Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1351

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
200900711/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 7 juni 2006 heeft de burgemeester van Venlo (hierna: de burgemeester) [appellant] een waarschuwing gegeven dat bij een volgende verstoring van de openbare orde in of vanuit de door [appellant] geëxploiteerde horeca-inrichting in het pand [locatie] te Venlo (hierna: de inrichting) de aan hem verleende vergunning zal worden ingetrokken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2009/268 met annotatie van C.L.G.F.H. Albers

Uitspraak

200900711/1/H3.

Datum uitspraak: 28 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 19 december 2008 in zaak nr. 08/513 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Venlo.

1. Procesverloop

Bij brief van 7 juni 2006 heeft de burgemeester van Venlo (hierna: de burgemeester) [appellant] een waarschuwing gegeven dat bij een volgende verstoring van de openbare orde in of vanuit de door [appellant] geëxploiteerde horeca-inrichting in het pand [locatie] te Venlo (hierna: de inrichting) de aan hem verleende vergunning zal worden ingetrokken.

Bij besluit van 22 november 2007 heeft de burgemeester de vergunning van [appellant] voor de duur van drie maanden ingetrokken.

Bij besluit van 29 februari 2008 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 december 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2009, hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 16 februari 2009 heeft de burgemeester het bezwaar van [appellant] tegen de waarschuwing van 7 juni 2006 niet-ontvankelijk verklaard.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2009, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. J.M.G. Vincken, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:6, aanhef en onder c, van de Algemene Plaatselijke Verordening Venlo (hierna: de APV) kan een vergunning, verleend krachtens de APV, ingetrokken worden indien de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen.

Ingevolge artikel 2:22 is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een inrichting te exploiteren.

2.1.1. De burgemeester hanteert bij de uitoefening van zijn bevoegdheden ingevolge de APV tot bestrijding van drugsoverlast beleid zoals neergelegd in de "Beleidsregels ter voorkoming en ter bestrijding van drugsoverlast", vastgesteld op 21 januari 2005. Volgens deze beleidsregels wordt een exploitatievergunning ingetrokken indien de exploitant / leidinggevende betrokken is bij de handel in verdovende middelen dan wel hem ter zake een verwijt kan worden gemaakt.

2.1.2. Op 22 maart 2006 heeft de burgemeester [appellant] een exploitatievergunning verleend. Voorschrift 2 van deze vergunning luidt: "ter voorkoming van verstoring van de openbare orde en/of aantasting van het woon- en leefklimaat is het verboden in de inrichting middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet (hard- en softdrugs), in welke hoeveelheden dan ook, aanwezig te hebben, te verkopen, af te leveren, te verhandelen of te verstrekken, dan wel zulks toe te staan of te gedogen".

2.2. De burgemeester heeft aan de in bezwaar gehandhaafde tijdelijke intrekking van de exploitatievergunning ten grondslag gelegd dat uit een rapport van de politie Limburg Noord is gebleken dat op 9 september 2007 vanuit de inrichting een grote hoeveelheid verdovende middelen is verkocht. In het bestreden besluit op bezwaar heeft de burgemeester daarenboven verwezen naar de aan [appellant] uitgebrachte schriftelijke waarschuwing van 7 juni 2006 in verband met een schietincident, een eerdere sluiting van de inrichting in verband met handel in verdovende middelen en een voornemen tot intrekking van de drank- en horecavergunning van 28 juni 2004.

2.3. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de burgemeester tijdens de hoorzitting in bezwaar geen hoor en wederhoor heeft toegepast. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, blijkt uit het verslag van de hoorzitting dat zowel de gemachtigde van [appellant] als hijzelf in de gelegenheid zijn gesteld het bezwaar mondeling toe te lichten. Hiermee heeft de burgemeester voldaan aan het vereiste ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2.4. [appellant] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de burgemeester in redelijkheid tot de tijdelijke intrekking van de exploitatievergunning heeft kunnen besluiten. Hij betwist het incident op 9 september 2007 en voert aan dat hem in ieder geval niets te verwijten valt. Voorts betoogt hij dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de intrekking van zijn exploitatievergunning een "criminal charge" oplevert in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). De rechtbank heeft evenmin onderkend dat de burgemeester niet is ingegaan op zijn bezwaren tegen de schriftelijke waarschuwing op 7 juni 2006, aldus [appellant].

2.4.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft gemotiveerd overwogen dat de burgemeester, gelet op het door de politie opgemaakte rapport en de daaraan ten grondslag liggende processen-verbaal, terecht heeft aangenomen dat op 9 september 2007 vanuit de inrichting is gehandeld in verdovende middelen. Hetgeen [appellant] in hoger beroep hiertegen heeft aangevoerd betreft een herhaling van wat hij al in beroep en in bezwaar heeft aangevoerd. Hierin bestaat geen grond het oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden. Anders dan [appellant] betoogt, is de tijdelijke intrekking van zijn exploitatievergunning geen "criminal charge" als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, nu deze intrekking niet is gericht op het toebrengen van concreet nadeel dat verder gaat dan herstel van de rechtstoestand vóór de verlening van de vergunning. Zijn stelling dat de burgemeester met name Turkse ondernemers onder de loep neemt, heeft hij niet onderbouwd.

Uit het bovenstaande volgt dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, voorschrift 2 van de exploitatievergunning is overtreden en de burgemeester ingevolge artikel 1:6, aanhef en onder c, van de APV bevoegd was de vergunning in te trekken. Wat betreft het betoog over de waarschuwing wordt verwezen naar hetgeen hieronder in 2.6. en 2.7 wordt overwogen. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd met betrekking tot het vermeende tewerkstellen door [appellant] van illegale Bulgaren en het voornemen tot sluiting van 28 juni 2004 behoeft geen bespreking omdat dit geen incidenten betreft die de burgemeester aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd.

De burgemeester heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit het rapport van de politie blijkt dat [naam], die in de vergunning als leidinggevende wordt vermeld, aanwezig was in de inrichting op 9 september 2007 en dat aannemelijk is dat hij betrokken was bij de handel in verdovende middelen. De intrekking van de exploitatievergunning is in zoverre in overeenstemming met de beleidsregels. Deze beleidsregels zijn naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. Wat de duur van de intrekking betreft heeft de burgemeester mogen aansluiten bij het in de beleidsregels genoemde beleid inzake de sluiting van een onderneming in geval van handel in drugs. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid aldus van zijn bevoegdheid tot intrekking van de exploitatievergunning gebruik heeft kunnen maken.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Bij het besluit van 16 februari 2009 heeft de burgemeester naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank en als aanvulling op het besluit van 29 februari 2008 alsnog beslist op de bezwaren tegen de waarschuwing van 7 juni 2006 en deze niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit wordt ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van voornoemde wet, geacht eveneens voorwerp te zijn van het geding.

2.7. Deze niet-ontvankelijk verklaring is juist. In de brief van 7 juni 2006 heeft de burgemeester [appellant] gewaarschuwd dat hij bij een volgende verstoring van de openbare orde over zal gaan tot intrekking van de exploitatievergunning. De burgemeester heeft zich terecht op het standpunt gesteld, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2006 (zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200409413/1&verdict_id=12609&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200409413/1&utm_term=200409413/1">200409413/1</a>), dat deze waarschuwing niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb. Een waarschuwing als deze, die geen wettelijke grondslag heeft, brengt geen wijziging in de rechtspositie van degene die wordt gewaarschuwd. Aan de betrokkene wordt daarbij geen verplichting opgelegd, hij wordt slechts gewezen op een reeds bestaande verplichting; evenmin wordt hem enig recht onthouden of ontnomen.

2.8. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 16 februari 2009 is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van de burgemeester van Venlo van 16 februari 2009 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.A. Idema, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Idema

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009

512.