Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1356

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-10-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
200904483/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 april 2009, kenmerk 1453517, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Waalwijk (hierna: de raad) bij besluit van 11 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Centrumgebied Waalwijk".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200904483/2/R2.

Datum uitspraak: 22 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de vereniging Vereniging van eigenaren De Eik, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kikiki B.V. en [bedrijf], alle gevestigd te Waalwijk,

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2009, kenmerk 1453517, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Waalwijk (hierna: de raad) bij besluit van 11 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Centrumgebied Waalwijk".

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juni 2009, en de vereniging Vereniging van eigenaren De Eik, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kikiki B.V. en [bedrijf] (hierna: de Vereniging en anderen) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juni 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juni 2009, heeft [verzoeker sub 1] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben de Vereniging en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 29 september 2009, waar [verzoeker sub 1], de Vereniging en anderen, vertegenwoordigd door drs. H.E. Winkelman, juridisch adviseur, en H.G.M.P. van Daal, en het college, vertegenwoordigd door mr. ing. J.H.M. van Cuyck, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. B.J.P.G. Roozendaal, advocaat te Breda, en mr. P.J.J.M. Schreppers, ing. T.H.H. Hendriks en drs. D.J. Douma, ambtenaren in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor het centrumgebied van Waalwijk. Op zes locaties in het plangebied, waaronder het winkelgebied "De Els", worden nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Voor het overige wordt beoogd de bestaande situatie vast te leggen.

Het verzoek van [verzoeker sub 1]

2.3. Het verzoek van [verzoeker sub 1] heeft betrekking op de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden, vrijstaande woningen" dat ziet op het perceel aan de [locatie 1]. Op dit perceel staan een woning en een bijgebouw. [verzoeker sub 1], eigenaar van deze gebouwen, wil het bijgebouw gebruiken voor het vervaardigen van lederwaren. Omdat de woonbestemming hieraan in de weg staat, wenst [verzoeker sub 1] dat zijn bijgebouw voor bedrijfsdoeleinden wordt bestemd. Hiertoe voert [verzoeker sub 1] onder meer aan dat met betrekking tot het bijgebouw voorheen de bestemming "Lederwarenfabriek" was toegekend en dat een bedrijfsbestemming in overeenstemming is met de uitgangspunten van het bestemmingsplan.

2.3.1. Ter zitting heeft [verzoeker sub 1] aangegeven dat hij het bijgebouw niet onmiddellijk, maar pas op langere termijn wil gebruiken voor het vervaardigen van lederwaren. Gelet hierop is niet gebleken dat [verzoeker sub 1] het oordeel van de Afdeling in de bodemprocedure niet kan afwachten. Het verzoek van [verzoeker sub 1] ontbeert dan ook een spoedeisend belang.

Het verzoek van de Vereniging en anderen

2.4. Ter zitting hebben de Vereniging en anderen aangegeven dat hun verzoek om voorlopige voorziening uitsluitend betrekking heeft op de onderdelen van het plan die zij ter zitting hebben besproken.

2.5. De Vereniging en anderen, eigenaren van een kantorencomplex op het perceel aan de [locatie 2], betogen dat in dit plan ten onrechte geen positieve bestemming is opgenomen voor de kantoren die op de eerste verdieping van dit complex zijn gevestigd.

2.5.1. Met betrekking tot het perceel aan de Mr. Van Coothstraat is in het plan de bestemming "Gemengde doeleinden II" en de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid II" toegekend. Ingevolge artikel 11, eerste lid, onder 1.1.a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de kaart als "Gemengde doeleinden II" aangewezen gronden bestemd voor kantoren en/of praktijkruimten op de begane grondlaag en voor wonen op de overige bouwlagen.

Ingevolge artikel 41, tweede lid, onder 2.1, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mag het op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van het plan bestaande gebruik van bouwwerken, dat met de in het plan aangewezen bestemming in strijd is, worden voortgezet.

2.5.2. De voorzitter stelt vast dat het gebruik van de ruimten op de eerste verdieping van het complex voor kantoordoeleinden ingevolge artikel 11, eerste lid, onder 1.1.a, van de planvoorschriften niet is toegelaten. Dit gebruik valt evenwel onder het overgangsrecht, zoals opgenomen in artikel 41, tweede lid, onder 2.1, van de planvoorschriften, zodat het gebruik voor kantoordoeleinden in de planperiode kan worden voortgezet. In zoverre ontbreekt dan ook een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6. De Vereniging en anderen betogen dat de Flora en faunawet (hierna: de Ffw) aan de uitvoering van het desbetreffende plandeel in de weg staat nu er vleermuizen in de bomen langs de Winterdijk voorkomen en voor deze dieren geen ontheffing van artikel 10 van de Ffw kan worden verkregen.

2.6.1. Ter zitting heeft de raad betoogd dat het beroep, voor zover het deze beroepsgrond betreft, niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien de Vereniging en anderen in de zienswijze en bedenkingen niets naar voren hebben gebracht met betrekking tot de aanwezigheid van vleermuizen. Het college stelt zich voorts op het standpunt dat geen verstoring van de in de bomen aan de Winterdijk aanwezige vleermuizen is te verwachten. Een ontheffing van het verbod van artikel 10 van de Ffw is volgens het college dan ook niet nodig.

2.6.2. Wat betreft de ontvankelijkheid overweegt de voorzitter dat de Vereniging en anderen tijdig een zienswijze en bedenkingen bij de raad naar voren hebben gebracht, waarin zij het gehele plan hebben bestreden. Het betoog over de aanwezigheid van vleermuizen, dat betrekking heeft op het plandeel dat ziet op de omgeving van de Winterdijk, vindt naar het voorlopig oordeel van de voorzitter hierin zijn grondslag. Gelet op het voorgaande verwacht de voorzitter niet dat de Afdeling het beroep in de bodemprocedure in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren.

2.6.3. Ingevolge artikel 10 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

2.6.4. Ten behoeve van het plan is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in het plangebied. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Natuurtoets Bestemmingsplan Centrumgebied Waalwijk" van maart 2005 (hierna: het rapport). Daarin staat dat geen rekening hoeft te worden gehouden met de vleermuizen als de monumentale bomen aan de Winterdijk worden behouden en de nieuw te realiseren gebouwen tussen de Taxandriaweg en de Winterdijk worden gerealiseerd in een parkachtige omgeving.

De voorzitter stelt vast dat de gronden op en langs de Winterdijk, ten zuiden van de bebouwing langs de Taxandriaweg, zijn bestemd voor "Groenvoorzieningen". Hiermee is voorzien in een positieve bestemming voor de monumentale bomen langs de Winterdijk en een groene omgeving voor de bebouwing langs de Taxandriaweg. Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de Ffw aan de uitvoering van het desbetreffende plandeel in de weg staat.

2.7. De Vereniging en anderen brengen naar voren dat met het plan de realisatie van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen de risicocontour van het bedrijf Stahl Europe B.V mogelijk wordt gemaakt.

2.7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de externe veiligheid in het plangebied voldoende is gewaarborgd, nu de risicocontour van Stahl Europe B.V. vanwege een wijziging van de milieuvergunning van dit bedrijf niet meer over het plangebied ligt.

2.7.2. Uit artikel 5, eerste lid, in samenhang bezien met artikel 8, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) volgt dat geen kwetsbare gebouwen of objecten mogen worden gebouwd of gevestigd binnen de 10-6 contour van een zogenaamde risicovolle inrichting.

2.7.3. Op de plankaart is een lijn opgenomen die de risicocontour van 10-6 van Stahl Europe B.V. aanduidt. Ingevolge artikel 3, zesde lid, onder 6.1, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen tot 1 januari 2010 in het gebied binnen de op de kaart aangegeven aanduiding "risicocontour" geen kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten in gebruik worden genomen als bedoeld in het Bevi. Ingevolge artikelonderdeel 6.2 is het bepaalde in artikelonderdeel 6.1 niet van toepassing indien uit een onherroepelijk geworden milieuvergunning blijkt dat ter plaatse de risicocontour niet meer aanwezig is.

2.7.4. Niet in geschil is dat de milieuvergunning van Stahl Europe B.V. is gewijzigd en deels is ingetrokken, zodat de risicocontour van 10-6 feitelijk niet meer over het plangebied ligt. Ter zitting is gebleken dat de gewijzigde milieuvergunning inmiddels rechtens onaantastbaar is. Anders dan de Vereniging en anderen blijkens het verhandelde ter zitting veronderstellen, komt aan de op de plankaart aangegeven risicocontour gelet op artikel 3, zesde lid, onder 6.2, van de planvoorschriften inmiddels geen betekenis meer toe. Gelet op het voorgaande is naar het voorlopig oordeel van de voorzitter voldoende gewaarborgd dat in overeenstemming met het Bevi geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten binnen de 10-6 contour van een zogenaamde risicovolle inrichting zullen worden gebouwd of gevestigd. In zoverre bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.8. De Vereniging en anderen voeren, kort samengevat, aan dat het bestreden besluit is gebaseerd op een verouderd en ondeugdelijk rapport met betrekking tot de luchtkwaliteit. Daarnaast brengen zij naar voren dat het plan niet in voldoende parkeerplaatsen voorziet. Ter zitting hebben de Vereniging en anderen aangegeven dat zij met hun verzoek beogen te voorkomen dat een aanvang wordt gemaakt met de herontwikkeling van het winkelgebied "De Els" voordat in de bodemprocedure op deze beroepsgronden is beslist.

2.8.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de bevindingen in het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde rapport over de luchtkwaliteit in het plangebied juist zijn. Daarnaast stelt het college dat het plan voldoende ruimte biedt voor het realiseren van parkeerplaatsen.

2.8.2. Ter zitting heeft de projectontwikkelaar van het winkelgebied "De Els" aangegeven dat hij voornemens is om nog voor het einde van 2009 een bouwaanvraag voor de herontwikkeling van het winkelgebied "De Els" in te dienen. Het is de verwachting dat spoedig met de eerste fase van de herontwikkeling van het winkelgebied "De Els" zal worden begonnen. De voorzitter ziet hierin voldoende aanleiding voor het aannemen van een spoedeisend belang.

2.8.3. Ten behoeve van het plan is onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Luchtkwaliteit Waalwijk centrum" van KEMA Nederland B.V uit 2006. Dit rapport is geactualiseerd op 20 maart 2008 en op 18 maart 2009. Uit het rapport van 18 maart 2009 volgt dat in alle gevallen wordt voldaan aan de luchtkwaliteitseisen van titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Ter zitting is onweersproken door het college gesteld dat hij het geactualiseerde rapport uit 2009 aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd. Gelet hierop hebben de Vereniging en anderen naar het voorlopig oordeel van de voorzitter niet aannemelijk gemaakt dat het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde rapport verouderd is. Voorts ziet de voorzitter in de bezwaren over de uitgangspunten en de systematiek van het onderzoek op voorhand geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de resultaten van het rapport. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter zijn deze bezwaren afdoende weerlegd door de door de raad naar voren gebrachte reactie van KEMA Nederland B.V.

2.8.4. Het college heeft bij zijn besluit het onderzoek naar de parkeerbehoefte van RBOI van 13 maart 2009 betrokken. Uit dit onderzoek volgt dat in het plangebied een tekort kan ontstaan van 81 parkeerplaatsen op koopavonden en een tekort van 77 parkeerplaatsen op zaterdagen. De Vereniging en anderen hebben een memo van Exante van 14 juli 2009 overgelegd, waarin wordt getwijfeld aan de juistheid van de uitgangspunten van dit rapport. Gelet op de reactie van RBOI van 15 september 2009 op deze memo is de voorzitter er echter voorshands niet van overtuigd dat aan de aan het rapport van 13 maart 2009 ten grondslag gelegde uitgangspunten zodanige gebreken kleven dat het college de resultaten van het rapport niet bij de besluitvorming had mogen betrekken. Gelet op het aantal parkeerplaatsen dat in en rondom het plangebied beschikbaar is, is naar het voorlopig oordeel van de voorzitter voorts niet aannemelijk gemaakt dat de tekorten op deze tijdstippen zodanig zijn dat om deze reden het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk voor schorsing in aanmerking komt.

Conclusie

2.9. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

Proceskostenveroordeling

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Zijlstra

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2009

177-589.