Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK1332

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
200905506/2/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2007 heeft de burgemeester van Naarden (hierna: de burgemeester) aan [vergunninghouder], een exploitatievergunning en een terrasvergunning verleend ten behoeve van een restaurant, gevestigd aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het restaurant).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200905506/2/H3.

Datum uitspraak: 21 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 16 juni 2009 in de zaken nrs. 09/1387, 09/1388, 09/1389 en 09/2354 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

de burgemeester van Naarden en het college van burgemeester en wethouders van Naarden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2007 heeft de burgemeester van Naarden (hierna: de burgemeester) aan [vergunninghouder], een exploitatievergunning en een terrasvergunning verleend ten behoeve van een restaurant, gevestigd aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het restaurant).

Bij besluit van 22 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Naarden (hierna: het college), voor zover thans van belang, voor het terras aan de voorzijde van het restaurant vrijstelling verleend van het bestemmingsplan "Naarden Vesting 1999" (hierna: het bestemmingsplan).

Bij besluit van 19 februari 2009 heeft de burgemeester het door [verzoeker] tegen het besluit van 10 oktober 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 20 mei 2009 heeft het college het door [verzoeker] tegen het besluit van 22 oktober 2008 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en medegedeeld de voor het terras aan de voorzijde van het restaurant verleende vrijstelling van het bestemmingsplan te zullen intrekken.

Bij uitspraak van 16 juni 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door [verzoeker] tegen het besluit van 19 februari 2009 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de burgemeester een nieuw besluit op het door [verzoeker] tegen het besluit van 10 oktober 2007 gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Voorts heeft de voorzieningenrechter het door [verzoeker] tegen het besluit van 20 mei 2009 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2009, hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 28 juli 2009 heeft de burgemeester, opnieuw beslissend op het door [verzoeker] tegen het besluit van 10 oktober 2007 gemaakte bezwaar, de bij dat besluit verleende exploitatievergunning gehandhaafd voor zover deze betrekking heeft op het terras aan de achterzijde van het restaurant en de verlening van een exploitatievergunning en een terrasvergunning ten behoeve van het terras aan de voorzijde van het restaurant alsnog geweigerd.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 september 2009, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De burgemeester en het college hebben tezamen een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 oktober 2009, waar [verzoeker], in persoon, en de burgemeester en het college, beide vertegenwoordigd door J. van den Heuvel en W. Kikkert, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghouder], in persoon en vergezeld van T.P. Nagtegaal, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoeker] heeft de voorzitter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de burgemeester en het college zodanig handhavend optreden dat het terras aan de voorzijde van het restaurant wordt verwijderd. [verzoeker] heeft de voorzitter tevens verzocht om te bepalen dat de ten behoeve van het terras aan de achterzijde van het restaurant verleende exploitatievergunning dient te worden ingetrokken. De voorzitter begrijpt het verzoek in zoverre aldus dat [verzoeker] wenst dat deze vergunning bij wijze van voorlopige voorziening wordt geschorst totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

2.3. Voor zover het verzoek betrekking heeft op het terras aan de voorzijde van het restaurant, overweegt de voorzitter dat op dat punt geen geschil meer bestaat, nu de burgemeester de ten behoeve van dat terras aangevraagde exploitatievergunning en terrasvergunning alsnog heeft geweigerd en het college heeft besloten tot intrekking van de voor dat terras verleende vrijstelling van het bestemmingsplan. Daarnaast leent de onderhavige procedure zich er niet toe om de burgemeester en het college tot handhavend optreden te gelasten. De procedure heeft uitsluitend betrekking op besluiten tot verlening van vergunningen en vrijstelling van een bestemmingsplan en niet op een besluit omtrent al dan niet handhavend optreden.

2.4. Voor zover het verzoek betrekking heeft op het terras aan de achterzijde van het restaurant, overweegt de voorzitter dat het niet aannemelijk is dat in de herfst- en wintermaanden gebruik zal worden gemaakt van dat terras. Derhalve heeft [verzoeker] in zoverre geen spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening.

2.5. Gezien het voorgaande, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Den Broeder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009

187-582.