Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1373

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
200901476/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oudewater (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het pluimveebedrijf gelegen op het perceel [locatie 1], te [plaats]. Dit besluit is op 21 januari 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/926
M en R 2010, 14K
Milieurecht Totaal 2009/2765
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/2487

Uitspraak

200901476/1/M2.

Datum uitspraak: 28 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats]

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats]r

en

het college van burgemeester en wethouders van Oudewater,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oudewater (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het pluimveebedrijf gelegen op het perceel [locatie 1], te [plaats]. Dit besluit is op 21 januari 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 februari 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2009, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], beiden in persoon en bijgestaan door drs. H.P.W. Havens, en het college, vertegenwoordigd door D. Oostvogels en M. Reijnen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Beste beschikbare technieken

2.2. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bestrijden het standpunt dat het college heeft ingenomen wat betreft de vraag of wordt voldaan aan het vereiste dat de beste beschikbare technieken worden toegepast. Zij voeren aan dat voor zover het college in het kader van de aan dit standpunt ten grondslag liggende beoordeling het ammoniakemissieplafond heeft berekend, het college daarbij ten onrechte de in de inrichting te houden opfokkippen niet heeft meegerekend. Voorts betogen zij dat het met E.2.14 aangeduide huisvestingssysteem niet voldoet aan het vereiste dat de beste beschikbare technieken moeten worden toegepast.

2.2.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat wat betreft de inrichting aan de eisen van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (hierna: het Besluit huisvesting) wordt voldaan. Bij de in dat verband verrichte beoordeling heeft het college de opfokkippen buiten beschouwing gelaten omdat deze niet op een batterij gehuisvest zijn en daaromtrent geen maximale emissiewaarde is vastgesteld in bijlage 1 bij het Besluit huisvesting.

2.2.2. Zoals volgt uit hetgeen de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 1 juli 2009 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200804185/1&verdict_id=36639&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200804185/1&utm_term=200804185/1">200804185/1</a>, moet er ten aanzien van een huisvestingsysteem dat voldoet aan de daaraan in het Besluit huisvesting gestelde eisen van worden uitgegaan dat dit huisvestingsysteem een van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken is.

2.2.3. Artikel 2, eerste lid, van het Besluit huisvesting, voor zover hier van belang, bepaalt dat indien in een veehouderij dieren worden gehuisvest van een diercategorie waarvoor in bijlage 1 een maximale emissiewaarde is aangegeven, voor die dieren geen huisvestingssystemen worden toegepast met een emissiefactor die hoger is dan deze maximale emissiewaarde.

2.2.4. In de nota van toelichting bij het Besluit huisvesting is vermeld dat een maximale emissiewaarde is gesteld voor alle diercategorie├źn waar dit mogelijk is. Het stellen van een maximale emissiewaarde is mogelijk geacht indien meerdere emissiearme technieken beschikbaar zijn, die technieken op lange termijn breed toepasbaar zijn en die technieken economisch en technisch haalbaar zijn in de desbetreffende veehouderijsector (Stb. 2005, 675, blz. 7 en 15-17). Nu in bijlage 1 bij het Besluit huisvesting geen maximale emissiewaarde is opgenomen voor opfokkippen, die niet op een batterij worden gehuisvest, moet uit de aangehaalde passage uit de nota van toelichting worden afgeleid dat dit niet mogelijk is geweest omdat daarvoor niet meerdere emissiearme, op lange termijn breed toepasbare en economisch en technisch haalbare technieken beschikbaar zijn. Hieruit volgt dat vooralsnog wat betreft opfokkippen, die niet op een batterij worden gehuisvest, elk huisvestingssysteem moet worden aangemerkt als de beste beschikbare techniek. In het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is daarom geen grond gelegen voor het oordeel dat wat betreft de huisvesting van deze kippen niet wordt voldaan aan het vereiste dat de beste beschikbare technieken moeten worden toegepast.

2.2.5. Wat betreft legkippen, die niet op een legbatterij worden gehuisvest, waarvan het huisvestingssysteem in de aanvraag is aangeduid met E.2.14 (hierna: huisvestingssysteem E.214) is niet in geschil dat daaromtrent niet wordt voldaan aan de daarvoor ingevolge bijlage 1 bij het Besluit huisvesting geldende maximale emissiewaarde.

2.2.6. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit huisvesting wordt ook aan het eerste lid van dit artikel voldaan indien de som van de ammoniakemissies niet groter is dan de som van de ammoniakemissies die deze huisvestingssystemen zouden veroorzaken indien wordt voldaan aan het eerste lid. Een huisvestingssysteem dat op 1 januari 2007 nog niet in de veehouderij aanwezig was, voldoet afzonderlijk aan het eerste lid.

2.2.7. Het college heeft blijkens het bestreden besluit beoordeeld of wordt voldaan aan artikel 2, tweede lid, van het Besluit huisvesting en is tot de conclusie gekomen dat dit het geval is. Nu [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen de aldus verrichte beoordeling niets hebben ingebracht doch slechts hebben volstaan met het innemen van het standpunt dat het huisvestingssysteem E.2.14 niet voldoet aan het vereiste dat moet worden voldaan aan de toepassing van de beste beschikbare technieken, is er geen grond voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat wordt voldaan aan het Besluit huisvesting en dat daarom wordt voldaan aan het vereiste dat in de inrichting de beste beschikbare technieken moeten worden toegepast.

2.2.8. De beroepsgronden falen.

Ammoniak

2.3. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aanvoeren dat wat betreft het met nr. 6 aangeduide stalgebouw in de bij het bestreden besluit verleende vergunning een te lange periode van mestopslag wordt toegestaan en dat dit een toename van ammoniakemissie als gevolg heeft, heeft het college hierop in het bestreden besluit gereageerd naar aanleiding van de daartegen ingebrachte zienswijzen. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben in beroep niet gemotiveerd waarom deze reactie onjuist zou zijn.

De beroepsgrond faalt.

Directe ammoniakschade

2.4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat voor directe ammoniakschade aan hun gewassen moet worden gevreesd.

2.4.1. Het college heeft voor de beoordeling van de directe ammoniakschade het rapport Stallucht en Planten 1981 (hierna: het rapport) tot uitgangspunt genomen.

Uit het rapport blijkt dat directe schade door uitstoot van ammoniak zich in de praktijk kan voordoen bij intensieve kippen- en varkenshouderijen. Ter voorkoming van dergelijke schade wordt een afstand van minimaal 50 meter tussen stallen en meer gevoelige planten en bomen, zoals coniferen, en een afstand van minimaal 25 tot minder gevoelige planten en bomen aanbevolen.

Het college heeft voornoemde afstandstandseis van 25 meter gehanteerd en geconcludeerd dat daaraan niet wordt voldaan met betrekking tot de percelen [locatie 2 en 3] te [plaats], waar de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bedoelde gewassen in kassen worden geteeld. Het college heeft zich onweersproken op het standpunt gesteld dat in dit opzicht sprake is van een reeds jarenlange bestaande situatie. Voorts heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de ammoniakemissie van het bij het bestreden besluit vergunde veebestand aanmerkelijk lager is dan de ammoniakemissie van het bij de eerder verleende vergunning vergunde veebestand. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben geen argumenten aangedragen die grond bieden voor het oordeel dat dit standpunt onjuist is. In de enkele omstandigheid dat de afstandseis van 25 meter wordt overschreden heeft het college naar het oordeel van de Afdeling in dit geval geen aanleiding hoeven zien de gevraagde vergunning te weigeren dan wel daaraan nadere voorschriften te verbinden ter voorkoming dan wel beperking van directe ammoniakschade. Het college heeft namelijk in dit verband niet ten onrechte de omstandigheden dat sprake is van bestaande rechten als bedoeld in artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer en dat sprake is van een afname van de ammoniakemissie in aanmerking genomen.

De beroepsgrond faalt.

Luchtkwaliteit

2.5. [appellant sub 2] betoogt dat het college in de bij het bestreden besluit verleende vergunning ten onrechte een overschrijding van de maximaal toegestane jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes toelaat. Hij stelt dat de vergunde activiteiten een verslechtering van het milieu teweeg brengen omdat deze meebrengen dat een groot gebied zal worden belast met zwevende deeltjes.

2.5.1. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, volgt dat bestuursorganen de bevoegdheid te beslissen op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.2 van de Wet milieubeheer, waarvan de uitoefening gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, uitoefenen in gevallen waarin bij uitoefening aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of het tot op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde.

Ingevolge voorschrift 4.1 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer gelden voor zwevende deeltjes de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.5.2. Artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder b, sub 1, van de Wet milieubeheer laat toe dat een milieuvergunning wordt verleend indien voornoemde grenswaarden worden overschreden, mits de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de vergunde activiteiten per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft.

Het college stelt zich, voor zover hier van belang, onder verwijzing naar het in het kader van de aanvraag uitgevoerde onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit, op het standpunt dat de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes in de buitenlucht afneemt ten opzichte van de onder de eerder verleende vergunning toegestane bedrijfsvoering vanwege de toepassing van luchtsilo's, de verneveling van water in het met nummer 4 aangeduide stalgebouw en het toepassen van nageschakelde technieken voor mestdroging. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze conclusie onjuist is.

Deze beroepsgrond faalt.

Stofemissie

2.6. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vrezen voor onaanvaardbare stofhinder.

2.6.1. Het college heeft in hoofdstuk 7 van de aan de vergunning verbonden voorschriften alsmede in de voorschriften 8.7, 8.10 en 8.11 onder meer ter voorkoming dan wel beperking van stofhinder voorschriften gesteld.

De aldus bedoelde voorschriften zien op het afdraaien van de mestbanden die zijn gesitueerd op het open terrein van de inrichting, de aanwezigheid van een stofscherm, de opslag van mest, het storten van mest in een opslagcontainer, het afvoeren van mest naar een zogenoemde droogtunnel, het vullen van voedersilo's en de maximaal toegestane concentratie stof per m03 afgezogen ventilatielucht van de kippenstallen.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben geen argumenten aangedragen die grond bieden voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met voornoemde voorschriften stofhinder kan worden voorkomen of voldoende kan worden beperkt. Voor zover zij vrezen dat voornoemde vergunningvoorschriften niet zullen worden nageleefd, betreft het een kwestie van handhaving. Hun beroepen hebben in zoverre geen betrekking op de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

Deze beroepsgrond faalt.

2.7. De beroepen zijn ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, ambtenaar van Staat.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Van Hulst

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009

402.