Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1942

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
200901313/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2009:BH0365
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 9 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drechterland (hierna: het college) aan de eigenaren van achttien percelen, gelegen aan de Vangershof en Streekweg te Hoogkarspel, planschade toegekend.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/370
JOM 2010/611
AB 2010, 52

Uitspraak

200901313/1/H2.

Datum uitspraak: 4 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 12 januari 2009 in zaken nrs. 08/889, 905, 906, 907, 909, 911, 913, 915, 916, 918, 920, 921, 922, 923, 924, 925, 926 en 927 in het geding tussen:

appellante

en

de raad van de gemeente Drechterland.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 9 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drechterland (hierna: het college) aan de eigenaren van achttien percelen, gelegen aan de Vangershof en Streekweg te Hoogkarspel, planschade toegekend.

Bij onderscheiden besluiten van 28 januari 2008 heeft de raad van de gemeente Drechterland (hierna: de gemeenteraad) de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 12 januari 2009, verzonden op 13 januari 2009, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) de door [appellante] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 februari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 3 april 2009.

De gemeenteraad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 september 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J. van de Riet, advocaat te Utrecht, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door J. van den Bos, ambtenaar in dienst van de gemeente Drechterland, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die bepaling luidde tot 1 september 2005 en voor zover thans van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

Ingevolge artikel I, onderdeel A, van de Wet van 8 juni 2005 tot wijziging van de WRO (verjaring van en heffing bij planschadevergoedingsaanspraken alsmede planschadevergoedingsovereenkomsten) (hierna: de wijzigingswet WRO), voor zover thans van belang, wordt artikel 49 van de WRO aldus gewijzigd dat in de eerste volzin de woorden "kent de gemeenteraad hem op zijn verzoek" worden vervangen door: kennen burgemeester en wethouders hem op aanvraag.

Ingevolge dat artikel, onderdeel B, wordt na artikel 49 een nieuw artikel 49a ingevoegd, luidende:

1. Voor zover schade die op grond van artikel 49 voor vergoeding in aanmerking zou komen, haar grondslag vindt in een besluit op een verzoek om ten behoeve van de verwezenlijking van een project bepalingen in een bestemmingsplan op te nemen of te wijzigen dan wel om vrijstelling te verlenen, anders dan bedoeld in artikel 31a of 31b, kunnen burgemeester en wethouders met de verzoeker overeenkomen dat die schade geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening komt.

2. De verzoeker die een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid heeft gesloten, is belanghebbende bij een besluit van burgemeester en wethouders op een aanvraag om schadevergoeding op grond van artikel 49 terzake van de wijziging van het bestemmingsplan dan wel de verlening van de vrijstelling waarom hij heeft verzocht.

Ingevolge artikel II, eerste lid, blijft artikel 49 van de WRO, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing op aanvragen om vergoeding van schade die voor dat tijdstip zijn ingediend.

Ingevolge artikel III treedt deze wet in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst (derhalve op 1 september 2005), met uitzondering van artikel I, onderdeel B, dat onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet in werking treedt met ingang van de dag na de hiervoor aangehaalde datum (derhalve op 22 juni 2005).

2.2. [appellante] is als projectontwikkelaar met de gemeente Drechterland overeengekomen dat zij gezamenlijk woningbouw zullen realiseren op de locatie Reigersborg te Hoogkarspel, waarbij het risico van de grondexploitatie gezamenlijk door partijen wordt gedragen. Partijen zijn overeengekomen dat de door de gemeente te maken kosten in verband met de toekenning dan wel verschuldigdheid van eventuele door de gemeente te ontvangen planschadeclaims als bedoeld in artikel 49 van de WRO, ten laste zullen worden gebracht van de gezamenlijke grondexploitatie en daarmee onderdeel zullen uitmaken van de exploitatieopzet. Daartoe heeft de burgemeester van de gemeente Drechterland, handelend namens de gemeente en uitvoering gevend aan een besluit van het college van 21 november 2006, op 22 december 2006 met [appellante] een overeenkomst tot verhaal van planschadekosten gesloten.

2.3. De planschadeverzoeken die hebben geleid tot de besluiten van 9 januari 2007 zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van het gewijzigde artikel 49 van de WRO op 1 september 2005, zodat ingevolge het in artikel II, eerste lid, van de wijzigingswet WRO neergelegde overgangsrecht, de gemeenteraad bevoegd was op die verzoeken te beslissen. De gemeenteraad heeft bij besluit van 9 maart 2006 deze bevoegdheid aan het college gemandateerd, zodat, naar tussen partijen niet in geschil is, de besluiten van 9 januari 2007, hoewel door het college genomen, hebben te gelden als besluiten van de gemeenteraad.

2.4. Het geschil heeft uitsluitend betrekking op de vraag of [appellante] op grond van de op 22 december 2006 gesloten planschadeovereenkomst belanghebbende is bij de besluiten tot toekenning van planschade van 9 januari 2007. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu de besluiten niet afkomstig zijn van het college, zij op grond van artikel 49a, tweede lid, van de WRO geen belanghebbende is bij deze besluiten. Ter motivering voert [appellante] aan dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling blijkt dat de omstandigheid dat daarin burgemeester en wethouders zijn genoemd en niet de gemeenteraad, geen principiële, maar slechts praktische betekenis heeft en dat er geen principieel bezwaar bestaat tegen het aanmerken van een contractant op wie de planschade krachtens overeenkomst door het college wordt verhaald, als belanghebbende in een procedure aangaande een door de gemeenteraad te nemen planschadebeslissing.

2.4.1. Als gevolg van de verschillende tijdstippen waarop de onderdelen A en B van artikel I van de Wijzigingswet WRO in werking zijn getreden alsmede het in artikel II neergelegde overgangsrecht, heeft zich gedurende enige tijd de situatie kunnen voordoen dat een verzoeker om een planologische wijziging op grond van artikel 49a, eerste lid, van de WRO met het college een rechtsgeldige overeenkomst tot planschadeverhaal heeft gesloten, terwijl de gemeenteraad nog bevoegd is te beslissen op een aanvraag om planschadevergoeding ten gevolge van die wijziging. In dat geval is degene die de planschadeovereenkomst met het college heeft gesloten op basis van de tekst van artikel 49a, tweede lid, van de WRO geen belanghebbende bij het besluit op het verzoek om vergoeding van planschade, aangezien dat besluit niet door het college, maar door de gemeenteraad wordt genomen. Bij de behandeling van de wijzigingswet WRO in de Eerste Kamer is dit hiaat in de rechtsbescherming onderkend. Uit de nadere memorie van antwoord (Kamerstukken I 2004/05, 29 490, nr. E, blz. 6-9) blijkt dat het noemen van het college in het tweede lid geen principiële maar slechts praktische betekenis heeft. De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft geen principieel bezwaar gezien om in de situatie als hiervoor bedoeld de verzoeker om de planologische wijziging ook als belanghebbende aan te merken in een procedure aangaande een door de gemeenteraad te nemen beslissing op een planschadeverzoek. Hij heeft echter geen aanleiding gezien dit alsnog in het wetsvoorstel tot uitdrukking te brengen, omdat hij het niet waarschijnlijk heeft geacht dat deze situatie zich in de praktijk zou voordoen.

2.4.2. Nu zich de hiervoor bedoelde situatie voordoet, dient de rechter te oordelen of moet worden vastgehouden aan een beperkte uitleg van artikel 49a, tweede lid, van de WRO. De rechtbank heeft aan de tekst van deze bepaling doorslaggevende betekenis toegekend, omdat de wetgever er voor heeft gekozen het geconstateerde hiaat in de rechtsbescherming niet te dichten door het alsnog synchroniseren van de inwerkingtredingsbepaling en het overgangsrecht. De Afdeling overweegt dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 49a, tweede lid, van de WRO voortvloeit dat er geen bezwaar is om in een overgangssituatie als deze, ook al is deze bewust ongeregeld gelaten, de verzoeker om een planologische wijziging met wie een planschadeovereenkomst is gesloten, als belanghebbende aan te merken in een procedure aangaande een door de gemeenteraad te nemen beslissing. Het bij de wijzigingswet WRO ingevoegde artikel 49a, eerste lid, van de WRO beoogt de geldigheid van planschadeovereenkomsten wettelijk te regelen. Daarmee verbonden is de bepaling van het tweede lid die beoogt een verruiming te bieden voor de toegang tot de bestuursrechter door degene die een planschadeovereenkomst heeft gesloten met het college belanghebbend te doen zijn bij beslissingen omtrent planschade. Gelet op de bedoelingen van de wetgever dient het niet volledig op elkaar afgestemd zijn van de inwerkingtredingsbepaling en het overgangsrecht, in een geval als dit, niet aan degene die een geldige planschadeovereenkomst met het college heeft gesloten, te worden tegengeworpen. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat degene die na de inwerkingtreding van artikel 49a van de WRO een planschadeovereenkomst heeft gesloten met het college, anders dan de rechtbank heeft overwogen, belanghebbende is bij besluiten op planschadeverzoeken waarop ingevolge het in artikel II, eerste lid, van de wijzigingswet WRO neergelegde overgangsrecht door de gemeenteraad dient te worden beslist. Dat betekent dat in dit geval [appellante] moet worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 49a, tweede lid, van de WRO bij de besluiten van 9 januari 2007 en dat het betoog slaagt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het hiervoor overwogene, de beroepen tegen de besluiten van 28 januari 2008 van de gemeenteraad alsnog gegrond verklaren. Die besluiten komen eveneens voor vernietiging in aanmerking. De gemeenteraad dient opnieuw op de bezwaren van [appellante] te besluiten, waarbij alsnog inhoudelijk op die bezwaren dient te worden ingegaan.

2.6. De gemeenteraad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 12 januari 2009 in zaken nrs. 08/889, 905, 906, 907, 909, 911, 913, 915, 916, 918, 920, 921, 922, 923, 924, 925, 926 en 927;

III. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van de raad van de gemeente Drechterland van 28 januari 2008, kenmerken 2008-9a tot en met 2008-9r;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Drechterland tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.610,00 (zegge: zestienhonderdtien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Drechterland aan [appellante] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 735,00 (zegge: zevenhonderdvijfendertig euro) voor de behandeling van de beroepen en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2009

18-502.