Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1638

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-2009
Datum publicatie
30-10-2009
Zaaknummer
200907306/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / bevoegdheid tot uitzetting / vertrektermijn

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 december 2004 in zaak nr. 200409206/1; JV 2005/68) strekt inbewaringstelling ter fine van uitzetting.

Dat betekent dat de bevoegdheid van de staatssecretaris om de vreemdeling in bewaring te stellen afhankelijk is van diens bevoegdheid om de vreemdeling uit te zetten.

Nu in dit geval niet is gebleken dat de staatssecretaris met toepassing van artikel 62, vierde lid, van de Vw 2000 de termijn van vier weken heeft verkort, vloeit uit artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 62, eerste lid, en artikel 63, eerste lid, van de Vw 2000 voort dat de staatssecretaris eerst na ommekomst van deze termijn bevoegd was om de vreemdeling uit te zetten, zodat de vreemdeling niet op 25 augustus 2009 in bewaring mocht worden gesteld.

De grief slaagt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 45
Vreemdelingenwet 2000 62
Vreemdelingenwet 2000 63
Vreemdelingenwet 2000 82
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/473

Uitspraak

200907306/1/V3.

Datum uitspraak: 15 oktober 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 14 september 2009 in zaak nr. 09/30980 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2009 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 september 2009, verzonden op 15 september 2009, heeft de rechtbank 's Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 september 2009, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, heeft de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, wordt afgewezen van rechtswege tot gevolg dat de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet.

Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, kan, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, met het oog op uitzetting, de vreemdeling in bewaring worden gesteld die geen rechtmatig verblijf heeft.

Ingevolge artikel 61, eerste lid, dient de vreemdeling, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, Nederland uit eigen beweging te verlaten binnen de in artikel 62 bepaalde termijn.

Ingevolge artikel 62, eerste lid, dient de vreemdeling uit eigen beweging Nederland binnen vier weken te verlaten, nadat het rechtmatig verblijf van hem geëindigd is.

Ingevolge het vierde lid, kan onze Minister, in afwijking van het eerste lid, de vertrektermijn verkorten tot minder dan vier weken:

a. in het belang van de uitzetting, of

b. in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid.

Ingevolge artikel 63, eerste lid, kan de vreemdeling, die geen rechtmatig verblijf heeft en die niet binnen de gestelde vertrektermijn Nederland uit eigen beweging heeft verlaten, worden uitgezet.

Ingevolge artikel 82, eerste lid wordt de werking van het besluit omtrent een verblijfsvergunning opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Ingevolge het tweede lid is het eerste lid niet van toepassing indien het besluit inhoudt:

a. de afwijzing van de aanvraag binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal uren;

b. de afwijzing van de herhaalde aanvraag;

c. de afwijzing van de aanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, onder a, of

d. een besluit als bedoeld in de artikelen 43 en 45, vierde lid.

Ingevolge het derde lid, is het eerste lid niet van toepassing indien het beroepschrift niet tijdig is ingediend.

Ingevolge het vierde lid is het eerste lid voorts niet van toepassing indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is of wordt ontnomen op grond van artikel 6 of 59.

2.2. De vreemdeling heeft op 10 oktober 2007 een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen ingediend. Bij besluit van 22 augustus 2008 is deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 31 juli 2009, verzonden op 5 augustus 2009, heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, het daartegen door de vreemdeling op 4 september 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.3. In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank, zakelijk weergegeven, ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris hem in bewaring mocht stellen, omdat uit de vertrekgesprekken is gebleken dat hij weigerde mee te werken aan zijn terugkeer en niet viel te verwachten dat hij Nederland binnen de vertrektermijn zou verlaten en dat het feit dat deze termijn nog niet was verstreken daaraan niet afdoet.

Daartoe voert de vreemdeling aan, zakelijk weergegeven, dat de staatssecretaris de aan hem toekomende vertrektermijn van vier weken niet in acht heeft genomen en de rechtbank daaraan ten onrechte geen gevolgen heeft verbonden.

2.3.1. Bij het besluit van 22 augustus 2008 heeft de staatssecretaris vermeld dat, indien de vreemdeling beroep instelt tegen dit besluit, het aan dit besluit verbonden rechtsgevolg, inhoudende de verplichting om Nederland uit eigener beweging binnen vier weken te verlaten nadat het rechtmatig verblijf is geëindigd, ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Vw 2000 wordt opgeschort.

Niet is gebleken dat het tweede tot en met het vierde lid van artikel 82 in dit geval van toepassing zijn, zodat bedoelde opschorting heeft gegolden totdat op het door de vreemdeling ingestelde beroep was beslist.

Gelet hierop had de vreemdeling binnen vier weken na de verzending op 5 augustus 2009 van de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam Nederland uit eigen beweging dienen te verlaten, derhalve uiterlijk op 2 september 2009.

2.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 december 2004 in zaak nr. 200409206/1; JV 2005/68) strekt inbewaringstelling ter fine van uitzetting.

Dat betekent dat de bevoegdheid van de staatssecretaris om de vreemdeling in bewaring te stellen afhankelijk is van diens bevoegdheid om de vreemdeling uit te zetten.

Nu in dit geval niet is gebleken dat de staatssecretaris met toepassing van artikel 62, vierde lid, van de Vw 2000 de termijn van vier weken heeft verkort, vloeit uit artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 62, eerste lid, en artikel 63, eerste lid, van de Vw 2000 voort dat de staatssecretaris eerst na ommekomst van deze termijn bevoegd was om de vreemdeling uit te zetten, zodat de vreemdeling niet op 25 augustus 2009 in bewaring mocht worden gesteld.

De grief slaagt.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De overige grieven behoeven geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van de staatssecretaris van 25 augustus 2009 alsnog gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 25 augustus 2009 tot 1 oktober 2009, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

2.5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 september 2009 in zaak nr. 09/30980;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) om aan de vreemdeling te betalen een vergoeding van € 3.010,00 (zegge: drieduizendentien euro);

V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de staatssecretaris van Justitie aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van de Kolk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2009

347-614.

Verzonden: 15 oktober 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak