Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1383

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
200902268/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 maart 2008 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister), voor zover thans van belang, het onder meer door [appellanten] (hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellant]) gemaakte bezwaar tegen de in zijn brief van 27 november 2007 gegeven reactie op het namens hen gedane verzoek om de onderhandelingen met de Surinaamse autoriteiten over een mogelijke beëindiging van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (hierna: de Toescheidingsovereenkomst) te staken, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij hetzelfde besluit heeft de minister het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen de in dezelfde brief gegeven reactie op het namens hen gedane verzoek om handhaving en toezicht op naleving van artikel 5, tweede lid, van de Toescheidingsovereenkomst door de Surinaamse autoriteiten, eveneens niet-ontvankelijk verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2009/269
BA 2009/284

Uitspraak

200902268/1/H3.

Datum uitspraak: 28 oktober 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 februari 2009 in zaak nr. 08/1475 in het geding tussen:

appellanten en anderen

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2008 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister), voor zover thans van belang, het onder meer door [appellanten] (hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellant]) gemaakte bezwaar tegen de in zijn brief van 27 november 2007 gegeven reactie op het namens hen gedane verzoek om de onderhandelingen met de Surinaamse autoriteiten over een mogelijke beëindiging van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (hierna: de Toescheidingsovereenkomst) te staken, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij hetzelfde besluit heeft de minister het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen de in dezelfde brief gegeven reactie op het namens hen gedane verzoek om handhaving en toezicht op naleving van artikel 5, tweede lid, van de Toescheidingsovereenkomst door de Surinaamse autoriteiten, eveneens niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 18 februari 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 4 mei 2009.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft bij brief van 29 september 2009 nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 oktober 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. M.A. Collet, advocaat te Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. S.G. Kemble, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De minister stelt zich in zijn besluit op bezwaar ten aanzien van beide verzoeken op het standpunt dat hij hierop geen voor bezwaar vatbaar besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft kunnen nemen. Een beslissing omtrent het eerste verzoek, inhoudende het al dan niet voortzetten van onderhandelingen, is volgens de minister niet gericht op rechtsgevolg. In de Toescheidingsovereenkomst is hem bovendien geen bevoegdheid toegekend om besluiten te kunnen nemen in het kader van handhaving en toezicht op naleving van artikel 5, tweede lid, van de Toescheidingsovereenkomst. Een basis voor een besluit in de zin van de Awb kan, zo stelt de minister verder, evenmin worden gevonden in artikel 12 van de Toescheidingsovereenkomst, aangezien dit artikel uitsluitend bepaalt dat vraagstukken met betrekking tot de toepassing van de Toescheidingsovereenkomst in onderling overleg tussen Nederland en Suriname dienen te worden opgelost, hetgeen feitelijk handelen betreft.

2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de bezwaren tegen de in zijn brief van 27 november 2007 gegeven reactie op de genoemde verzoeken terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. De rechtbank heeft volgens hen ten onrechte overwogen dat ook het door hen gedane verzoek om handhaving en toezicht op naleving van artikel 5, tweede lid, van de Toescheidingsovereenkomst niet ziet op rechtsgevolg. Door het sluiten van de Toescheidingsovereenkomst is de Nederlandse Staat verplichtingen aangegaan en heeft deze daarmee een verantwoordelijkheid op zich genomen. De Nederlandse Staat dient verantwoording te dragen voor de handhaving van de overeenkomst, omdat de Surinaamse autoriteiten deze niet nakomen, aldus [appellant]. Zij beroepen zich in dit verband op artikel 26 van het Verdrag van Wenen inzake verdragenrecht (hierna: het Verdrag van Wenen), waarin staat dat elk verdrag de partijen verbindt en dat de bepalingen te goeder trouw dienen te worden uitgelegd. Nu de Toescheidingsovereenkomst rechtstreekse werking heeft, kan volgens [appellant] wel degelijk om naleving ervan worden verzocht en betreft een beslissing op een dergelijk verzoek een besluit. Het feit dat de Nederlandse Staat weigert erop toe te zien dat de rechten die uit de Toescheidingsovereenkomst voortvloeien worden gehandhaafd, heeft voor hen rechtstreekse gevolgen. In het verlengde hiervan dient volgens [appellant] het verzoek om een besluit te nemen om de onderhandelingen met de Surinaamse autoriteiten over een mogelijke beëindiging van de Toescheidingsovereenkomst te staken, te worden gezien. Met dit verzoek is het rechtsgevolg gemoeid dat de rechten die voortvloeien uit de Toescheidingsovereenkomst inroepbaar blijven, aldus [appellant].

2.4. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2008 in zaak nrs. 200709081/1 en 200709084/1 met juistheid overwogen dat de minister op het verzoek van [appellant] om de onderhandelingen met de Surinaamse autoriteiten over een mogelijke beëindiging van de Toescheidingsovereenkomst te staken geen voor bezwaar vatbaar besluit heeft kunnen nemen. Uit genoemde uitspraak volgt dat een beslissing dergelijke onderhandelingen al dan niet voort te zetten niet op enig rechtsgevolg is gericht. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat dit thans anders zou zijn.

De rechtbank heeft eveneens met juistheid geoordeeld dat de minister op het verzoek van [appellant] om handhaving en toezicht op naleving van artikel 5, tweede lid, van de Toescheidingsovereenkomst door de Surinaamse autoriteiten geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb heeft kunnen nemen. Hierbij heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister zich daartoe met recht niet bevoegd heeft geacht. In de Toescheidingsovereenkomst noch elders, is een grondslag voor het nemen van een dergelijk besluit te vinden, zodat de rechtbank terecht heeft overwogen dat aan de minister hiervoor geen publiekrechtelijke bevoegdheid is toegekend. Volgens artikel 12 van de Toescheidingsovereenkomst kunnen de beide landen in het geval van gerezen vraagstukken met elkaar in overleg treden. Een beslissing van de minister daar al dan niet toe over te gaan, houdt geen publiekrechtelijke rechtshandeling in. De rechtbank heeft met de minister de reactie op het verzoek om handhaving en toezicht op naleving van artikel 5, tweede lid, van de Toescheidingsovereenkomst door de Surinaamse autoriteiten terecht niet aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het door [appellant] gedane beroep op artikel 26 van het Verdrag van Wenen leidt niet tot een ander oordeel, nu hierin evenmin een publiekrechtelijke grondslag kan worden gevonden.

2.5. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank op juiste gronden geoordeeld dat de minister de gemaakte bezwaren tegen de in zijn brief van 27 november 2007 gegeven reactie op de genoemde verzoeken terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009.

312-597.