Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1978

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
200808908/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 november 2007 heeft appellant (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een carport op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2009/285

Uitspraak

200808908/1/H1.

Datum uitspraak: 4 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 30 oktober 2008 in zaken nrs. 08/1156 en 08/1560 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2007 heeft appellant (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een carport op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 4 juni 2008 heeft het college het door [wederpartij] en [gemachtigde] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 17 oktober 2008 heeft het college het besluit van 4 juni 2008 gewijzigd.

Bij uitspraak van 30 oktober 2008, verzonden op 3 november 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door [wederpartij] (hierna: [wederpartij]) tegen het besluit van 4 juni 2008 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2008, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 1 april 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het veranderen van een carport en de besluiten van 16 november 2007 en 4 juni 2008 zo gewijzigd, dat de bij die besluiten behorende tekeningen worden vervangen, een en ander onder voorwaarde dat een blokhut wordt verwijderd.

Bij besluit van 29 mei 2009 heeft het college opnieuw op het door [wederpartij] tegen het besluit van 16 november 2007 gemaakte bezwaar beslissend, dat ongegrond verklaard. Daarnaast heeft het ontheffing verleend van artikel 2.5.17 van de Bouwverordening 1996 van de gemeente Apeldoorn (hierna: de bouwverordening).

Het college en [wederpartij] hebben elk een nadere reactie ingediend.

[wederpartij] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2009, waar het college, vertegenwoordigd door W.M. van de Zedde en G.L. ter Brugge, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. V. Dolderman, advocaat te Nijkerk, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de oprichting van een carport tegen de zijgevel van het woonhuis op het perceel. De carport is voorzien op een kavel met een oppervlakte tussen 500 m2 en 750 m2.

2.2. Het college betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het ten tijde van het besluit van 4 juni 2008 voor het perceel geldende bestemmingsplan "Stadsdeel Noord-West" van toepassing was.

2.2.1. Dat betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 februari 2002 in zaak nr. 200005090/1), dient bij het nemen van een besluit op bezwaar in beginsel het recht te worden toegepast, zoals dat op dat moment geldt. Bij wijze van uitzondering mag een college van burgemeester en wethouders het ten tijde van een aanvraag om bouwvergunning nog wél, maar ten tijde van het besluit daarop, dan wel ten tijde van de heroverweging daarvan in bezwaar, niet meer geldende bestemmingsplan toepassen, indien het desbetreffende bouwplan ten tijde van de aanvraag in overeenstemming was met het toen geldende bestemmingsplan en op dat moment geen voorbereidingsbesluit van kracht was, dan wel een ontwerp voor een nieuw bestemmingsplan ter inzage was gelegd, waarmee dat bouwplan in strijd was.

Het bouwplan was niet in overeenstemming met het ten tijde van de aanvraag geldende bestemmingsplan "UPO Orden", zodat voor toepassing van deze uitzondering geen aanleiding bestaat. Dat de strijd met dat bestemmingsplan door het verlenen van vrijstelling kon worden opgeheven, zoals het college betoogt, maakt dat niet anders.

2.3. Ingevolge het bestemmingsplan "Stadsdeel Noord-West" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden" met als aanduiding "halfvrijstaande of vrijstaande woningen (hv)".

Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor, voor zover thans van belang, woningen.

Ingevolge het tweede lid, onder b, zijn bijgebouwen, overkappingen en aan- of uitbouwen bij woningen met de aanduiding v, hv en a die zijn gelegen op een kaveloppervlakte tussen 500 m2 en 750 m2, toegestaan met een maximale oppervlakte van 65 m2.

2.4. Het betoog dat de voorzieningenrechter buiten het geschil is getreden door de op het perceel aanwezige schuur bij het beoordelen van de beroepsgrond dat de maximaal toegestane oppervlakte aan bouwwerken als bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften met het realiseren van het bouwplan wordt overschreden, te betrekken, faalt. De voorzieningenrechter is bij het bepalen van de omvang van die bouwwerken terecht van de feitelijke situatie uitgegaan.

2.5. Het betoog dat de voorzieningenrechter buiten het geschil is getreden, door te overwegen dat blijkens ter zitting overgelegde foto's de voorzijde van de carport, in afwijking van de bouwvergunning is afgesloten, faalt evenzeer, nu deze overweging geen betrekking heeft op het bouwplan en de in bezwaar gehandhaafde bouwvergunning.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Op 1 april 2009 heeft het college besloten als hiervoor vermeld. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 4 maart 2009 in zaak nr. 200803908/1), zijn, indien hangende een bezwaar- of beroepschriftprocedure met betrekking tot een bouwvergunning bij nader besluit naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag bouwvergunning wordt verleend voor een wijziging van het bouwplan waarvoor de eerdere bouwvergunning is verleend, op dat nadere besluit de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van toepassing, mits die wijziging van ondergeschikte aard is. Dit geldt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, ook indien hangende de procedure in hoger beroep een zodanig nader besluit wordt genomen.

2.7.1. De wijziging van het bouwplan waarvoor het college bij het besluit van 1 april 2009 bouwvergunning heeft verleend, betreft het verkleinen van de op te richten carport, teneinde te voldoen aan de maximaal toegestane oppervlakte aan bouwwerken, als bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften. Deze wijziging is, nu zij de bouwkundige aard niet betreft en de verschijningsvorm van de carport in relatie tot de omgeving ongewijzigd blijft, ondergeschikt in evenbedoelde zin.

2.8. Bij besluit van 29 mei 2009 heeft het college naar aanleiding van de uitspraak van 30 oktober 2008 opnieuw op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar beslist. Hierbij heeft het tevens op het door [wederpartij] tegen het besluit van 1 april 2009 gemaakte bezwaar beslist. Aangezien bij dit besluit niet aan [wederpartij] is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de artikel 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

2.9. [wederpartij] betoogt dat het college hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord, voordat opnieuw op bezwaar werd beslist. Daartoe voert hij aan dat de aanvraag om bouwvergunning van 12 maart 2009 en de bouwvergunning van 1 april 2009 feiten of omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb.

2.9.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 juli 2005 in zaak nr. 200410140/1) is in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb geen algemene verplichting opgenomen tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar, ter voldoening aan een rechterlijke uitspraak, waarbij het eerder zodanig besluit is vernietigd. Onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid kan het echter noodzakelijk zijn om de belanghebbenden opnieuw te horen.

Een zodanige situatie doet zich hier voor. Met de aanvraag van 12 maart 2009 en de vergunning van 1 april 2009 is beoogd te voldoen aan de maximaal toegestane oppervlakte aan bouwwerken, als bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften en zijn de besluiten van 16 november 2007 en 4 juni 2008 gewijzigd. Aldus is beoogd het door de voorzieningenrechter geconstateerde gebrek in de toetsing aan het bestemmingsplan te repareren. Het college heeft daarom niet mogen volstaan met het toezenden van het verslag van een bespreking tussen het college en [vergunninghouder] over de op te nemen sloopvoorwaarde, maar had [wederpartij] in de gelegenheid moeten stellen daarover te worden gehoord. Dat - zoals het college ter zitting heeft aangevoerd - [wederpartij] in dat geval ervan zou hebben afgezien te worden gehoord, maakt dat, wat daar verder van zij, niet anders. Het betoog slaagt.

2.10. Voor zover [wederpartij] betoogt dat het college ten onrechte zijn bezwaren tegen het besluit van 16 november 2007 niet gegrond heeft verklaard, faalt dat betoog, nu artikel 7:11 van de Awb een zodanige verplichting niet kent en voor het aannemen daarvan ook anderszins geen grond bestaat.

2.11. [wederpartij] betoogt voorts dat het college heeft miskend dat de maximaal toegestane oppervlakte aan bouwwerken op het perceel wordt overschreden. Ter toelichting heeft hij een door een architect met behulp van het CAD-computerprogramma ARKEY-ASD gemaakte tekening en berekening overgelegd, waaruit de overschrijding volgens hem volgt.

2.11.1. In het besluit van 29 mei 2009 heeft het college de aangenomen totale oppervlakte van de op het perceel aanwezige bouwwerken niet rekenkundig toegelicht. Eerst bij brief van 16 juni 2009 heeft het een met behulp van het computerprogramma AutoCAD gemaakte tekening en een berekening overgelegd, waarin wordt geconcludeerd dat de totale oppervlakte aan bouwwerken 64,60 m2 zal bedragen. Deze berekening is door [wederpartij] bij brief van 1 juli 2009 gemotiveerd betwist. Het college heeft hierop geen nadere reactie gegeven. Ter zitting heeft het desgevraagd volstaan met de mededeling dat het computerprogramma AutoCAD betrouwbaar is. Nu zowel het college als [wederpartij] gebruik heeft gemaakt van vergelijkbare tekenprogrammatuur voor het bepalen van de maximaal toegestane oppervlak aan bouwwerken en hieruit onderling afwijkende resultaten naar voren zijn gekomen en het college niet uiteen heeft gezet, waarom zijn meting deugdelijk is in het licht van de door [wederpartij] daartegenover gestelde bezwaren, berust het besluit van 29 mei 2009 in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Ook dit betoog slaagt.

2.12. [wederpartij] betoogt verder dat het college heeft miskend dat het bouwplan niet aan de redelijke eisen van welstand voldoet. Hij voert daartoe aan dat het bouwplan in strijd is met de sneltoetscriteria voor een lichte bouwvergunning van de kadernota "Over welstand geschreven" (hierna: de welstandsnota), die de raad van de gemeente Apeldoorn op 24 juni 2004 heeft vastgesteld. Nu het bouwplan niet van uitzonderlijke kwaliteit, als bedoeld in deze nota, is, had het college het bouwplan niet aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (hierna: CRK) mogen voorleggen, doch een negatief welstandsadvies moeten uitbrengen. Voor zover het CRK wel bevoegd was een advies uit brengen, is dat advies onvoldoende gemotiveerd, nu daarin niet is toegelicht dat en waarom het bouwplan van uitzonderlijke kwaliteit is, aldus [wederpartij].

2.12.1. In paragraaf 2.2 van de welstandsnota is als volgt vermeld: " Bij lichte bouwvergunningen vraagt het college in principe geen advies aan de CRK, voor zover de sneltoetscriteria van toepassing zijn. Wanneer een bouwplan niet voldoet aan de sneltoetscriteria omdat de kwaliteit onder de maat is, wordt een negatief welstandsadvies gegeven. Alleen als een bouwplan van uitzonderlijke kwaliteit is, en daardoor niet voldoet aan de sneltoetscriteria, kan de bouwaanvraag nogmaals worden beoordeeld, ditmaal door de CRK."

In paragraaf 6.1 is in een stappenplan deze procedure herhaald en verder te kennen gegeven dat de sneltoetscriteria de minimale kwaliteitseisen voor de welstandsbeoordeling vormen: beter mag, slechter niet.

2.12.2. Het Gelders genootschap heeft, op verzoek van het CRK, bij brief van 25 januari 2008 een nadere toelichting gegeven op zijn positieve stempeladvies van 1 mei 2007. Dit advies luidt dat, daar het bouwplan niet volledig aan de sneltoetscriteria voldoet, het beoordelingskader (naast het bebouwingsbeeld) wordt gevormd door de algemene en gebiedscriteria uit de welstandsnota en het bouwplan daaraan voldoet. Het college heeft dit advies gevolgd. Bij brief van 11 september 2008 heeft [wederpartij] een bericht van een architect overgelegd dat het bouwplan naar zijn oordeel niet van uitzonderlijke kwaliteit is als bedoeld in de welstandsnota.

Niet in geschil is dat het bouwplan niet aan de sneltoetscriteria uit de welstandsnota voldoet. Anders dan [wederpartij] betoogt, sluit de welstandsnota gelet op de woorden "in principe" niet uit dat het college de CRK om advies vraagt over een zodanig bouwplan. Het college heeft in het besluit van 29 mei 2009 echter ten onrechte geen reactie gegeven op het door [wederpartij] in bezwaar gevoerde en met het bericht van de architect gemotiveerde betoog dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand en het besluit is daarom in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd. Het door het college ter zitting ingenomen standpunt dat aan dit advies geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend, omdat slechts is ingegaan op de vraag of het te realiseren bouwwerk van uitzonderlijke kwaliteit is, is geen reden om daar anders over te oordelen, nu de welstandsnota dat als toe te passen criterium vermeldt. Eerst ter zitting heeft het college toegelicht dat de welstandsnota zo moet worden gelezen dat, indien een bouwplan niet aan de sneltoetscriteria voldoet, het plan aan de algemene en gebiedgerichte criteria uit de welstandsnota wordt getoetst. Het betoog slaagt.

2.13. Ingevolge artikel 2.5.17, eerste lid, aanhef en onder a, van de bouwverordening moet de zijdelingse begrenzing van een bouwwerk ten opzichte van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn.

Ingevolge het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders daarvan ontheffing verlenen, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.

2.14. [wederpartij] betoogt verder dat het college ten onrechte die ontheffing heeft verleend, nu onvoldoende mogelijkheid aanwezig is voor de reiniging en het onderhoud van de vrij te laten ruimte.

2.14.1. Vast staat dat de afstand tussen het bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing ter hoogte van het erf circa 0,5 meter bedraagt en op een hoogte van 1,8 meter minder dan 0,1 meter.

Volgens de toelichting op artikel 2.5.17 van de bouwverordening is de bepaling bedoeld om het ontstaan van smalle, ontoegankelijke ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder en vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen, als door een tussenruimte van meer dan een meter breed te realiseren. Ontheffing kan worden verleend, indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is.

Door in het besluit van 29 mei 2009 te volstaan met de enkele overweging dat de ruimte tussen de bouwwerken voldoende is om die te onderhouden en daarmee voorbijgaand aan het door [wederpartij] in bezwaar aangevoerde dat in de tussenruimte niet kan worden gelopen en hierdoor onderhoud en reiniging onmogelijk zal zijn, berust het besluit op dat punt niet op een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt.

2.15. Gelet op het voorgaande, behoeft de door [wederpartij] aangevoerde beroepsgrond dat het college gehouden was de bouwvergunning te weigeren, nu een deel van de grond waarop de carport is voorzien, aan hem toebehoort, geen bespreking.

2.16. Het tegen het besluit van 29 mei 2009 veronderstelde beroep is gegrond en dat besluit dient wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb te worden vernietigd.

2.17. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn van 29 mei 2009, kenmerk PD/JAV/WZ, gegrond;

III. vernietigt dat besluit;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door het college aan [wederpartij] te worden betaald;

V. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn griffierecht ten bedrage van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) heft.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2009

414-619.