Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1361

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
200901282/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2007 heeft de korpschef van de politieregio Kennemerland (hierna: de korpschef) een samenvatting van de door [wederpartij] verzochte documenten openbaar gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200901282/1/H3.

Datum uitspraak: 28 oktober 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de korpsbeheerder van de politieregio Kennemerland,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 januari 2009 in zaak nr. 08/3089 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

de korpschef van de politieregio Kennemerland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2007 heeft de korpschef van de politieregio Kennemerland (hierna: de korpschef) een samenvatting van de door [wederpartij] verzochte documenten openbaar gemaakt.

Bij besluit van 13 maart 2008 heeft de korpschef het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 januari 2009, verzonden op 9 januari 2009, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door v daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 maart 2008 vernietigd en bepaald dat de korpschef een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de korpsbeheerder van de politieregio Kennemerland (hierna: de korpsbeheerder) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 februari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 16 maart 2009.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2009, waar de korpsbeheerder, vertegenwoordigd door mr. J.C.E te Riele en C. Maliepaard, beiden werkzaam bij de politieregio Kennemerland, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Maury, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Wet openbaarheid van bestuur wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, verstrekt het bestuursorgaan de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door:

a. kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken,

b. kennisneming van de inhoud toe te staan,

c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, of

d. inlichtingen daaruit te verschaffen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, verstrekt het bestuursorgaan de informatie in de door de verzoeker verzochte vorm, tenzij het verstrekken van de informatie in die vorm redelijkerwijs niet gevergd kan worden.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…)

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(…)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.2. Bij zijn besluit van 6 juli 2007 heeft de korpschef een overzicht verstrekt van het in het jaar 2006 afgegeven aantal verloven, inclusief de vergunningnummers, de woonplaats van de verlofhouders, het aantal wapens, de wapensoorten en de wapentypes.

2.3. De korpsbeheerder komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat openbaarmaking van bepaalde door [wederpartij] gevraagde gegevens op zichzelf of in combinatie met andere gegevens kan leiden tot identificatie van individuele verlofhouders. Volgens hem kan het verstrekken van deze gegevens mogelijk leiden tot identificatie van individuele verlofhouders en de wapens waar zij over beschikken, nu deze gegevens kunnen worden gecombineerd met gegevens uit andere openbare bronnen en databestanden. Dit brengt een reëel veiligheidsrisico mee voor de verlofhouder, en raakt direct zijn persoonlijke levenssfeer, aldus de korpsbeheerder. Bovendien heeft hij vanuit zijn bijzondere toezichthoudende taak op het gebied van de wapenwetgeving een verantwoordelijkheid om te waken over de privacy en veiligheid van de geregistreerde personen in de onder hem vallende registers. Hij betoogt voorts dat het belang van het verstrekken van de gegevens niet opweegt tegen het belang van inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen.

2.3.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de korpsbeheerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem niet openbaar gemaakte gegevens op zichzelf of in combinatie met andere gegevens kunnen leiden tot identificatie van individuele personen. De korpsbeheerder heeft onvoldoende gemotiveerd op welke manier verlofhouders door openbaarmaking van deze gegevens zouden kunnen worden geïdentificeerd. Omdat aldus niet aannemelijk is gemaakt dat met openbaarmaking van de gegevens inbreuk gemaakt zal worden op de persoonlijke levenssfeer van verlofhouders, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het mogelijke belang dat is gemoeid met eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet kan worden afgewogen tegen het belang van openbaarmaking van die gegevens.

Het betoog van de korpsbeheerder dat hij vanuit zijn bijzondere toezichthoudende taak op het gebied van de wapenwetgeving een verantwoordelijkheid heeft om te waken over de privacy en veiligheid van de geregistreerde personen in de onder hem vallende registers biedt evenmin voldoende grond voor zijn weigering gegevens openbaar te maken, nu de relatieve weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, slechts ziet op de vraag of door openbaarmaking van bepaalde gegevens het bestuursorgaan zijn toezichthoudende taak niet meer naar behoren zal kunnen uitoefenen. De korpsbeheerder heeft niet gemotiveerd op welke wijze openbaarmaking van de door [wederpartij] gevraagde gegevens inspectie, controle en toezicht zou kunnen belemmeren.

2.4. De korpsbeheerder komt verder op tegen het oordeel van de rechtbank dat zich tussen de informatie in het verstrekte overzicht en de informatie in de verloven mogelijk discrepanties bevinden en dat [wederpartij] daarom 25 afschriften van verloven dienen te worden verstrekt teneinde hem door middel van een steekproef de mogelijkheid te geven de juistheid van het verstrekte overzicht te controleren. Volgens de korpsbeheerder was het verstrekte overzicht correct op het moment van verstrekken, maar veranderen gegevens op de bijlage bij de verloven constant, omdat in de loop van de tijd veel mutaties plaatsvinden. Ter zitting bij de Afdeling heeft de korpsbeheerder hieraan toegevoegd dat in het systeem waarin de afgifte en verlenging van de geldigheid van wapenverloven wordt bijgehouden, slechts wordt geregistreerd welke wapens op de bijlage bij het wapenverlof staan vermeld op het moment dat een verlof wordt afgegeven of de geldigheid ervan verlengd. Mutaties op die bijlage die buiten die momenten vallen, worden niet in het systeem verwerkt omdat een mutatie niet ziet op de afgifte of verlenging van de geldigheid van een wapenverlof, aldus de korpsbeheerder. Volgens hem heeft [wederpartij] bovendien slechts verzocht om verloven die in 2006 zijn afgegeven of ingetrokken, en verloven waarvan de geldigheidsduur in 2006 is verlengd. De rechtbank heeft volgens hem ook ten onrechte overwogen dat tussen het aan [wederpartij] verstrekte overzicht en het aan hem verstrekte voorbeeldverlof een discrepantie bestaat en het overzicht daarom mogelijk onjuist is, omdat [wederpartij] een uittreksel van een verlof uit het registratiesysteem van na 2006 heeft vergeleken met het aan hem verstrekte overzicht.

2.4.1. De korpsbeheerder bestrijdt met succes het oordeel van de rechtbank dat de bij [wederpartij] gerezen twijfel over de juistheid van het aan hem verstrekte overzicht niet zonder grondslag is. In beginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van het aan [wederpartij] verstrekte overzicht wanneer de mededeling van de korpsbeheerder hieromtrent niet ongeloofwaardig voorkomt. Het ligt op de weg van [wederpartij] om aannemelijk te maken dat het verstrekte overzicht geen juiste weergave is van de door hem verzochte documenten. Het ter zitting gehouden betoog van de korpsbeheerder dat slechts wordt geregistreerd welke verloven worden afgegeven, ingetrokken, of in geldigheidsduur worden verlengd, en alleen op het moment van registratie daarvan wordt geregistreerd welke wapens op de bijlage staan vermeld, en dat daarom bij de vergelijking van het verstrekte voorbeeldverlof met het verstrekte overzicht de schijn kan ontstaan dat het overzicht niet overeenkomt met de in het jaar 2006 afgegeven, ingetrokken, of in geldigheidsduur verlengde verloven, omdat op de bijlage bij dat voorbeeldverlof wel mutaties zijn aangebracht, is niet ongeloofwaardig. Voorts zag het verzoek van [wederpartij] slechts op de in het jaar 2006 afgegeven en ingetrokken verloven, en verloven waarvan de geldigheidsduur in dat jaar zijn verlengd, en niet op mutaties op de bijlage bij die verloven. [wederpartij] heeft, met zijn vergelijking van het voorbeeldverlof met het aan hem verstrekte overzicht, niet aannemelijk gemaakt dat het overzicht geen juiste weergave is van de door hem verzochte documenten.

De aangevallen uitspraak komt op dit punt niet voor vernietiging maar voor verbetering in aanmerking omdat, gelet op hetgeen onder 2.3.1. is overwogen, de rechtbank terecht heeft beslist dat het besluit van 13 maart 2008 wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht moet worden vernietigd.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak wordt, met verbetering van de gronden waarop deze rust, bevestigd.

2.6. De korpsbeheerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Aangezien de Afdeling deze zaak gelijktijdig heeft behandeld met het hoger beroep van de korpsbeheerder van de politieregio Zaanstreek-Waterland in zaak nr. 200901176/1/H3 en de gemachtigde van [wederpartij] in die zaak een gelijkluidend verweerschrift heeft ingediend, is wat betreft de kosten voor het indienen van een verweerschrift en het verschijnen ter zitting van de gemachtigde van [wederpartij] in beide zaken een half punt toegekend.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak;

III. veroordeelt de korpsbeheerder van de politieregio Kennemerland tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009.

176-622.