Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1340

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
200903029/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2007 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) geweigerd aan appellante sub 2 (hierna: Mec) vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen voor het gebruik van het pand op het perceel Pascalweg 17 te Spijkenisse (hierna: het perceel) als medisch centrum ten behoeve van oogheelkundige diagnostiek en refractiechirurgie.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/902

Uitspraak

200903029/1/H1.

Datum uitspraak: 28 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Spijkenisse,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Mec B.V., gevestigd te Spijkenisse,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2009 in zaak nr. 08/1964 in het geding tussen:

appellante sub 2

en

appellant sub 1.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2007 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) geweigerd aan appellante sub 2 (hierna: Mec) vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen voor het gebruik van het pand op het perceel Pascalweg 17 te Spijkenisse (hierna: het perceel) als medisch centrum ten behoeve van oogheelkundige diagnostiek en refractiechirurgie.

Bij besluit van 7 april 2008 heeft het college het daartegen door Mec gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 maart 2009, verzonden op 24 maart 2009, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door Mec ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 april 2009, en Mec bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2009, hoger beroep ingesteld. Het college heeft de gronden aangevuld bij brief van 25 mei 2009. Mec heeft dat gedaan bij brief van 9 juni 2009.

Het college en Mec hebben elk een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. L.L. Scheppink, ambtenaar in dienst van de gemeente, bijgestaan door mr. J.R. van Angeren, advocaat te Amsterdam, en Mec, vertegenwoordigd door haar [bestuurder], bijgestaan door mrs. B. Th. Van Schouwenburg en A.M.D. van der Steeg, beiden advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Onderbouwing, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling van het bestemmingsplan verlenen in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, voor zover thans van belang, komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, een wijziging in het gebruik van opstallen in de bebouwde kom in aanmerking.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Halfweg-Molenwatering" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden".

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor, voor zover thans van belang, handels- en bedrijfsdoeleinden en ambachtelijke bedrijvigheid.

Ingevolge het tweede lid zijn op die gronden uitsluitend bedrijven toelaatbaar, die, voor zover thans van belang, vermeld staan in de Staat van bedrijfsactiviteiten en voldoen aan de zonering als bedoeld in artikel 6, lid c, onder 1.

Deze Staat van bedrijfsactiviteiten vermeldt onder SBI-code 93 de categorie "gezondheidszorg en veterinaire diensten" met als subcategorie "groepspraktijken, klinieken".

Ingevolge artikel 9, eerste lid, zijn gronden, aangewezen voor maatschappelijke doeleinden, bestemd voor, voor zover thans van belang, de dienstverlening ten behoeve van het openbaar bestuur, de dienstverlening van overheidswege, de dienstverlening door nutsbedrijven, het verenigingsleven, de godsdienstuitoefening, het onderwijs, de verzorging en huisvesting van bejaarden, medische, sociale, culturele en sportdoeleinden en daarmee gelijk te stellen instellingen.

2.3. Het college betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het beoogde gebruik van het perceel in overeenstemming is met de daarop rustende bestemming, heeft miskend dat uit de plantoelichting en de systematiek van het bestemmingsplan, in hun onderlinge samenhang bezien, volgt dat de plangever niet heeft bedoeld dat gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" worden gebruikt voor het aanbieden van medische voorzieningen.

2.3.1. Uit artikel 7 van de planvoorschriften volgt dat voor de beantwoording van de vraag of de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" gebruik ten behoeve van een medisch centrum toestaat in de eerste plaats moet worden onderzocht of gebruik als medisch centrum onder één of meer van de in het eerste lid van dit artikel omschreven doeleinden of bedrijvigheid valt. Eerst indien dat zo is, moet worden beoordeeld of de Staat van bedrijfsactiviteiten, bedoeld in het tweede lid, aan dat gebruik in de weg staat. Uit de Staat van bedrijfsactiviteiten kan niet reeds worden afgeleid, welke activiteiten onder de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" vallen.

Anders dan van de term "ambachtelijke bedrijvigheid", is de betekenis van de term "handels- en bedrijfsdoeleinden" in de planvoorschriften niet nader gedefinieerd. Ingevolge artikel 1, onder b, van de planvoorschriften wordt onder "ambachtelijke bedrijvigheid" verstaan: het bedrijfsmatig vervaardigen, bewerken of herstellen en het installeren van goederen, alsook het als ondergeschikte activiteit verkopen en/of leveren van goederen die verband houden met de uitgeoefende ambachtelijke bedrijvigheid. Niet in geschil is dat in het medisch centrum geen ambachtelijke bedrijvigheid plaatsvindt.

Nu de plankaart en de planvoorschriften op zichzelf, noch in hun onderlinge samenhang bezien, duidelijkheid bieden omtrent de vraag of de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" gebruik ten behoeve van een medisch centrum toestaat, heeft het college terecht aansluiting gezocht bij de plantoelichting en de systematiek van het bestemmingsplan. Volgens de plantoelichting is de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" aan gronden toegekend, teneinde met name handels-, haven-, petrochemie afgeleide en transportbedrijven plaats te kunnen bieden. Aan bestaande voorzieningen die niet in een directe relatie tot de omliggende bedrijven staan, zoals het tenniscomplex en scholengemeenschap Angelus Merula, zijn geen industrie- en bedrijfsmatige bestemmingen toegekend. Zo is aan de gronden waarop de scholengemeenschap is voorzien de bestemming "Maatschappelijke doeleinden", als bedoeld in artikel 9 van de planvoorschriften, toegekend. Aan de gronden waarop de bestaande voorzieningen zijn voorzien die wel in een directe relatie staan tot de behoefte van de omliggende bedrijven, zoals het Carlton Oasis Hotel, snackbar "Speedy" en het douanekantoor, zijn aparte, op de situatie toegesneden, bestemmingen toegekend. Nu in het bestemmingsplan een onderscheid is gemaakt tussen de bestemmingen "Bedrijfsdoeleinden" en "Maatschappelijke doeleinden", terwijl onder die laatste bestemming medische doeleinden zijn begrepen, moet worden aangenomen dat de plangever niet heeft beoogd dat de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" worden gebruikt ten behoeve van een medische voorziening. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het beoogde gebruik van het perceel strijdig is met de daarop rustende bestemming.

Het betoog slaagt.

2.4. Mec betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Staat van bedrijfsactiviteiten, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de planvoorschriften, bepalend is voor bestemming die op het perceel rust. Nu een medisch centrum onder SBI-code 93 van de Staat van bedrijfsactiviteiten valt, past het beoogde gebruik reeds daarom binnen de op het perceel rustende bestemming, aldus Mec.

2.4.1. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3.1. is overwogen, faalt dit betoog.

2.5. Mec betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte niet zelf in de zaak heeft voorzien, nu, gelet op het oordeel van de rechtbank dat het beoogde gebruik niet met de op het perceel rustende bestemming in strijd is, nog slechts één beslissing mogelijk is.

2.5.1. Hetgeen hiervoor onder 2.3.1. is overwogen brengt met zich dat ook dit betoog faalt.

2.6. Het door Mec ingestelde hoger beroep is ongegrond. Het door het college ingestelde hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de overige door Mec bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden beoordelen.

2.7. Mec betoogt dat het college ten onrechte heeft geweigerd om vrijstelling van het bestemmingsplan voor het gebruik van het perceel ten behoeve van een medisch centrum van het bestemmingsplan te verlenen.

2.7.1. Het in beroep aangevoerde geeft geen grond voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat verlenen van vrijstelling in strijd is met het gevoerde beleid, volgens hetwelk vrijstelling van het bestemmingsplan slechts wordt verleend voor grootschalige detailhandel en kleinschalige kantoren ten behoeve van zakelijke dienstverlening. Het college heeft voorts terecht geen bijzondere omstandigheden gesteld geacht die hem noopten te onderzoeken of aanleiding bestond om op die grond ten gunste van Mec van het gevoerde beleid af te wijken.

Het betoog faalt.

2.8. Het door Mec tegen het besluit van 7 april 2008 ingestelde beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het door Mec ingestelde hoger beroep ongegrond;

II. verklaart het door het college ingestelde hoger beroep gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2009 in zaak nr. 08/1964;

IV. verklaart het door Mec in die zaak tegen het besluit van het college van 7 april 2008 ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009

531.