Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1622

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
30-10-2009
Zaaknummer
200900194/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / 8 EVRM / Boultif- en Üner-criteria / belangenafweging

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich beperkt tot de beantwoording van de vraag of de staatssecretaris in het besluit van 20 juni 2008 de in de uitspraak van 1 april 2008 geconstateerde motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken adequaat heeft hersteld. Door te overwegen dat de door de staatssecretaris in dat besluit naar voren gebrachte nieuwe argumenten onvoldoende zijn om dat besluit te kunnen dragen in het licht van de uitspraak van 1 april 2008, heeft de rechtbank evenwel niet onderkend dat de Boultif- en Üner-criteria in onderlinge samenhang dienen te worden gehanteerd en het EHRM niet vereist dat een besluit tot ongewenstverklaring zodanig is gemotiveerd dat van alle daarin meegewogen belangen afzonderlijk wordt aangegeven of deze het besluit wel of niet kunnen dragen. De rechtbank had dan ook dienen te toetsen of de door de staatssecretaris gemaakte belangenafweging als geheel in rechte houdbaar is, waarbij zij, gelet op haar uitspraak van 1 april 2008, bijzondere aandacht had moeten schenken aan de vraag of het tijdsverloop sinds het misdrijf, het gedrag van de vreemdeling gedurende die tijd en het belang en welzijn van het minderjarig kind van de vreemdeling daarin op juiste wijze waren betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200900194/1/V3.

Datum uitspraak: 20 oktober 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 11 december 2008 in zaak nr. 08/22830 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) ongewenst verklaard.

Bij besluit van 27 november 2007 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 april 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 20 juni 2008 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 december 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 januari 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door hem in het besluit van 20 juni 2008 naar voren gebrachte nieuwe argumenten onvoldoende zijn om dat besluit te kunnen dragen in het licht van de uitspraak van de rechtbank van 1 april 2008 in zaak nr. 07/44899. Voorts klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat de vreemdeling na de geboorte van zijn dochter opnieuw een opiumdelict heeft gepleegd, van onvoldoende gewicht is om te oordelen dat de staatssecretaris hiermee het in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 2 augustus 2001 in de zaak Boultif tegen Zwitserland (no. 54273/00; JV 2001/254) genoemde criterium – het tijdsverloop sinds het misdrijf en de gedragingen van betrokkene gedurende die tijd – voldoende en adequaat heeft meegewogen in het bestreden besluit, omdat de periode tussen de geboorte van de dochter van de vreemdeling en het delict relatief kort is en hij sinds dit laatste delict geen opiumdelicten meer heeft gepleegd. Ten slotte klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij de enkele stelling dat de vreemdeling geen band heeft met Nederland en niet op positieve wijze een bijdrage heeft geleverd aan Nederland eveneens van onvoldoende gewicht acht om de door haar gesignaleerde motiveringsgebreken voldoende adequaat hersteld te achten.

Daartoe betoogt de staatssecretaris onder meer, samengevat weergegeven, dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat het tijdsverloop sinds het misdrijf en het gedrag van de vreemdeling gedurende die tijd slechts een van de mee te wegen belangen is. Aan de omstandigheid dat de vreemdeling sinds 2 oktober 2000 geen drugsdelicten meer heeft gepleegd, heeft de staatssecretaris daarom geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen. In het besluit van 20 juni 2008 is uitvoerig gemotiveerd waarom de persoonlijke belangen van de vreemdeling niet opwegen tegen het algemeen belang dat uit het oogpunt van de openbare orde met de ongewenstverklaring van de vreemdeling is gediend, aldus de staatssecretaris.

2.1.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2.1.2. Zoals het EHRM heeft overwogen in onder meer het voormelde arrest van 2 augustus 2001, dient bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van het EVRM in een bepaald geval een inmenging in het familie- of gezinsleven van de vreemdeling rechtvaardigt, een "fair balance" te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het algemeen belang van de betrokken lidstaat. Daartoe heeft het EHRM in dat arrest een aantal zogenoemde "guiding principles" gedefinieerd (hierna: de Boultif-criteria). In aanvulling daarop heeft het EHRM in zijn arrest van 18 oktober 2006 in de zaak Üner tegen Nederland (nr. 46410/99; JV 2006/417) nog twee criteria genoemd (hierna: de Üner-criteria).

2.1.3. In de voormelde uitspraak van 1 april 2008 heeft de rechtbank bij de toetsing van het besluit van 27 november 2007 de Boultif- en Üner criteria gehanteerd. Zij heeft, voor zover thans van belang en samengevat weergegeven, geoordeeld dat uit dat besluit niet zonder nadere motivering is op te maken dat de staatssecretaris bij zijn belangenafweging het tijdsverloop sinds het misdrijf en het gedrag van de vreemdeling gedurende die tijd heeft betrokken. Tevens heeft de rechtbank de staatssecretaris tegengeworpen dat hij het belang en welzijn van het minderjarig kind van de vreemdeling onvoldoende bij zijn beoordeling had betrokken. De rechtbank is daarom tot het oordeel gekomen dat het besluit van 27 november 2007 op deze punten onzorgvuldig is voorbereid, althans onvoldoende is gemotiveerd. De staatssecretaris heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

2.1.4. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich beperkt tot de beantwoording van de vraag of de staatssecretaris in het besluit van 20 juni 2008 de in de uitspraak van 1 april 2008 geconstateerde motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken adequaat heeft hersteld. Door te overwegen dat de door de staatssecretaris in dat besluit naar voren gebrachte nieuwe argumenten onvoldoende zijn om dat besluit te kunnen dragen in het licht van de uitspraak van 1 april 2008, heeft de rechtbank evenwel niet onderkend dat de Boultif- en Üner-criteria in onderlinge samenhang dienen te worden gehanteerd en het EHRM niet vereist dat een besluit tot ongewenstverklaring zodanig is gemotiveerd dat van alle daarin meegewogen belangen afzonderlijk wordt aangegeven of deze het besluit wel of niet kunnen dragen. De rechtbank had dan ook dienen te toetsen of de door de staatssecretaris gemaakte belangenafweging als geheel in rechte houdbaar is, waarbij zij, gelet op haar uitspraak van 1 april 2008, bijzondere aandacht had moeten schenken aan de vraag of het tijdsverloop sinds het misdrijf, het gedrag van de vreemdeling gedurende die tijd en het belang en welzijn van het minderjarig kind van de vreemdeling daarin op juiste wijze waren betrokken.

2.1.5. In het besluit van 20 juni 2008 heeft de staatssecretaris het algemeen belang, dat is gediend met de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, afgewogen tegen het persoonlijk belang van de vreemdeling bij het uitoefenen van zijn familie- en gezinsleven hier te lande. De staatssecretaris heeft aan het belang van de openbare orde doorslaggevend gewicht toegekend, waarbij hij in aanmerking heeft genomen dat de vreemdeling meermalen is veroordeeld wegens het plegen van drugsdelicten tot in totaal zeven maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf en aldus een verregaande inbreuk op de openbare orde heeft gemaakt. Dat de laatste veroordeling dateert van 13 oktober 2000 biedt volgens de staatssecretaris geen garantie dat er geen sprake meer zal zijn van recidive, omdat reeds uit het feit dat de vreemdeling bij herhaling is veroordeeld wegens het plegen van drugsdelicten, kan worden afgeleid dat er geen indicatie is dat voor verdere recidive niet behoeft te worden gevreesd.

Verder heeft de staatssecretaris van belang geacht dat de vreemdeling slechts van 4 mei 1994 tot 4 mei 1995 rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad op basis van een verblijfsvergunning, zowel ten tijde van het plegen van de drugsdelicten als ten tijde van het besluit hem ongewenst te verklaren geen rechtmatig verblijf in Nederland had en geen gevolg heeft gegeven aan aanzeggingen het land te verlaten. Ook heeft de staatssecretaris bij zijn besluitvorming betrokken dat de vreemdeling van zijn achtste tot zijn zesentwintigste levensjaar in Suriname heeft gewoond en in staat moet worden geacht aldaar opnieuw een leven op te bouwen.

Voor wat betreft het familie- en gezinsleven van de vreemdeling met zijn minderjarig kind heeft de staatssecretaris van belang geacht dat de vreemdeling ten tijde van de geboorte van zijn kind niet rechtmatig in Nederland verbleef, hij zijn kind eenmaal per veertien dagen gedurende het weekeinde ziet en hij, naar gesteld, elke week telefonisch contact heeft met het kind. De staatssecretaris heeft verder bij de belangenafweging betrokken dat niet is gebleken van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen, dat het kind de vreemdeling tijdens vakanties in Suriname kan bezoeken en dat de vreemdeling per telefoon, computer of post contact met het kind kan onderhouden.

Hiermee heeft de staatssecretaris in het besluit van 20 juni 2008 voldoende gemotiveerd rekening gehouden met de Boultif- en Üner-criteria. Gelet op de "fair balance" die dient te worden gevonden tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij familie- of gezinsleven hier te lande en anderzijds het belang van de bescherming van de openbare orde, heeft de staatssecretaris zich voorts niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat inmenging in het recht op familie- en gezinsleven in dit geval gerechtvaardigd was. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris zijn besluit van 20 juni 2008 onzorgvuldig heeft voorbereid dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd.

De grief slaagt in zoverre.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen overigens in de grief is aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu uit de overwegingen 2.1.4. en 2.1.5 voortvloeit dat de voorgedragen beroepsgrond geen aanleiding geeft voor een ander oordeel, het besluit van 20 juni 2008 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 11 december 2008 in zaak nr. 08/22830;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Laar, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Laar

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2009

551.

Verzonden: 20 oktober 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak