Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1334

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
200904821/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 mei 2009 heeft de raad van de gemeente Borger-Odoorn (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Valthermond, vestiging melkveehouderij aan het Noorderdiep" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200904821/2/R3.

Datum uitspraak: 20 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [verzoeker sub 3], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Borger-Odoorn,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2009 heeft de raad van de gemeente Borger-Odoorn (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Valthermond, vestiging melkveehouderij aan het Noorderdiep" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2009, [verzoeker sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juli 2009, en [verzoeker sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2009, beroep ingesteld.

[verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] hebben bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 6 en 8 juli 2009, de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 30 september 2009, waar [verzoeker sub 2] in persoon, [verzoeker sub 1] in persoon en bijgestaan door mr. L. Boer, werkzaam bij Univé Rechtshulp, [verzoeker sub 3] in persoon en bijgestaan door mr. J.A. Wols, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door mr. drs. D. Rietberg, advocaat te Groningen, zijn verschenen.

Verder is de [maatschap], vertegenwoordigd door [gemachtigden] en R. van Bezoen, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] vinden de inplaatsing van een melkveehouderij aan het Noorderdiep te Valthermond waarin het plan voorziet, onwenselijk. Zij voeren aan dat de desbetreffende locatie hiervoor ongeschikt is en dat deze zich niet verdraagt met het beleid voor de inplaatsing van melkveehouderijen in de Veenkoloniën. [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] voeren verder aan dat de melkveehouderij aan het Noorderdiep zeer veel hinder voor omwonenden zal veroorzaken en dat een belangenafweging ontbreekt waarbij de belangen van omwonenden zijn betrokken.

2.3. Blijkens pagina 80 van het provinciaal omgevingsplan Drenthe staat binnen zone I van functiekaart 1 van dit omgevingsplan de uitoefening van grondgebonden landbouw op bedrijfseconomische grondslag voorop. In de Veenkoloniën is volgens het provinciaal omgevingsplan verder inplaatsing mogelijk van melkveehouderijen. Nu het Noorderdiep waar de inplaatsing van de melkveehouderij is voorzien deel uitmaakt van zone I en de Veenkoloniën, staat het provinciaal omgevingsplan in zoverre niet aan het plan in de weg. Dat, zoals [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 3] hebben aangevoerd, op ontwikkelingskaart 3 van het provinciaal omgevingsplan niet ter hoogte van het Noorderdiep, maar ter hoogte van een aantal zogenoemde tweederde wegen de aanduiding "inplaatsing melkveehouderij" is ingetekend, leidt niet tot een ander oordeel. De voorzitter neemt daarbij in aanmerking dat blijkens pagina 237 van het provinciaal omgevingsplan functiekaart 1 in beginsel voorrang heeft op ontwikkelingskaart 3. Verder neemt de voorzitter in aanmerking dat het detailniveau van ontwikkelingskaart 3 niet zodanig is dat daarvan tot op perceelsniveau kan worden afgeleid waar de inplaatsing van melkveehouderijen wenselijk wordt geacht.

2.4. Wat betreft de hinder van de melkveehouderij overweegt de voorzitter het volgende. Uit de plantoelichting komt naar voren dat de melkveehouderij, die op meer dan 100 meter afstand van de woningen van derden zal liggen, onder de werkingssfeer van het Besluit landbouw milieubeheer zal vallen. De melkveehouderij zal moeten voldoen aan de in de bijlage van het Besluit landbouw milieubeheer opgenomen voorschriften ten aanzien van onder meer geurhinder, geluid en verlichting. De melkveehouderij zal blijkens de stukken verder leiden tot een verwaarloosbare toename van in totaal 12 ritten per dag op het Noorderdiep waar de huidige verkeersintensiteit circa 500 voertuigen per etmaal bedraagt. Gezien het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vrees voor onaanvaardbare hinder vanwege de melkveehouderij, ongerechtvaardigd is.

2.5. Anders dan [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 3] hebben aangevoerd, heeft de raad bij de vaststelling van het plan de belangen van omwonenden betrokken. De raad heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat deze belangen in het onderhavige geval minder zwaar wegen dan het belang van de [maatschap] bij inplaatsing van de melkveehouderij aan het Noorderdiep. Hetgeen [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] hebben aangevoerd, geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

2.6. Voor zover [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] alternatieve locaties voor de vestiging van de melkveehouderij hebben bepleit, overweegt de voorzitter het volgende. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de thans gekozen locatie strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De door [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] bedoelde alternatieve locaties vormen reeds hierom geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden.

2.7. Gezien het vorenstaande bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Jansen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2009

399.