Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1961

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
200906617/2/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helden aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een veehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 5 augustus 2009 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200906617/2/M2.

Datum uitspraak: 30 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Helden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helden aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een veehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 5 augustus 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2009, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 oktober 2009, waar [verzoekers], vertegenwoordigd door K.E.P. van Bommel, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.F.E. Kees en ing. C.A.J. Janssen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De vergunning heeft, kort weergegeven, betrekking op het uitbreiden van de inrichting met een mesthygiënisatieinstallatie bestaande uit een pasteuriseurtank van 3.000 liter. In deze installatie wordt mest verhit en vervolgens in bestaande - maar op dit moment niet gebruikte - mestkelders van de inrichting gepompt. Na het afkoelen van de mest wordt deze uit de mestkelders verpompt naar een mestbassin.

2.3. [verzoekers] voeren onder meer aan dat de vergunning vanwege de extra geuremissie niet had mogen worden verleend.

2.4. Het college staat op het standpunt dat het hier gaat om een gesloten systeem, en dat als gevolg van de vergunde verandering geen geuremissie is te verwachten.

2.5. Ter zitting is gebleken dat de mestkelders waarin de warme mest wordt gepompt niet gesloten zijn. Zij emitteren geur via de emissieopeningen van het boven de kelders staande stalgebouw. In zoverre kan er, anders dan het college stelt, niet worden gesproken van een gesloten systeem waarvan geen geurhinder is te duchten. Het betoog van het college dat er wat geuremissie betreft geen verschil is tussen de situatie dat de mestkelders, zoals is toegestaan op grond van de eerder verleende vergunningen, gebruikt zouden worden voor het opslaan van mest van de in de inrichting gehouden varkens of, zoals thans vergund, voor het opslaan van de in de mesthygiënisatieinstallatie bewerkte mest, acht de voorzitter binnen het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure onvoldoende bevestigd. De Afdeling zal daarover ten gronde moeten oordelen. Ter zitting is gebleken dat wordt beoogd om in een continue proces grote hoeveelheden mest, telkens in charges van 3.000 liter, te verwarmen en daarna in de mestkelders te pompen om het daar te laten afkoelen. De voorzitter acht onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zo'n proces door de hoge temperatuur van de mest die in de mestkelders wordt gepompt, een grotere geuremissie tot gevolg heeft dan wanneer de mestkelders op de gebruikelijke wijze zouden worden gebruikt voor het opslaan van varkensmest uit de stallen van de inrichting.

2.6. Gezien het voorgaande acht de voorzitter onvoldoende aannemelijk dat het college er bij de beoordeling van de aanvraag van kon uitgegaan dat de uitbreiding van de inrichting geen gevolgen heeft voor de geuremissie. Hij ziet daarin aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Helden van 20 juli 2009, kenmerk no. 30-12;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Helden tot vergoeding van bij [verzoekers] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 42,80 (zegge: tweeënveertig euro en tachtig cent);

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Helden aan [verzoekers] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2009

262.