Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1965

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
200805335/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2008, nummer RO/2008006521, heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] (hierna: [vergunninghoudster]) een vergunning onder voorschriften krachtens de Ontgrondingenwet verleend voor het ontgronden van "de tussendam", alsmede het verdiepen van het terrein, kadastraal bekend [gemeente], sectie [..], nummers […], plaatselijk bekend [plaats].

Wetsverwijzingen
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 3
Ontgrondingenwet 5
Ontgrondingenwet 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2010/27 met annotatie van De Vries

Uitspraak

200805335/1/R2.

Datum uitspraak: 4 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], en anderen,

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2008, nummer RO/2008006521, heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] (hierna: [vergunninghoudster]) een vergunning onder voorschriften krachtens de Ontgrondingenwet verleend voor het ontgronden van "de tussendam", alsmede het verdiepen van het terrein, kadastraal bekend [gemeente], sectie [..], nummers […], plaatselijk bekend [plaats].

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2008, en [appellante sub 2] (hierna: de vennootschap) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juli 2008, beroep ingesteld. [appellant sub 1] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 6 augustus 2008. De vennootschap heeft haar beroep aangevuld bij brief van 11 augustus 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe verzocht heeft het college een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 augustus 2009, waar [appellant sub 1] en anderen, bijgestaan door mr. M.B.W. Litjens, advocaat te Assen, en de vennootschap, vertegenwoordigd door mr. A.P.W. Esmeijer, advocaat te Enschede, [directeur], en [projectmanager], en het college, vertegenwoordigd door C. Schaafsma, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [directeur].

2. Overwegingen

2.1. De vergunning is verleend ten behoeve van het afgraven van "de tussendam" ter grootte van ongeveer 1,1 ha, die gelegen is in de bestaande zandwinplas Nijstad, alsmede het verdiepen van een deel van die plas.

[appellant sub 1] en anderen

2.2. [appellant sub 1] en anderen zijn eigenaar van een deel van de plas bekend staande als Nijstad. Hun percelen grenzen aan de percelen die op grond van de verleende vergunning kunnen worden verdiept.

2.3. Ter zitting hebben [appellant sub 1] en anderen het beroep voor zover betreffende de terinzagelegging van het ontwerpbesluit ingetrokken.

2.4. [appellant sub 1] en anderen stellen dat de in de voorschriften behorende bij de vergunning voorgeschreven onderwaterdam in strijd is met de uitgangspunten van het provinciaal ruimtelijk beleid, te weten de concentratie van bestaande zandwinningen, optimale benutting van de beperkte ruimte en zuinig gebruik van grondstoffen.

2.4.1. Op kaart 2 "Functiekaart overige aanduidingen" behorende bij het Provinciaal Omgevingsplan II (hierna: het POP II), vastgesteld door Provinciale staten van Drenthe op 7 juli 2004, is weergegeven dat de plas bekend staande als Nijstad is aangeduid als "centrale zandwinplaats voor ophoogzand".

In het POP II is vermeld dat uitbreiding van centrale zandwinplaatsen in het algemeen de voorkeur heeft boven het ontwikkelen van een nieuwe winplaats.

2.4.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit in overeenstemming is met het provinciaal ruimtelijk beleid zoals neergelegd in het POP II. Daartoe stelt het college dat de plas Nijstad is aangeduid als "centrale zandwinplaats voor ophoogzand" en dat wordt voldaan aan het zogenoemde concentratiebeleid, nu het gaat om een uitbreiding van een bestaande centrale zandwinplaats.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet op dit standpunt heeft kunnen stellen. Het provinciaal ruimtelijk beleid ziet, anders dan [appellant sub 1] en anderen veronderstellen, niet op de manier waarop ontgrondingswerkzaamheden in bestaande zandwinplaatsen moeten worden uitgevoerd, maar op het aantal zandwinplaatsen dat in de provincie Drenthe kan worden toegestaan.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant sub 1] en anderen stellen zich op het standpunt dat ten onrechte in de voorschriften A.4, A.5, A.12 en A.14 behorende bij de vergunning is opgenomen dat de op te richten onderwaterdam tot op de perceelsgrens kan komen. Zij betogen dat deze dam geheel op de te ontgronden percelen moet worden geplaatst.

2.5.1. Eerst stelt de Afdeling vast dat de voorschriften A4 en A12 niet zien op de door [appellant sub 1] en anderen bestreden zogenoemde onderwaterdam, maar op de oevers van de plas.

Voorts stelt de Afdeling vast dat in voorschrift A5, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, is bepaald dat de ontgronding dient te worden uitgevoerd en afgewerkt overeenkomstig de bij de aanvraag overgelegde tekeningen te weten de plankaart, zandwinning Echten, van 6 oktober 2006. Op die plankaart is weergegeven dat vanaf de grens van de percelen van [appellant sub 1] en anderen een strook van 10 meter op de te ontgronden percelen moet worden aangehouden waar niet mag worden ontgrond. Dat deze strook niet mag worden ontgrond is door [appellant sub 1] en anderen niet weersproken. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat deze strook van 10 meter de zogenoemde onderwaterdam vormt. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat is gewaarborgd dat de onderwaterdam niet op de perceelsgrens, maar geheel op de gronden van [vergunninghoudster] zal worden gerealiseerd.

Het betoog faalt, nu dit berust op een onjuiste lezing van de bij de vergunning behorende voorschriften.

2.6. [appellant sub 1] en anderen stellen dat er onvoldoende waarborgen zijn opgenomen voor het verdwijnen van zand van hun percelen ten gevolge van de vergunde ontgronding. De nul-meting, zoals voorgeschreven in voorschrift A.8 en A.9 behorende bij de vergunning, is daartoe onvoldoende.

2.6.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de zogenoemde onderwaterdam zal worden gerealiseerd ter bescherming van de percelen van [appellant sub 1] en anderen. Voorts is gebleken dat van de zijde van [vergunninghoudster] stabiliteitsberekeningen zijn uitgevoerd waaruit is gebleken dat een onderwaterdam van 10 meter voldoende is om zandverlies van de percelen van [appellant sub 1] te voorkomen. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat niet van deze gegevens uitgegaan had mogen worden. De enkele stelling betreffende de nul-meting is daartoe onvoldoende. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding om te oordelen dat het college zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat in de vergunning voldoende waarborgen zijn opgenomen ter bescherming van hun belangen.

Het betoog faalt.

2.7. Voor zover [appellant sub 1] en anderen betogen dat in de voorschriften behorende bij de vergunning te weinig rekening is gehouden met hun belangen omdat daarin de dieptes van hun percelen niet zijn afgestemd op de te ontgraven percelen, faalt dit. Daartoe overweegt de Afdeling dat het college zich bij het verlenen van een vergunning heeft te beperken tot hetgeen is aangevraagd. Nu de aanvraag van [vergunninghoudster] niet ziet op de percelen van [appellant sub 1] en anderen, heeft het college bij de beoordeling van de aanvraag geen rekening hoeven houden met de wens van [appellant sub 1] en anderen om ook hun percelen tot 24 m. -N.A.P. te verdiepen.

De vennootschap

2.8. Bij besluit van 7 februari 2006 heeft het college aan de vennootschap een vergunning verleend voor het winnen van achtereenvolgens ophoogzand en beton- en metselzand op de locatie Traandijk nabij Echten. Deze locatie ligt op ongeveer 3 kilometer van de plas Nijstad.

2.9. De vennootschap stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met het provinciaal ruimtelijk beleid, met de Ontgrondingenwet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, omdat geen integrale belangenafweging heeft plaatsgevonden. De vennootschap voert daartoe aan dat zij ten gevolge van de onderhavige vergunningverlening adequate afzetmogelijkheden op de markt voor ophoogzand in Hoogeveen en directe omgeving zal verliezen en dat daardoor haar bedrijfsvoering in gevaar komt. Dit zal ertoe kunnen leiden dat de provinciale doelstelling om vanaf 1 januari 2013 te komen tot de winning van beton- en metselzand op de locatie Echten niet haalbaar zal zijn, aldus de vennootschap.

2.9.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet, voor zover hier van belang, is het verboden zonder vergunning te ontgronden. Ingevolge artikel 3, tweede lid, kunnen aan een vergunning voorschriften worden verbonden ter bescherming van alle bij een ontgronding betrokken belangen alsmede ter bevordering en bescherming van belangen, betrokken bij de herinrichting van de ontgronde onroerende zaken en de aanpassing van de omgeving van de ontgronde onroerende zaken.

Een vergunning wordt op grond van artikel 10, vijfde lid, van de Ontgrondingenwet verleend na afweging van de in artikel 3, tweede lid, bedoelde belangen.

2.9.2. Het college heeft zich in het bestreden besluit, zoals ter zitting nader toegelicht, op het standpunt gesteld dat de aanvraag in overeenstemming is met het bestemmingsplan "Buitengebied Noord" van de gemeente Hoogeveen en met het provinciaal ontgrondingenbeleid.

Daartoe is uiteengezet dat in het POP II is gekozen voor een concentratie van centrale zandwinlocaties om te voorkomen dat (te) grote en versnipperde delen van de provincie Drenthe worden afgegraven. Op de bij het POP II behorende functiekaart 2 is de plas Nijstad aangewezen als centrale zandwinplaats voor ophoogzand. Tevens was als centrale zandwinplaats voor ophoogzand de locatie Linderveld van de vennootschap aangewezen. Omdat deze locatie bij de betrokken gemeente op planologische bezwaren stuitte en de gemeente niet wilde meewerken aan het vastleggen van deze locatie in een bestemmingsplan is in gezamenlijkheid van zandwinners, gemeente en provincie gezocht naar een vervangende locatie. Deze vervangende locatie voor ophoogzand is gevonden in combinatie met een nieuwe beton- en metselzandwinningslocatie aan de Traandijk nabij Echten. Nu beide locaties waren voorzien in het provinciale ruimtelijke ontgrondingenbeleid als locaties voor ophoogzand was er voor het college geen ruimte om de gevraagde vergunning te weigeren. Daarbij is betrokken dat er ook anderszins geen zwaarwegende redenen zijn op grond waarvan de gevraagde vergunning zou moeten worden geweigerd. Ter zitting is nog nader toegelicht dat aan andere initiatieven, die er binnen de provincie zijn en die niet binnen het beleid passen, niet wordt meegewerkt.

2.9.3. Door [vergunninghoudster] is naar voren gebracht dat er sinds de zestiger jaren van de vorige eeuw in de plas Nijstad zandwinning plaatsvindt, dat het hier om een laatste uitbreiding gaat en dat de vergunningverlening voldoet aan het provinciale beleid, nu voor het te winnen zand een minimale oppervlakte in water verandert en de in het provinciaal beleid voor zandwinning aangewezen ruimte optimaal daarvoor kan worden benut.

2.9.4. Door de vennootschap is niet bestreden dat de plas Nijstad op de bij het POP II behorende kaarten is aangegeven als "centrale zandwinplaats voor ophoogzand", en dat de voorziene ontgronding in overeenstemming is met het concentratiebeleid zoals neergelegd in het POP II.

Voorts staat vast dat de locatie Linderveld, ter vervanging waarvan de locatie aan de Traandijk nabij Echten van de vennootschap dient, in het POP II eveneens was aangewezen als centrale zandwinplaats voor - ook - ophoogzand. De vennootschap beoogt met de onderhavige procedure te bereiken dat zij gedurende de periode waarin zij op de locatie Echten ophoogzand wint geen belemmeringen ondervindt van de exploitatie van de onderhavige vergunning op de regionale afzetmarkt voor ophoogzand. Zij heeft geen bezwaren tegen vergunningverlening aan [vergunninghoudster] op termijn, wanneer zij haar winningsmogelijkheden voor ophoogzand heeft benut en de winning van beton- en metselzand kan aanvangen. Het college heeft dit belang onder ogen gezien, maar hieraan geen doorslaggevende betekenis toegekend. Daarbij heeft het college het van belang geacht dat het mogelijk is om het ophoogzand na winning, zo nodig, binnen de regio in depot te zetten en behoeft daarom de winning van beton- en metselzand op termijn niet in gevaar te komen. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is niet aannemelijk gemaakt dat het in depot zetten van ophoogzand binnen de regio niet tot de mogelijkheden behoort. Ook anderszins bestaat er geen aanleiding om te oordelen dat het college de bij de ontgronding betrokken belangen niet in voldoende mate bij de besluitvorming heeft meegewogen. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het college niet heeft kunnen besluiten om aan de bedrijfsbelangen van de vennootschap geen doorslaggevende betekenis toe te kennen ten opzichte van de belangen die gediend zijn bij het realiseren van de ontgronding, waaronder het bedrijfsbelang van [vergunninghoudster].

Het betoog faalt.

Conclusie

2.10. Hetgeen [appellant sub 1] en anderen en de vennootschap hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college na afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid de gevraagde vergunning heeft kunnen verlenen. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Tuit

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2009

458.