Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1342

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
200905220/1/M2 en 200905220/2/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 mei 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een melkveehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 10 juni 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 20.1
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/956

Uitspraak

200905220/1/M2 en 200905220/2/M2.

Datum uitspraak: 21 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een melkveehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 10 juni 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 juli 2009, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghouder] en [appellant] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 oktober 2009, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door ing. E.J. Alblas en mr. H. Kussendrager, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] als partij gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het college betoogt dat [appellant], gelet op de afstand van zijn woning tot de inrichting, geen belanghebbende is bij het bestreden besluit.

2.2.1. [appellant] stelt in dit verband dat ter plaatse van zijn woning stankhinder kan worden ondervonden vanwege de inrichting. Hij verwijst hierbij naar een mestbassin in het naburige Annerveenschekanaal dat, hoewel beweerdelijk aan de geldende regelgeving werd voldaan, onacceptabele stankoverlast veroorzaakte. Verder wijst hij er op dat de koeien ook 's zomers op stal staan.

2.2.2. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan, voor zover hier van belang, een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.3. Wanneer krachtens de Wet milieubeheer een vergunning voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting of een zogenoemde revisievergunning wordt verleend, zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van deze inrichting kunnen worden ondervonden belanghebbenden.

2.2.4. De verleende vergunning ziet op het houden van 100 stuks vrouwelijk jongvee tot twee jaar in een stal met traditionele huisvesting, 138 stuks melkvee ouder dan twee jaar in een stal met eveneens traditionele huisvesting en 453 stuks melkvee ouder dan twee jaar in een loopstal met hellende vloer en giergoot of met roostervloer, beide met spoelsysteem. De afstand van de woning van [appellant] tot de inrichting bedraagt ongeveer 400 meter. Gelet op deze afstand en op de aard en de omvang van de inrichting is het niet aannemelijk dat ter plaatse van de woning van [appellant] milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden. Dat de koeien het hele jaar door in de stallen worden gehouden maakt dat niet anders. Verder is de omstandigheid dat een ander type inrichting op een andere locatie onaanvaardbare geurhinder zou veroorzaken, in dit verband niet relevant.

De conclusie is dat [appellant] geen belanghebbende, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is, zodat hij geen beroep op grond van artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer kon instellen.

2.3. Het beroep is niet-ontvankelijk.

2.4. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen om een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009

190-584.