Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1962

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
200906744/2/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd voor een eendenhouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 24 juli 2009 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200906744/2/M2.

Datum uitspraak: 30 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoekers], wonend te [woonplaats], om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd voor een eendenhouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 24 juli 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2009, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief hebben zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 oktober 2009, waar [verzoekers], vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door ing. S. Veldhuis en ing. C. Struikenkamp, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De vergunning is verleend voor, kort weergegeven, het houden van 26.500 vleeseenden en geweigerd voor het houden van 11.029 vleeseenden. Voor de inrichting zijn eerder, bij besluiten van 13 september 1977 en 25 augustus 1981, vergunningen verleend voor - voor zover hier van belang - het houden van 26.500 eenden.

2.3. [verzoekers] betogen in essentie dat de eerder verleende vergunningen voor een groter deel dan waarvan het college is uitgegaan zijn vervallen, zodat het houden van een groter aantal eenden had moeten worden geweigerd. In dit verband betogen zij dat een in 1981 vergunde stal voor het houden van 5000 eenden niet is opgericht, als gevolg waarvan die vergunning wat die stal betreft op grond van artikel 27 van de Hinderwet zou zijn vervallen.

2.4. Gezien de stukken en het verhandelde ter zitting valt niet zonder meer uit te sluiten dat de in 1981 verleende vergunning voor een groter deel is vervallen dan waarvan het college is uitgegaan. De voorzitter acht het aangewezen dat deze vraag bij de behandeling van het geding in de bodemprocedure wordt beantwoord. Thans staat ter beoordeling of in afwachting van die behandeling onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, vergt dat een voorlopige voorziening wordt getroffen.

Het is aannemelijk dat in de inrichting al lange tijd het thans vergunde aantal eenden wordt gehouden. De vergunning voorziet niet in een uitbreiding van de inrichting door de bouw van nieuwe stallen. Met het in werking treden van de vergunning zal dan ook het aantal eenden noch het aantal gebouwen feitelijk worden uitgebreid. Met deze inwerkingtreding gaat voor de inrichting een nieuw, samenhangend, voorschriftenpakket gelden. Dit voorschriftenpakket biedt naar het de voorzitter voorkomt voor [verzoekers] een beter beschermingsniveau dan het summiere voorschriftenpakket van de in 1977 en 1981 verleende vergunningen. De huidige vergunning voorziet bijvoorbeeld, anders dan de eerdere vergunningen, in geluidgrenswaarden en bepalingen ter voorkoming van stofoverlast tijdens het opbrengen van stro.

Onder deze omstandigheden bestaat er naar het oordeel van de voorzitter geen onverwijlde spoed die vergt dat, in afwachting van de behandeling van het geding in de bodemprocedure, een voorlopige voorziening wordt getroffen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2009

262.