Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1378

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
200900386/1/H1 en 200900450/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2006, voor zover thans van belang, heeft het college van burgemeester en wethouders van Velsen (hierna: het college) een verzoek van [wederpartij B] om handhavend tegen de in opdracht appellante (hierna: KPN) geplaatste antenne-installatie op het perceel Willem de Zwijgerlaan 72 (hierna: het perceel) op te treden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200900386/1/H1 en 200900450/1/H1.

Datum uitspraak: 28 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KPN B.V., gevestigd te Den Haag,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 december 2008 in zaak nr. 08/1306 in het geding tussen:

[wederpartijen A], beiden wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Velsen

en

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 december 2008 in zaak nr. 08/1308 in het geding tussen:

[wederpartij B], wonend te [woonplaats]

en

dat college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2006, voor zover thans van belang, heeft het college van burgemeester en wethouders van Velsen (hierna: het college) een verzoek van [wederpartij B] om handhavend tegen de in opdracht appellante (hierna: KPN) geplaatste antenne-installatie op het perceel Willem de Zwijgerlaan 72 (hierna: het perceel) op te treden afgewezen.

Bij besluit van 30 maart 2007 heeft het college dat met een zodanig verzoek van [wederpartijen A] gedaan.

Bij afzonderlijke besluiten van 18 december 2007 heeft het college de door [wederpartij B] en de door [wederpartijen A] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij afzonderlijke uitspraken van 4 december 2008, verzonden op 5 december 2008, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) de onderscheidenlijk door [wederpartij B] en [wederpartijen A] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en die besluiten vernietigd. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft KPN bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 januari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 februari 2009.

Zowel [wederpartij B] als [wederpartijen A] hebben een verweerschrift ingediend.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Op 7 juli 2009 heeft de rechtbank aan [wederpartij B] een rectificatie van de uitspraak in zaak nr. 08/1308 toegezonden.

[wederpartij B] heeft nadere stukken ingediend

Bij brief van 25 augustus 2009 hebben [wederpartijen A] door de rechtbank een rectificatie van de uitspraak in zaak nr. 08/1306 aan de Afdeling overgelegd.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd en ter zitting behandeld op 8 september 2009, waar KPN, vertegenwoordigd door mr. J.A.R. Vermont en mr. L.P.W. Mensink, beiden advocaat te Amsterdam, en [wederpartij B], [wederpartijen A] in persoon zijn verschenen. Voorts zijn het college, vertegenwoordigd door drs. W. Dooijes, ambtenaar in dienst van de gemeente, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vodafone Libertel B.V., vertegenwoordigd door mr. E.H.J. Eussen, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De antenne-installatie is opgericht op de klokkentoren van een voormalig kerkgebouw. Voorts is een kap van kunststof in metselwerkmotief in de klokkentoren geplaatst en is de installatie van een zogenoemde camouflagekoker voorzien.

2.2. KPN heeft de beroepsgronden, voor zover deze betrekking hebben op de camouflagekoker en de kunststof kap, ter zitting ingetrokken. Het geding is daardoor beperkt tot de weigering handhavend tegen de antenne-installatie op te treden.

2.3. KPN betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het college handhavend tegen de antenne-installatie kon optreden, heeft miskend dat voor het oprichten ervan geen bouwvergunning is vereist.

2.3.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c van de Woningwet moet onder gebouw worden verstaan: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e, sub 1o, van het Besluit bouwvergunningsvrije en lichtbouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: Bblb) is geen vergunning vereist het oprichten van een antenne-installatie ten behoeve van mobiele telecommunicatie, mits bij bouwen op of aan een bouwwerk de hoogte van de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, of indien bevestigd aan een gevel van een gebouw, gemeten vanaf het punt waarop de antenne, met antennedrager, het dakvlak kruist, minder is dan 5 m, en:

1) de antenne, met antennedrager, geplaatst is op een hoogte van meer dan 9 m, gemeten vanaf het bij het bouwwerk aansluitende terrein,

2) de techniekkast:

- inpandig of ondergronds is geplaatst, of

- op een plat dak is geplaatst, kleiner is dan 2 m3 en meer dan 1 m achter de dakrand is geplaatst,

3) de bedrading in of direct langs de antennedrager of inpandig is aangebracht, dan wel in een kabelgoot, mits deze kabelgoot meer dan 1 m achter de voorgevel is geplaatst, en

4) de antennedrager bij plaatsing op het dak van een gebouw:

- aan of bij een op het dak aanwezig object is geplaatst,

- in het midden van het dak is geplaatst, of

- elders op het dak is geplaatst, mits de afstand in m tot de voorgevel van het bouwwerk ten minste gelijk is aan: 18 gedeeld door de hoogte waarop de antenne, met antennedrager, is geplaatst, gemeten vanaf het bij het gebouw aansluitende terrein tot aan de voet van de antenne, met antennedrager.

Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke ordening, gelezen in verbinding met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985), kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen voor het oprichten van een antenne-installatie, als bedoeld in het Bblb, in de bebouwde kom, mits de hoogte van de antenne, of indien de antenne is geplaatst op een antennedrager als bedoeld in dat besluit, de hoogte van de antenne en de antennedrager tezamen, gemeten vanaf de voet van de antenne, respectievelijk de antennedrager, niet meer is dan 40 m.

2.3.2. Op het perceel, een geaccidenteerd terrein, bevindt zich een voormalig kerkgebouw met klokkentoren. Het voormalige kerkgebouw, dat thans een woonfunctie heeft, en de klokkentoren zijn aan de noordzijde door een muur met elkaar verbonden. Aan de oostzijde van het voormalige kerkgebouw sluit de klokkentoren aan op de entree. Deze entree bestaat uit een stenen trap die op een terras uitkomt. Onder het terras is een keermuur geplaatst die vanaf het terras naar beneden doorloopt tot het niveau van het maaiveld. De klokkentoren begint op maaiveldniveau en steekt op het hoogste punt circa 16.09 m boven het maaiveld uit.

2.3.3. KPN betoogt terecht dat de klokkentoren een afzonderlijk bouwwerk is. Deze is slechts door middel van de muur met het tot woningen verbouwde voormalige kerkgebouw verbonden. Zij heeft een afzonderlijke, daarvan te onderscheiden constructie. Verder is door het verlenen van bouwvergunning voor de verbouwing van het kerkgebouw tot woningen de oorspronkelijke functionele binding tussen dat gebouw en de klokkentoren verloren gegaan.

2.3.4. KPN betoogt evenzeer terecht dat de klokkentoren geen gebouw, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, is. Zij is uit bakstenen opgetrokken en is buitenwerks gemeten circa 3 meter lang en ruim 1 meter breed. In een van de zijden van de constructie is een luik geplaatst dat de toegang tot de binnenruimte afsluit. In die ruimte bevindt zich de elektromotor van de luidklok. Volgens de in zoverre onbestreden verklaring van H. van der Kop pleegde het luik te worden geopend voor het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan de elektromotor. Voor dit luik is bij de oprichting van de antenne-installatie een schakelkast geplaatst. Onder deze omstandigheden bestaat er geen grond om aan te nemen dat de binnenzijde van de klokkentoren voor mensen toegankelijk is.

2.3.5. Nu de klokkentoren een bouwwerk, geen gebouw zijnde, is, was voor het oprichten van de antenne-installatie geen bouwvergunning vereist, aangezien is voldaan aan de eisen van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e, sub 1o, onderdeel b, van het Bblb. Het is een antenne-installatie, als bedoeld in de aanhef van deze bepaling. De camouflagekokers en de kappen in het klokkengat maken geen deel uit van de installatie, doch zijn afzonderlijke bouwwerken. Voorts is de antenne-installatie op een hoogte van meer dan 9 meter boven het aansluitende terrein van de klokkentoren geplaatst, is de techniekkast in het voormalige kerkgebouw geplaatst en is de bedrading direct langs de klokkentoren geplaatst. Verder is de antennedrager niet op het dak van een gebouw geplaatst.

2.3.6. Uit het vorenstaande volgt dat het betoog slaagt.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden vernietigd, voor zover deze betrekking hebben op de weigering handhavend tegen de oprichting van de in opdracht van KPN geplaatste antenne-installatie op te treden. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling de door [wederpartij B] en door [wederpartijen A] bij haar ingestelde beroepen in zoverre ongegrond verklaren. Voor het overige dienen ze te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraken van de rechtbank Haarlem van 4 december 2008 in de zaken nrs. 08/1308 en 08/1306, voor zover de door [wederpartij B], [wederpartijen A] tegen de aan hen gerichte besluiten van 18 december 2007, voor zover betrekking hebbend op de in opdracht van KPN geplaatste antenne-installatie, ingestelde beroepen daarbij gegrond zijn verklaard en die besluiten in zoverre zijn vernietigd;

III. verklaart de bij de rechtbank in die zaken door [wederpartij B], [wederpartijen A] ingestelde beroepen in zoverre ongegrond;

IV. bevestigt die uitspraken voor het overige;

V. bepaalt dat de secretaris van de Raad van State aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KPN B.V. het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 866,00 (zegge: achthonderdzesenzestig euro) voor de behandeling van de hoger beroepen aan haar terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009

17.