorheen geldende vaststellen. Verder konden, in tegenstelling tot hetgeen [appellant] stelt, ingevolge het vorige plan geen bedrijfswoning of bouwwerken worden gerealiseerd, nu in dat plan op het perceel geen bouwvlak was opgenomen. Weliswaar was in het vorige plan bij wijze van uitzondering het bouwen van veldschuren, melkstallen en schuilgelegenheden toegelaten, doch de Afdeling acht het niet onredelijk dat het college heeft ingestemd met de afweging van de raad om hieraan geen overwegende betekenis toe te kennen en meer waarde te hechten aan het algemene belang om aansluiting te zoeken bij het bestaande, niet-bedrijfsmatige agrarische gebruik. In dit verband komt betekenis toe aan de omstandigheid dat tot op heden geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om op het perceel agrarische bedrijfsactiviteiten te ontwikkelen. De Afdeling neemt eveneens in aanmerking dat ingevolge artikel 7.3.1 van de voorschriften bestaande gebouwen binnen de bestemming "Groen - Dorpsgroen/Tuinen" zijn toegestaan.

2.8. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het desbetreffende plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2009

177-612.