Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1941

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
200901022/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almelo (hierna: het college), voor zover thans van belang, [appellant B] op straffe van een dwangsom gelast het in dat besluit nader omschreven gebruik van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) wegens strijd met het bestemmingsplan te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901022/1/H1.

Datum uitspraak: 4 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante A] en [appellant B], gevestigd, onderscheidenlijk wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo van 30 december 2008 in de zaken nrs. 08/1293 en 08/1165 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Almelo.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almelo (hierna: het college), voor zover thans van belang, [appellant B] op straffe van een dwangsom gelast het in dat besluit nader omschreven gebruik van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) wegens strijd met het bestemmingsplan te beëindigen.

Bij besluit, verzonden op 1 oktober 2008, heeft het college het door [appellante A] en [appellant B] (hierna: [appellant]) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 december 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 februari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 maart 2009.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door drs. L. de Haan en drs. ing. M. de Wever, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] heeft voor het eerst in hoger beroep aangevoerd dat de last onvoldoende duidelijk is en het college van handhaving had moeten afzien, omdat nooit klachten van omwonenden zijn ontvangen en concreet zicht op legalisatie bestaat. Nu gesteld noch gebleken is dat [appellant] dat niet eerder naar voren heeft kunnen brengen, dient het aldus aangevoerde ter bescherming van de goede procesorde bij de beoordeling van het hoger beroep buiten beschouwing te worden gelaten.

2.2. [appellant] betoogt tevergeefs dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college niet tot handhaving bevoegd is. Aan het besluit van 13 maart 2008 is, voor zover thans van belang, overtreding van bij het bestemmingsplan "Buitengebied 1984" (hierna: het bestemmingsplan) gestelde regels ten grondslag gelegd. Ingevolge artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet wordt de bevoegdheid tot de toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien die dient tot handhaving van de regels die het gemeentebestuur uitvoert. De bij het bestemmingsplan gestelde regels, waarvan de overtreding aan het besluit van 13 maart 2008 ten grondslag is gelegd, zijn zulke regels.

2.3. Voor zover [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter niet bevoegd was kennis te nemen van het tegen de op 1 oktober 2008 verzonden beslissing ingestelde beroep, omdat niet is vermeld, op welke dag deze is genomen, faalt ook dat betoog, nu deze omstandigheid niet met zich brengt dat de beslissing geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is, waartegen beroep kon worden ingesteld.

2.4. [appellant] betoogt verder dat de voorzieningenrechter de opslag van zwarte grond op het gedeelte van het perceel met de bestemming "Agrarisch gebied" ten onrechte in strijd met deze bestemming heeft geacht, omdat deze schoon is en de opslag hiervan op gronden met deze bestemming is toegestaan.

2.4.1. Het perceel is ingevolge het bestemmingsplan gedeeltelijk bestemd voor "Agrarisch gebied" en voor het overige voor "Bedrijven" met nadere aanduiding "Shovelbedrijf, zand- en grindhandel en containervervoersbedrijf".

Ingevolge artikel 7 van de planvoorschriften zijn gronden met de bestemming "Agrarisch gebied" bestemd voor:

- de uitoefening van de landbouw;

- de exploitatie en vestiging van volwaardige agrarische bedrijven, zulks met behoud van de mogelijkheden voor intensivering en schaalvergroting van agrarische bedrijven;

- behoud en/of herstel van de natuurwaarden, kultuurwaarden, alsmede de relaties tussen natuur- en kultuurwaarden, zulks met behoud van de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw;

- ekstensieve rekreatie.

Ingevolge artikel 7, lid B I, onder 1, aanhef, voor zover thans van belang, is het verboden de als zodanig bestemde gronden te gebruiken, te doen of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming.

2.4.2. Niet in geschil is dat de bedoelde grond afkomstig is van agrarische ondernemingen en op het perceel wordt opgeslagen in afwachting van verkoop aan agrariërs. De voorzieningenrechter heeft dat gebruik terecht strijdig met de agrarische bestemming, neergelegd in artikel 7, lid BI, onder 1, aanhef, van de planvoorschriften, geacht, omdat het niet is aan te merken als een of meer van de in artikel 7 van de planvoorschriften opgesomde toegestane activiteiten en die opsomming uitputtend is. Het betoog faalt.

2.5. [appellant] klaagt ten slotte evenzeer tevergeefs dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de opgelegde dwangsommen te hoog zijn. De voorzieningenrechter heeft terecht en op goede gronden de hoogte van die dwangsommen in redelijke verhouding met de door de overtreding geschonden belangen geacht. Daarbij is mede van belang dat van dwangsommen een zodanige prikkel moet uitgaan, dat de opgelegde last wordt nagekomen en verbeurte wordt voorkomen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2009

412-414-619.