Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1958

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
200902653/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2007 heeft de raad van de gemeente 's-Hertogenbosch (hierna: de gemeenteraad) de door [appellant A] en [appellant B] (hierna: [appellanten]) tegen het besluit van 21 september 2004 tot afwijzing van hun verzoeken om vergoeding van planschade gemaakte bezwaren opnieuw afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/372

Uitspraak

200902653/1/H2.

Datum uitspraak: 4 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te [woonplaats] en [appellant B], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 maart 2009 in zaak nr. 07/3810 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

de raad van de gemeente 's-Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2007 heeft de raad van de gemeente 's-Hertogenbosch (hierna: de gemeenteraad) de door [appellant A] en [appellant B] (hierna: [appellanten]) tegen het besluit van 21 september 2004 tot afwijzing van hun verzoeken om vergoeding van planschade gemaakte bezwaren opnieuw afgewezen.

Bij uitspraak van 5 maart 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 mei 2009.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 september 2009, waar [appellanten], in persoon en bijgestaan door mr. R.E. Izeboud, advocaat te Breda, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. I. de Leeuw, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan of een vrijstelling, als bedoeld in artikel 19 van de WRO, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften bij het bestemmingsplan "Antoniegaarde" zijn de op de plankaart als "Wonen (W)" aangewezen gronden bestemd voor wonen, waaronder begrepen aan huis gebonden beroepen, erven en tuinen.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, d, e en g, mogen op en in de gronden als bedoeld in lid 1 uitsluitend worden gebouwd hoofdgebouwen, bijgebouwen, praktijkruimten en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met inachtneming van de volgende bepalingen:

a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen bouwvlakken worden gebouwd;

(…);

d. het bebouwingspercentage mag binnen bouwvlakken ten hoogste zoveel bedragen als op de plankaart is aangegeven en buiten bouwvlakken ten hoogste 30%;

e. bijgebouwen en praktijkruimten mogen binnen en buiten bouwvlakken worden gebouwd;

(…);

g. op de bij eenzelfde woning behorende gronden mag de gezamenlijke oppervlakte

1. van bijgebouwen niet meer dan 50 m2 bedragen, en

2. van praktijkruimten binnen en buiten het hoofdgebouw, niet meer dan 60 m2 bedragen, onverminderd het bepaalde onder d.

Ingevolge artikel 7, aanhef en onder b, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het plan indien en voor zover afwijkingen ten aanzien van grens of richting van wegen en paden en ligging van bestemmings-, bouw- en aanduidingsgrenzen noodzakelijk zijn ter aanpassing van het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein, mits die afwijkingen ten opzichte van hetgeen op de plankaart is aangegeven niet meer dan 5 meter bedragen.

2.3. [appellanten] waren ten tijde van het indienen van de verzoeken om planschade eigenaar van de onroerende zaak aan respectievelijk [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats]. Zij hebben, voor zover thans nog van belang, verzocht om vergoeding van planschade als gevolg van het door de gemeenteraad op 12 maart 2002 vastgestelde bestemmingsplan "Antoniegaarde", dat door gedeputeerde staten van Noord-Brabant is goedgekeurd op 11 juni 2002.

Bij besluit van 21 september 2004 heeft de gemeenteraad zich, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan "Antoniegaarde" ten opzichte van het bestemmingsplan "Binnenstad-Oost" en de bij besluit van 21 december 2000 door het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch verleende vrijstelling voor de herbouw van de Antoniegaarde voor [appellanten] niet tot een planologische verslechtering leidt en de verzoeken afgewezen.

Bij besluit van 5 juli 2005 heeft de gemeenteraad de daartegen door [appellanten] gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 augustus 2006 heeft de rechtbank de daartegen door [appellanten] ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 maart 2007 (zaak nr. 200606983/1) heeft de Afdeling het daartegen door [appellanten] ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 4 augustus 2006 vernietigd, de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond verklaard, en het besluit van 5 juli 2005 vernietigd.

2.4. De Afdeling heeft in voormelde uitspraak, voor zover thans van belang, overwogen dat de rechtbank en de gemeenteraad ten onrechte niet hebben onderkend dat het bestemmingsplan "Antoniegaarde" voor [appellanten] een planologische verslechtering inhoudt, voor zover ingevolge artikel 7, aanhef en onder b, van dat plan de bestemmings- en bouwgrens van de bestemming "Wonen (W)" 5 meter richting de perceelsgrenzen van [appellanten] mag komen te liggen. Gelet op de afstand tussen de perceelsgrenzen van [appellanten] en de op de plankaart aangegeven bestemming "Wonen (W)" kan alsdan, anders dan onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Binnenstad-Oost" een hoofdgebouw tegen de perceelsgrens van het perceel [locatie 2] en voor een deel tegen de perceelsgrens van het perceel [locatie 1] worden gebouwd.

2.5. In het besluit van 2 oktober 2007, waarbij opnieuw op de door [appellanten] tegen de afwijzing van hun planschadeverzoeken gemaakte bezwaren is beslist, heeft de gemeenteraad zich, onder overneming van de adviezen van de commissie van advies voor de bezwaarschriften van 18 juli 2007 en het nader advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken van 19 juni 2007, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid in het voorliggende geval met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, zodat deze bevoegdheid niet bij de planvergelijking dient te worden betrokken.

2.6. In hoger beroep is uitsluitend nog in geschil of de toepassing van de in artikel 7, aanhef en onder b, van de planvoorschriften bij het bestemmingsplan "Antoniegaarde" neergelegde vrijstellingsbevoegdheid met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten en daarmee derhalve bij de planvergelijking geen rekening hoefde te worden gehouden. [appellanten] betogen dat de rechtbank, door te overwegen dat het niet in de rede ligt dat een vrijstelling als bedoeld in artikel 7, aanhef en onder b, van de planvoorschriften bij het bestemmingsplan "Antoniegaarde" er ooit nog toe zal kunnen leiden dat de bestemmingsgrens van het bestemmingsvlak "Wonen (W)" dusdanig in de richting van hun percelen opschuift, dat de afstand tussen die percelen en de bestemmingsgrens aanmerkelijk minder dan 5 meter bedraagt, heeft miskend dat bij een vergelijking van de planologische regimes niet de feitelijke situatie van belang is, maar hetgeen op grond van de planologische regimes maximaal kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.6.1. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon, onderscheidenlijk kan worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van voormeld uitgangspunt moet worden afgeweken.

2.6.2. De uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2007 verzet zich er, anders dan [appellanten] betogen, niet tegen dat de gemeenteraad bij het opnieuw op de door hen gemaakte bezwaren beslissen alsnog een beroep doet op vorenbedoelde uitzondering op de regel dat bij de planologische vergelijking moet worden gekeken naar hetgeen op grond van het nieuwe planologische regime maximaal kan worden gerealiseerd. De Afdeling heeft over de vraag of een beroep op die uitzondering mogelijk is toen geen inhoudelijk oordeel gegeven, nu de gemeenteraad in het toen ter toetsing voorliggende besluit op een andere, door de Afdeling niet valide geachte grondslag tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding was gekomen.

2.6.3. Naar door de rechtbank met juistheid is overwogen blijkt uit de foto's, behorend bij de door [appellanten] overgelegde taxatierapporten van Lelieveld Makelaardij van 26 januari en 28 april 2003 dat eind 2002 de nieuwbouw van het complex Antoniegaarde al in enige mate gevorderd was. Ter zitting heeft de gemeenteraad dit bevestigd en medegedeeld dat reeds begin 2002, derhalve vóór de inwerkingtreding van het nieuwe planologische regime, is begonnen met de nieuwbouw. Dit betekent dat de nieuwbouw kan worden betrokken bij de beoordeling of met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten dat hetgeen op grond van het nieuwe planologische regime maximaal mogelijk is, nog zal worden gerealiseerd.

2.6.4. Uit de bij het bestemmingsplan "Antoniegaarde" behorende plankaart blijkt dat de grenzen van de bebouwingsvlakken volledig overeenkomen met de grenzen van de bestemming "Wonen (W)" en dat de gronden met die bestemming met de realisering van het complex "Antoniegaarde" volledig worden benut. Gelet op artikel 3, eerste en derde lid, van de planvoorschriften bij het bestemmingsplan "Antoniegaarde", dat toestaat dat uitsluitend op gronden bestemd voor "Wonen (W)" wordt gebouwd, is aldus uitgesloten dat op het terrein dat wordt bestreken door het bestemmingsplan "Antoniegaarde" nog hoofd- of bijgebouwen zullen worden bijgebouwd. Aangezien, naar evenzeer uit voormelde taxatierapporten blijkt, de nieuwbouw op een afstand van ongeveer vijf meter van de percelen van [appellanten] wordt gerealiseerd, betekent dit ook dat uitgesloten moet worden geacht dat binnen de planperiode de bestemmingsgrens van het bestemmingsvlak "Wonen (W)" richting hun percelen zal opschuiven en dat zal worden gebouwd op de vijf meter brede strook grond tussen de percelen van [appellanten] en de nieuwbouw van het complex Antoniegaarde. Onder deze omstandigheden is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen gebruik zal worden gemaakt van de in artikel 7, aanhef en onder b, van de planvoorschriften bij het bestemmingsplan "Antoniegaarde" neergelegde vrijstellingsbevoegdheid, zodat deze bevoegdheid niet bij de planvergelijking hoeft te worden betrokken. Het betoog faalt.

2.7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeft hetgeen [appellanten] verder hebben aangevoerd geen bespreking meer.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2009

18-502.