Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1339

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
200902940/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lith (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning verleend voor het oprichten van elf appartementen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200902940/1/H1.

Datum uitspraak: 28 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 april 2009 in zaak nrs. 09/415 en 09/185 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Lith.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lith (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning verleend voor het oprichten van elf appartementen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 2 december 2008 heeft het college het door

appellanten daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herroepen en [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van tien appartementen op het perceel.

Bij uitspraak van 9 april 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 april 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2009, waar [appellanten], bijgestaan door mr. drs. H.A. Pasveer, advocaat te 's-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. A.M. Bakker, advocaat te Breda, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder], bijgestaan door mr. L.P.M. van Erp, advocaat te Oss, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kom Lith" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Dorpskom" met de nadere aanduiding "bedrijf".

Ingevolge artikel 3.1.1 van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn zodanige gronden bestemd voor bedrijfsdoeleinden.

2.2. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan. Teneinde realisering ervan toch mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening daarvan vrijstelling verleend ten behoeve van het oprichten van tien woonappartementen.

2.3. Ingevolge die bepaling, voor zover thans van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. De gemeenteraad kan deze bevoegdheid aan burgemeester en wethouders overdragen, aldus de bepaling.

2.4. [appellanten] drijven onder de [naam] op het naastgelegen perceel een onderneming waarin een kunstcentrum met een atelier, een kunstcafé en een terras worden geëxploiteerd. Zij betogen dat de voorzieningenrechter, door hen niet te volgen in hun betoog dat het college niet in redelijkheid vrijstelling van het bestemmingsplan heeft kunnen verlenen, heeft miskend dat de van het terras en atelier afkomstige geluidsbelasting aan een goed woon- en leefklimaat voor de bewoners van het appartementencomplex in de weg staat.

2.4.1. Het college heeft voor de beoordeling of ondanks de van het terras en atelier afkomstige geluidsbelasting een goed woon- en leefklimaat voor de bewoners van het appartementencomplex kan worden gewaarborgd, aansluiting gezocht bij het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit). Er is geen grond voor het oordeel dat het dit niet mocht doen.

2.4.2. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit, voor zover thans van belang, mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau vanwege het in werking zijn van de inrichting op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Voorts mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in in- en aanpandige gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan 35 dB(A) in de dagperiode.

Ingevolge artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder a, blijft bij het bepalen van de geluidsniveaus, bedoeld in onder meer artikel 2.17, het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting, buiten toepassing, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein.

2.4.3. Het terras van [naam] is een onverwarmd en onoverdekt terrein, als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit en geen binnenterrein, als bedoeld in die bepaling. Dit betekent dat het stemgeluid van personen op dit terras bij het bepalen van de geluidsniveaus, als bedoeld in artikel 2.17, buiten toepassing blijft. Onder deze omstandigheden heeft de voorzieningenrechter in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden om [appellanten] te volgen in hun betoog dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de van het terras afkomstige geluidsbelasting niet aan een goed woon- en leefklimaat voor de bewoners van het appartementencomplex in de weg staat.

2.4.4. [appellanten] betogen terecht dat de omstandigheid dat de binnenwaarde van de appartementen aan de norm van 35 dB(A) in de dagperiode zal voldoen, op zichzelf niet betekent dat een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd, reeds omdat de in artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit bedoelde binnenwaarde betrekking heeft op in- en aanpandige gebouwen en het in deze situatie niet daarom gaat.

In opdracht van [appellanten] heeft een deskundige in september 2008 akoestisch onderzoek gedaan naar de geluidsafstraling van het café, het atelier en het terras van [naam]. Gevonden is dat de geluidsbelasting van het atelier op de gevels van het appartementencomplex de norm van 45 d(B)A in de avondperiode overschrijdt. In het besluit van 2 december 2008 is het college op deze bevinding niet ingegaan. Voorts heeft het aan dit besluit geen anders luidend verslag van akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting van het atelier op de gevels van het appartementencomplex ten grondslag gelegd. Aldus heeft het niet toereikend gemotiveerd dat de van het atelier afkomstige geluidsbelasting niet aan een goed woon- en leefklimaat voor de bewoners van het appartementencomplex in de weg staat.

Het betoog slaagt.

2.5. [appellanten] betogen vervolgens dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat zij bij realisering van het bouwplan in hun bedrijfsvoering zullen worden belemmerd, nu hun de mogelijkheid wordt ontnomen het terras van [naam] in de toekomst te verwarmen.

2.5.1. Dat betoog faalt. [naam] beschikt thans niet over een verwarmd terras. Nu [appellanten] voorts ten tijde van het besluit van 2 december 2008 niet te kennen hadden gegeven dat zij concrete plannen hadden om de bedrijfsvoering op dat punt te wijzigen, heeft de voorzieningenrechter terecht in het aangevoerde geen grond gezien voor het oordeel dat het college de gevraagde vrijstelling ten onrechte niet in verband daarmee heeft geweigerd.

2.6. [appellanten] betogen ten slotte dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het appartementencomplex een zodanig negatieve invloed op de bezonning van het terras van [naam] zal hebben, dat het college in verband daarmee aanleiding had moeten zien de gevraagde vrijstelling te weigeren.

2.6.1. Ingevolge artikel 3.3.5 van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, mag op gronden met de aanduiding "bedrijf" een bedrijfsgebouw worden opgericht met een hoogte van maximaal 7,5 m.

De voorzieningenrechter heeft met juistheid door [appellanten] niet aannemelijk gemaakt geacht dat de schaduwwerking van het 9,3 m hoge appartementencomplex een zodanige verslechtering betekent ten opzichte van de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, dat het college niet zonder een bezonningsonderzoek te verrichten vrijstelling mocht verlenen. De voorzieningenrechter heeft in het in beroep aangevoerde verder terecht evenmin grond gevonden voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de schaduwwerking van het appartementencomplex niet aan het verlenen van vrijstelling in de weg staat.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellanten] tegen het besluit van 2 december 2008 ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

2.8. Met betrekking tot de vraag of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, wordt als volgt overwogen.

2.9. In opdracht van [vergunninghouder] is een deskundigenbericht uitgebracht naar aanleiding van onder meer het voormelde onderzoek van september 2008. In dat bericht worden de bevindingen van dat onderzoek in twijfel getrokken. Volgens het bericht zal de geluidsbelasting van het atelier op de gevels van het appartementencomplex maximaal 42 d(B)A) in de avondperiode bedragen.

In opdracht van het college is vervolgens in augustus 2009 akoestisch onderzoek gedaan naar onder meer de geluidsbelasting van het atelier op de gevels en balkons van het appartementencomplex. Volgens het rapport van 27 augustus 2009 van dat onderzoek is de geluidsbelasting van het atelier op de gevels en balkons maximaal 45 d(B)A in de avondperiode. Voor de rekenresultaten is bij dat onderzoek uitgegaan van eigen aannames. Volgens het rapport liggen de niveaus van het ateliergeluid circa 7 d(B)A hoger, indien wordt uitgegaan van de aannames uit het onderzoek van september 2008.

[appellanten] hebben aangevoerd dat in het deskundigenbericht ten onrechte een bedrijfsduurcorrectie is toegepast en het geluidsniveau in het atelier naar beneden is bijgesteld met minimaal 5 d(B)A. Voorts voeren zij aan dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aannames van het door hen uitgevoerde onderzoek onjuist zijn en uitgegaan moet worden van de aannames van het door het college uitgevoerde onderzoek.

Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 2 december 2008 in stand te laten.

2.10. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 april 2009 in zaak nrs. 09/415 en 09/185;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Lith van 2 december 2008, kenmerk R&W/2008-3831;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Lith tot vergoeding van de bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Lith aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 368,00 (zegge: driehonderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009

531.