Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1366

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
200809333/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grootegast (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een paardenhouderij op het perceel [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 13 november 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/286
Milieurecht Totaal 2009/4128

Uitspraak

200809333/1/M2.

Datum uitspraak: 28 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Party- en Recreatiecentrum Strandheem B.V., gevestigd te Opende, gemeente Grootegast,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Grootegast,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grootegast (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een paardenhouderij op het perceel [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 13 november 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Party- en Recreatiecentrum Strandheem B.V. (hierna: Strandheem B.V.) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2008, beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2009, waar het college, vertegenwoordigd door W. Mulder en T.E.J. Postma, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is vergunninghouder daar als partij gehoord.

2. Overwegingen

Aanvraag

2.1. Strandheem B.V. stelt dat de grenzen van de inrichting ten onrechte niet op de bij de aanvraag behorende tekening zijn aangegeven. Volgens haar is daarom niet duidelijk wat de gelding is van de aan de vergunning verbonden voorschriften. Voorts stelt Strandheem B.V. dat de woning aan de [locatie 2] ten onrechte als tweede bedrijfswoning bij de inrichting is aangemerkt, terwijl dit niet duidelijk blijkt uit de bij de aanvraag overgelegde tekeningen. In dit kader voert zij verder aan dat bij de aanvraag ten onrechte geen geluidrapport is overgelegd.

2.1.1. Ingevolge artikel 5.1, van het Inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer dient de aanvrager in of bij een aanvraag als de onderhavige onder meer te vermelden: het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van de inrichting en de indeling en de aard van de inrichting.

In artikel 5.10 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer worden, kort weergegeven, categorieën van inrichtingen aangewezen waarbij het bevoegd gezag aan een aanvrager kan verzoeken bij de aanvraag voor een milieuvergunning een geluidrapport te overleggen.

2.1.2. Niet in geschil is dat de aangevraagde inrichting niet valt onder één van de categorieën genoemd in artikel 5.10 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Er bestaat dan ook geen verplichting tot het overleggen van een geluidrapport. Hetgeen Strandheem B.V. heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag in zoverre voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu. De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.1.3. De grens van de inrichting is van belang voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten hinder en voor de in verband daarmee aan de vergunning te verbinden voorschriften. De vergunningaanvraag bestaat uit een aanvraagformulier, een plattegrondtekening en een situatietekening. Blijkens deze stukken behoort bij de inrichting een bedrijfsterrein waarop onder andere een woning, de paardenboxen, een trainingshal en buitenbakken staan. In het aanvraagformulier is verder omschreven wat de overige activiteiten binnen de inrichting zullen inhouden. De Afdeling stelt vast dat uit de bij de aanvraag overgelegde tekeningen blijkt waar de activiteiten van de inrichting plaatsvinden. De vergunningverlening ziet blijkens het bestreden besluit op de kadastrale percelen [gemeente], sectie […], nummers [3 nummers], zodat de begrenzing van de inrichting voldoende duidelijk is aangegeven. De woning aan de [locatie 2] maakt blijkens de situatietekening deel uit van de inrichting. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen Strandheem B.V. aanvoert geen grond voor het oordeel dat de aanvraag niet voldoet aan het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer of dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu.

De beroepsgrond faalt.

Geurhinder

2.2. Strandheem B.V. vreest geurhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting. In dat kader voert zij aan dat de woning aan de [locatie 2] door derden wordt gebruikt en derhalve ten onrechte niet is aangemerkt als geurgevoelig object in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wet geurhinder).

2.2.1. Op de bij de aanvraag behorende tekeningen is als onderdeel van de inrichting de woning [locatie 2] opgenomen. Gelet hierop is vergunning gevraagd om deze woning als een bij de inrichting behorende bedrijfswoning te gebruiken. Dat het feitelijk gebruik van de woning ten tijde van het indienen van de aanvraag - zoals gesteld door Strandheem B.V. - afwijkt van de aangevraagde situatie, doet daar niet aan af. Het college heeft gelet op hetgeen is aangevraagd de woning [locatie 2] terecht buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van de geurhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting.

De beroepsgrond faalt.

Geluidhinder

2.3. Strandheem B.V. vreest geluidhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting. In dat kader voert zij aan dat niet duidelijk is of de in de voorschriften van de vergunning gestelde geluidgrenswaarden toereikend zijn om onaanvaardbare geluidhinder te voorkomen. Voorts stelt zij dat er een discrepantie bestaat in de geluidgrenswaarden, omdat op verschillende beoordelingspunten hetzelfde geluidniveau wordt toegestaan, hetgeen kan leiden tot overschrijding van de maximaal toegestane geluidgrenswaarden.

2.3.1. Voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten geluidhinder van de activiteiten binnen de inrichting heeft het college hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 en hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt gehanteerd.

2.3.2. Niet in geschil is dat de omgeving van de inrichting is aan te merken als een landelijke omgeving waarbij voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau richtwaarden horen van 40, 35, 30 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het college heeft bij de in voorschrift 12.2.1 gestelde grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau aansluiting gezocht bij deze richtwaarden.

Wat betreft het maximale geluidniveau zijn de in vergunningvoorschrift 12.2.2 gestelde geluidgrenswaarden niet hoger dan de in de Handreiking aanvaardbaar geachte grenswaarden van 70, 65 en 60 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich, gelet op het beoordelingskader, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in de vergunningvoorschriften 12.2.1 en 12.2.2 gestelde grenswaarden toereikend zijn om geluidhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.3.3. Wat betreft de stelling dat er een discrepantie bestaat in de geluidgrenswaarden overweegt de Afdeling dat indien de inrichting op de dichtstbijgelegen woning een geluidbelasting van 40 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en een piekgeluidbelasting van maximaal 65, 60 en 55 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode mag veroorzaken, de verder gelegen objecten een afgeleide bescherming hebben.

Voor zover Strandheem B.V. beoogt te stellen dat de geluidvoorschriften niet worden nageleefd, oordeelt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van het ter beoordeling staande besluit en om die reden niet kan slagen.

De beroepsgrond faalt.

Verkeersbewegingen van en naar de inrichting

2.4. Strandheem B.V. stelt dat de verkeersbewegingen van en naar de inrichting mogelijk een hogere geluidbelasting veroorzaken dan de in de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996 aanbevolen voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Volgens haar heeft het college ten onrechte nagelaten te onderzoeken of deze voorkeursgrenswaarde kan worden nageleefd.

2.4.1. In vergunningvoorschrift 12.4.1 is bepaald dat het equivalente geluidniveau veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting op een aantal in het voorschrift genoemde woningen niet meer mag bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.4.2. In hetgeen Strandheem B.V. stelt ziet de Afdeling, mede gelet op het geringe aantal aangevraagde verkeersbewegingen en gezien de aard en omvang van de inrichting, geen grond voor het oordeel dat de inrichting niet zal kunnen voldoen aan de aanbevolen voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A).

De beroepsgrond faalt.

Zwevende deeltjes

2.5. Strandheem B.V. stelt dat het college onvoldoende heeft beoordeeld of aan de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden voor zwevende deeltjes kan worden voldaan.

2.5.1. Voor paardenhouderijen is geen emissiefactor voor zwevende deeltjes vastgesteld door het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Het college is er in het bestreden besluit van uitgegaan dat de emissie van de inrichting laag zal zijn. Strandheem B.V. heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college de vergunning vanwege een overschrijding van de grenswaarden voor zwevende deeltjes had moeten weigeren.

De beroepsgrond faalt.

Toekomstige ontwikkelingen

2.6. Strandheem B.V. stelt dat het college in strijd met artikel 8.8, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer heeft nagelaten de uitbreidingsplannen van haar inrichting te betrekken bij de voorbereiding van het bestreden besluit. Voorts stelt zij dat het college onvoldoende aandacht heeft besteed aan de invloed van de inrichting op haar omgeving en andersom.

2.6.1. Ingevolge artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer, betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in elk geval de met betrekking tot de inrichting en het gebied waar de inrichting is gelegen redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu.

2.6.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft Strandheem B.V. niet aannemelijk gemaakt dat er toekomstige ontwikkelingen zijn in de zin van artikel 8.8, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer waarmee het college rekening had moeten houden. De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.6.3. Voor wat betreft de invloed van de inrichting op de omgeving overweegt de Afdeling dat de milieuhygiënische gevolgen van het verlenen van de onderhavige vergunning bij de voorbereiding van het bestreden besluit zijn beoordeeld. De invloed van de omgeving op de inrichting is voor de beoordeling van het bestreden besluit niet relevant.

De beroepsgrond faalt.

Bewaren van sperma in stikstof

2.7. Strandheem B.V. stelt dat de aan de vergunning verbonden voorschriften voor het bewaren van sperma in stikstof niet toereikend zijn, omdat de vereiste periodieke onderhoudsverplichtingen en inspecties ontbreken.

2.7.1. Aan de vergunning zijn in hoofdstuk 5 voorschriften verbonden die betrekking hebben op stikstof. In hetgeen Strandheem B.V. aanvoert ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze voorschriften in zoverre toereikend zijn.

De beroepsgrond faalt.

Activiteitenbesluit

2.8. Strandheem B.V. stelt dat het college in het bestreden besluit ten onrechte heeft nagelaten een verwijzing naar het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) op te nemen.

2.8.1. Niet in geschil is dat de inrichting een inrichting type C is als bedoeld in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit.

Ingevolge artikel 1.4, derde lid, aanhef en onder f, van het Activiteitenbesluit, voor zover hier van belang, dient degene die een inrichting type C drijft, te voldoen aan een aantal in het artikel genoemde regels.

2.8.2. De voor de inrichting ingevolge het Activiteitenbesluit geldende regels zijn rechtstreeks van toepassing. Hiervoor is derhalve geen verwijzing in het bestreden besluit nodig.

De beroepsgrond faalt.

Bestemmingsplan

2.9. Strandheem B.V. stelt dat vergunningverlening in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Zij voert daarbij aan dat aan de inrichting een agrarische bestemming is toegekend en bestemd is voor veehouderijen. Volgens haar kan de inrichting niet worden aangemerkt als een veehouderij in de zin van het bestemmingsplan.

2.9.1. Met de enkele stelling van Strandheem B.V. dat de inrichting geen veehouderij is in de zin van het bestemmingsplan heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat de vergunning is verleend in strijd met het bestemmingsplan. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de vergunning te verlenen.

De beroepsgrond faalt.

Beste beschikbare technieken

2.10. Strandheem B.V. stelt dat uit de aanvraag, het bestreden besluit en de bijlagen niet blijkt dat er onderzoek is verricht naar de toepassing van de beste beschikbare technieken binnen de inrichting. Zij heeft deze stelling niet geconcretiseerd. De Afdeling ziet in deze enkele stelling geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen.

2.11. Het beroep is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraa te ondertekenen. w.g. Van der Zijpp ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009

407-628.