Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1353

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
200901831/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juli 2007 heeft de minister van Justitie (hierna:

de minister) geweigerd aan appellant een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) af te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200901831/1/H3.

Datum uitspraak: 28 oktober 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 5 februari 2009 in zaak

nr. 08/1174 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2007 heeft de minister van Justitie (hierna:

de minister) geweigerd aan appellant een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) af te geven.

Bij besluit van 8 april 2008 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 februari 2009, verzonden op 10 februari 2009, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2009, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 september 2009, waar uitsluitend de minister, vertegenwoordigd door mr. G. van Zon, werkzaam in dienst van het ministerie, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] heeft om afgifte van een VOG verzocht om als medewerker ruimtelijke ordening en handhaving bij de gemeente Waterland werkzaam te kunnen zijn.

2.2. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

2.3. Bij de beoordeling van het risico voor de samenleving past de minister toe de Beleidsregels VOG NP-RP 2004, zoals deze luidden ten tijde hier van belang, voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een VOG van natuurlijke personen en rechtspersonen (hierna: de Circulaire), vastgesteld bij besluit van de minister van 15 maart 2004 (Stcrt. 2004, 63).

Volgens paragraaf 3.1 van de Circulaire wordt een VOG zonder meer afgegeven indien de aanvrager vier jaar voorafgaand aan het moment van toetsing niet voorkomt in de justitiële documentatie. Of sprake is van relevante antecedenten wordt onder meer bepaald door de relatie tussen de strafbare feiten en de functie/taak/opdracht die door betrokkene vervuld gaat worden.

Om vast te stellen of de aangetroffen antecedenten een belemmering vormen voor de afgifte van een VOG is in bijlage A bij de Circulaire onder meer een algemeen screeningsprofiel neergelegd aan de hand waarvan het risico voor de samenleving wordt bepaald. Het algemeen screeningsprofiel is onderverdeeld in een achttal risicogebieden. Onderdeel 4 "diensten" van het algemeen screeningsprofiel luidt: "Het verlenen van diensten zoals advisering, beveiliging, schoonmaak en catering e.d., en het bevoegd zijn om besluiten te nemen tot het verlenen en/of inhuren van diensten vallen onder het gebied "diensten". Wanneer het bovenstaande van toepassing is bij een uit te oefenen functie of uit te voeren werkzaamheden dan kan er gevaar zijn voor omkoping en/of afpersing, misbruik ten eigen bate of het in gevaar brengen van de veiligheid en gezondheid van personen."

Volgens paragraaf 3.2.1 van de Circulaire spelen bij de beoordeling objectieve en subjectieve criteria een rol.

De objectieve criteria zijn neergelegd in paragraaf 3.2.2. De afgifte van een VOG wordt geweigerd indien in het justitiële documentatieregister met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval een belemmering kan vormen voor een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd.

De subjectieve criteria zijn neergelegd in paragraaf 3.2.3. Volgens deze paragraaf kunnen bijzondere omstandigheden slechts een corrigerende functie hebben voor het concrete geval. Omstandigheden die in dat kader meegewogen worden, zijn de leeftijd van de aanvrager en diens burgerlijke staat, de leeftijd van de aanvrager ten tijde van het plegen van het strafbare feit, de ernst van het delict, de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, de vraag of recidive waarschijnlijk is, de hoeveelheid antecedenten en het tijdsverloop sinds het antecedent. De omstandigheden, waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden, zijn volgens deze paragraaf alleen van belang, indien niet tot een goede oordeelsvorming kan worden gekomen en twijfel bestaat over de vraag of een VOG kan worden afgegeven. De minister komt pas tot zijn definitieve oordeel, nadat ook de belangen van betrokkene bij de afweging zijn meegenomen, aldus deze passage.

2.4. De minister heeft aan de bij besluit op bezwaar gehandhaafde weigering van 24 juli 2007 ten grondslag gelegd dat [appellant] door het gerechtshof te Amsterdam op 3 juli 2006 onherroepelijk is veroordeeld wegens verkrachting, meermalen gepleegd. Hij is veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf van tweehonderdveertig uren subsidiair tot honderdtwintig dagen hechtenis en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren, lopend tot juli 2008. Als bijzondere voorwaarde geldt dat [appellant] zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook als dit inhoudt voortzetting van de behandeling bij het centrum voor ambulante forensische psychiatrie, "De Waag".

[appellant] heeft zich tevens onder elektronisch toezicht moeten laten stellen voor een periode van zes maanden. Ook is hij veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 5000,00 aan het slachtoffer.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aan het objectieve criterium is voldaan. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het door hem gepleegde strafbare feit staat, indien herhaald, een goede uitoefening van de functie van medewerker ruimtelijke ordening en handhaving bij de gemeente Waterland niet in de weg. In deze functie is geen één op één relatie, waarbij zich een tijdelijke afhankelijkheid van een persoon ten opzichte van [appellant] voordoet. Ten onrechte heeft de rechtbank dan ook, gelet op het functiegebied "diensten" en de daarbij genoemde risico's, waaronder het in gevaar brengen van de veiligheid en gezondheid van personen, overwogen dat er voldoende relatie bestaat tussen het door hem gepleegde zedendelict en de functie die hij beoogt. De rechtbank heeft ten onrechte verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 3 januari 2007 met zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200606020/1&verdict_id=15900&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200606020/1&utm_term=200606020/1">200606020/1</a>, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de weigering van de VOG terecht is, omdat het, ondanks dat de feiten niet zijn gepleegd tijdens de functie-uitoefening, bij uitstek om misdrijven ging, die naar hun aard niet zijn te verenigen met de betreffende functie. Dit geldt in dit geval echter niet. [appellant] beroept zich hierbij op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 maart 1990 (TAR 1990, 103). Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat bij de beoordeling van zijn aanvraag om een VOG bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die tot afgifte van de VOG noopten. De reclasseringsmedewerker en zijn behandelaar hebben de kans op recidive voor het personeel of klanten van de gemeente Waterland zeer onwaarschijnlijk geacht. Bovendien is hij reeds jarenlang naar tevredenheid werkzaam voor gemeenten in soortgelijke functies. Ten onrechte heeft de rechtbank bij haar oordeel de kans op recidive in de huiselijke sfeer betrokken. Overigens stelt de reclasseringsmedewerker in een brief van 17 februari 2009 dat de kans op recidive ook in de huiselijke sfeer zeer onwaarschijnlijk is.

2.6. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat gelet op het risicogebied "diensten" en de daarbij genoemde risico's, waaronder het in gevaar brengen van de veiligheid en gezondheid van personen, voldoende relatie bestaat tussen het door [appellant] gepleegde zedendelict en de functie die hij beoogt. Dit delict brengt in dit geval, gelet op de aard ervan, het risico met zich dat de veiligheid van personen in gevaar wordt gebracht. Dat in de betreffende functie geen sprake zou zijn van een één op één relatie, waarbij zich een tijdelijke afhankelijkheid van een persoon ten opzichte van [appellant] voordoet, kan hieraan niet afdoen. Bovendien valt gelet op de functieomschrijving één op één contact met cliënten niet uit te sluiten.

De rechtbank heeft onder verwijzing naar genoemde uitspraak van de Afdeling van 3 januari 2007 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200606020/1&verdict_id=15900&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200606020/1&utm_term=200606020/1">200606020/1</a> met juistheid overwogen dat de omstandigheid dat de strafbare feiten zich niet hebben voorgedaan tijdens of in verband met het functioneren van de aanvrager als medewerker bij de gemeente, niet van doorslaggevend belang is. Het gaat er om of de strafbare feiten, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie zouden verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving bestaat. Het beroep van [appellant] op hetgeen in bovengenoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is overwogen kan, wat hier verder ook van zij, niet slagen. De rechtmatigheidstoets van het ambtelijk ontslagbesluit, dat in deze uitspraak ter beoordeling stond, is immers van een andere aard dan de toets tot afgifte van een VOG, die is neergelegd in artikel 35, eerste lid, van de Wjsg.

De rechtbank heeft met juistheid in het in beroep aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister zich, gelet op de in het algemeen screeningsprofiel onder het functiegebied "diensten" genoemde risico's, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het door [appellant] gepleegde zedendelict, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, aan een behoorlijke uitoefening van zijn werkzaamheden als medewerker ruimtelijke ordening en handhaving bij de gemeente Waterland in de weg zal staan. Het betoog faalt.

2.7. De Afdeling overweegt voorts dat een zedenmisdrijf op zichzelf niet vanzelfsprekend leidt tot het oordeel dat een VOG onder alle omstandigheden moet worden geweigerd.

De rechtbank heeft in dit geval echter met juistheid in het in beroep aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn, die tot afgifte van de VOG zouden moeten leiden. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij de oplegging van straffen ter zake van het door [appellant] gepleegde zedendelict tevens de onder 2.4. genoemde bijzondere voorwaarde gesteld. Bij de oplegging van deze maatregel heeft het gerechtshof het korte tijdsverloop sinds de gepleegde feiten en de kans op recidive ten aanzien hiervan doorslaggevend geacht. Waar [appellant] wijst op het feit dat de reclasseringsambtenaar en zijn behandelaar de kans op recidive voor het personeel of klanten van de gemeente zeer onwaarschijnlijk hebben geacht, gaat hij eraan voorbij dat het tijdsverloop sinds de veroordeling gering is en dat hij in verband hiermee tot juli 2008, derhalve nog ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar, onder toezicht van de reclassering stond. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister in dit kader bij zijn afweging heeft mogen betrekken dat het gerechtshof deze bijzondere voorwaarde heeft gesteld om de kans op recidive te verminderen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de minister zich op het moment van het nemen van zijn besluit op bezwaar van 8 april 2008, gelet op de op dat moment verstreken tijd sinds de veroordeling, in samenhang met de terug te kijken termijn, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het risico voor de samenleving niet voldoende was afgenomen om afgifte van de VOG te rechtvaardigen. Dat [appellant] reeds jarenlang naar tevredenheid werkzaam is voor gemeenten in soortgelijke functies, betreft geen bijzondere omstandigheid waaraan de minister doorslaggevende betekenis had moeten toekennen.

2.8. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van willekeur. De minister heeft aan hem eerder ten behoeve van een gelijksoortige functie wel een VOG afgegeven. Hij acht het onbegrijpelijk en tevens onjuist dat, zoals de rechtbank stelt, de minister slechts toetst aan hetgeen door de werkgever op het aanvraagformulier is aangekruist.

2.8.1. Dit betoog faalt eveneens. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de minister niet in strijd met het verbod van willekeur heeft gehandeld. Dat aan [appellant] eerder een VOG is verleend ten behoeve van het uitoefenen van een, naar zijn oordeel, gelijksoortige functie hangt immers samen met het door de werkgever op het aanvraagformulier aangekruiste functieaspect. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister de aanvraag heeft mogen beoordelen op basis van gegevens zoals die zijn aangevinkt op het aanvraagformulier. De screening vindt immers plaats, zoals op het aanvraagformulier althans staat vermeld, op grond van de door de werkgever hierop aangekruiste functieaspecten. Zoals de minister in verweer stelt, is hetgeen de werkgever heeft aangekruist leidend voor de door hem uit te voeren screening. Hij corrigeert de aanvraag slechts dan, wanneer blijkt dat het op het aanvraagformulier vermelde evident onjuist is. Nu bij de eerdere aanvraag slechts het risicogebied "informatie" was aangekruist, heeft de minister destijds alleen de daartoe behorende risico's beoordeeld. In de thans onderliggende aanvraag heeft de werkgever naast het risicogebied "informatie", onder meer het risicogebied "diensten" aangekruist. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. De vraag of de minister de eerdere aanvraag voor een VOG had moeten corrigeren, kan in deze procedure niet aan de orde komen. Er is niettemin sprake van twee verschillende screenings, zodat de minister daarom niet kan hebben gehandeld in strijd met het verbod op willekeur.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009.

97-597.