Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1938

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
200900898/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 december 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) aan [appellante] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het in werking hebben van een scheepswerf gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 22 december 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/288
JOM 2011/289
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900898/1/M1.

Datum uitspraak: 4 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) aan [appellante] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het in werking hebben van een scheepswerf gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 22 december 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2009, beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door [milieuadviseur], en [directeur], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C.G. van Tilburg, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende best beschikbare technieken worden toegepast.

2.2. Het beroep van [appellante] richt zich tegen de aan de vergunning verbonden voorschriften I.2 en J.4.

2.3. In voorschrift I.2 is bepaald dat tijdens werkzaamheden aan constructies en/of schepen waarbij vuur gebruikt wordt of vonken kunnen vrijkomen, zich binnen de afstand van 5 m geen licht ontvlambare stoffen en materialen mogen bevinden en dat tevens binnen handbereik een koolzuur- of een poederblusser met een inhoud van ten minste 6 kg aanwezig moet zijn.

2.3.1. [appellante] betoogt dat de zinsnede 'tijdens werkzaamheden aan constructies en/of schepen waarbij vuur gebruikt wordt of vonken kunnen vrijkomen, mogen zich binnen de afstand van 5 m geen licht ontvlambare stoffen en materialen bevinden' in voorschrift I.2 onvoldoende duidelijk is. Daartoe verwijst [appellante] naar de reactie van het college op de door haar ter zake ingebrachte zienswijze, waarin het college aangeeft dat deze zinsnede betrekking heeft op het opslaan van licht ontvlambare stoffen. [appellante] voert voorts nog aan dat het afstandscriterium in de praktijk geen werkbare situatie is en dat dit criterium de veiligheid niet waarborgt. Volgens [appellante] zijn er andere maatregelen mogelijk die de veiligheid wel waarborgen. In dat verband wijst [appellante] op het door haar gebruikte afgesloten stalen hok waarin de werkvoorraad van conserverings- en oplosmiddelen wordt geplaatst en op fysieke scheidingen zoals scheepswanden.

2.3.2. Het college stelt dat activiteiten waarbij vuur gebruikt wordt of vonken kunnen vrijkomen, licht ontvlambare stoffen en materialen die nabij deze werkzaamheden worden opgeslagen kunnen doen ontbranden. Om dit te voorkomen is volgens het college aan de vergunning het gebruikelijke voorschrift verbonden dat tijdens dit soort werkzaamheden binnen 5 meter geen licht ontvlambare stoffen en materialen mogen worden opgeslagen. Voorts stelt het college dat de door [appellante] genoemde andere maatregelen niet in de vergunningaanvraag en ook niet in de door [appellante] naar voren gebrachte zienswijze zijn voorgesteld.

2.3.3. De Afdeling stelt op grond van het bestreden besluit en de daarbij behorende vergunningaanvraag alsmede het verhandelde ter zitting vast dat licht ontvlambare stoffen en materialen worden opgeslagen in een container op het buitenterrein van de inrichting. De container is op meer dan 5 meter afstand geplaatst van waar werkzaamheden aan constructies en/of schepen waarbij vuur gebruikt wordt of vonken vrij kunnen komen plaatsvinden.

Ter zitting is voorts gebleken dat het college met de hiervoor genoemde zinsnede in voorschrift I.2 het oog heeft op het opslaan van licht ontvlambare stoffen en materialen en niet op de aanwezigheid van een werkvoorraad op de wijze zoals die in de inrichting aanwezig is. Tevens is ter zitting gebleken dat het college doelt op een vrije afstand van 5 meter. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de hiervoor genoemde zinsnede in voorschrift I.2. onvoldoende duidelijk is en dat voorschrift I.2 in zoverre in strijd is met het algemeen rechtsbeginsel der rechtszekerheid.

Deze beroepsgrond slaagt.

2.3.4. Voorts betoogt [appellante] dat de zinsnede 'tevens moet binnen handbereik een koolzuur- of een poederblusser met een inhoud van ten minste 6 kg aanwezig zijn' in voorschrift I.2 niet uitvoerbaar en onnodig bezwarend is. Daartoe verwijst [appellante] onder meer naar werkzaamheden die op een ladder plaatsvinden. Volgens [appellante] verzet ook de Arbeidsomstandighedenwet zich tegen dit voorschrift en zijn er voldoende andere maatregelen genomen om een brand te voorkomen.

2.3.5. Het college stelt zich op het standpunt dat gelet op de aard van de activiteit, nabij deze werkzaamheden te allen tijde een brandblusser binnen handbereik aanwezig moet zijn. Ter zitting heeft het college te kennen gegeven dat met de hiervoor genoemde zinsnede in voorschrift I.2 wordt beoogd dat in het bijzonder tijdens werkzaamheden aan constructies en/of schepen waarbij vuur gebruikt wordt of vonken vrij kunnen komen, een brandblusser in de nabijheid is. Met de term 'binnen handbereik' is bedoeld dat de werknemer binnen een redelijke tijd een brandblusser kan pakken. De Afdeling overweegt dat dit evenwel niet duidelijk voortvloeit uit de hiervoor genoemde zinsnede in voorschrift I.2. Voorschrift I.2 is derhalve in zoverre in strijd met het algemeen rechtsbeginsel der rechtszekerheid.

Deze beroepsgrond slaagt.

2.4. Ingevolge voorschrift J.4 moet een oppervlaktebehandeling met behulp van grit en/of verf, waarbij vloeistoffen met een verfspuit worden opgebracht aan schepen, staalconstructies en dergelijke, in een (scheeps)hal geschieden. Indien dit niet mogelijk is, moet hiervan aantekening worden gemaakt in een logboek dat op een centrale plaats in de inrichting aanwezig is.

2.4.1. Ten aanzien van voorschrift J.4 stelt [appellante] dat dit voorschrift niet in het belang van de bescherming van het milieu is en dat dit voorschrift onnodig bezwarend is. Volgens [appellante] gaat dit voorschrift uit van de irreële situatie dat alle scheepsbouw en scheepsreparatie binnen in een hal zou moeten plaatsvinden. [appellante] stelt dat alleen conserveringswerkzaamheden aan nieuw te bouwen schepen, staalconstructies en dergelijke in de verrijdbare loods plaatsvinden. In alle andere gevallen, ongeveer 400 schepen per jaar, wordt er in de open lucht geconserveerd, aldus [appellante]. Volgens [appellante] zou de in voorschrift J.4 opgenomen registratieverplichting bovendien alleen zien op de nieuw aangevraagde activiteit gritstralen en niet ook op oppervlaktebehandelingen met behulp van verf.

2.4.2. Het college stelt zich op het standpunt dat het vanuit milieuoogpunt beter is dat schepen, staalconstructies en dergelijke worden geconserveerd in een speciaal daarvoor geschikte ruimte. Volgens het college is dit echter niet altijd mogelijk. Het college heeft in die gevallen, onder de voorwaarde dat een logboek wordt bijgehouden, het conserveren van schepen, staalconstructies en dergelijke in de open lucht toegestaan. Het college stelt door middel van het logboek te willen controleren of [appellante] de juiste afwegingen maakt.

2.4.3. De Afdeling stelt op grond van het verhandelde ter zitting vast dat [appellante] er op zichzelf geen bezwaar tegen heeft dat zij in een logboek moet bijhouden wanneer de nieuw aangevraagde activiteit gritstralen in de open lucht plaatsvindt. Uit het bestreden besluit en de daarbij behorende vergunningaanvraag volgt dat deze activiteit gemiddeld één dag per maand zal plaatsvinden.

Ter zitting is verder gebleken dat alleen conserveringswerkzaamheden aan nieuw te bouwen schepen, staalconstructies en dergelijke in de verrijdbare loods plaatsvinden. Nieuwbouw vindt evenwel slechts enkele keren per jaar plaats. In alle andere gevallen, ongeveer 400 schepen per jaar, wordt er in de open lucht geconserveerd en kunnen de oppervlaktebehandelingen met behulp van verf niet binnen plaatsvinden, hetgeen het college met dit voorschrift wenst te bevorderen. Dit betekent dat de relevantie van het voorschrift wat deze oppervlaktebehandelingen betreft zeer beperkt is en dat de voorgeschreven registratieverplichting voor dit soort gevallen onnodig bezwarend is.

Gelet op het vorenstaande, heeft het college naar het oordeel van de Afdeling niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de in voorschrift J.4 opgenomen registratieverplichting, wat de oppervlaktebehandelingen met behulp van verf betreft, nodig is in het belang van de bescherming van het milieu. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer.

Deze beroepsgrond slaagt.

2.5. Het beroep is gegrond. Het besluit van 8 december 2008 komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover het de voorschriften I.2 en J.4 betreft. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 8 december 2008, kenmerk PZH-2008-1049720, voor zover het de voorschriften I.2 en J.4 betreft;

III. draagt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland op om binnen 6 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2009

159-625.