Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK0850

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
200806087/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2008, kenmerk 2008-29773, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Wijdemeren (hierna: de raad) bij besluit van 3 februari 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Het Wijde Blik 2004".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010, 105

Uitspraak

200806087/1/R1.

Datum uitspraak: 21 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], beiden wonend [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. de stichting Stichting Commissie voor de Vecht en het Oostelijk en Westelijk Plassengebied, gevestigd te Weesp,

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2008, kenmerk 2008-29773, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Wijdemeren (hierna: de raad) bij besluit van 3 februari 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Het Wijde Blik 2004".

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 1]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2008, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2008, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2008, de stichting Stichting Commissie voor de Vecht en het Oostelijk en Westelijk Plassengebied (hierna: de Vechtplassencommissie) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2008, [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2008, en [appellant sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 september 2008, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 19 september 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 6], [Jachthaven] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 augustus 2009, waar [appellant sub 1], beiden in persoon en bijgestaan door mr. O.H. Minjon, advocaat te Opmeer, [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. K.J. Arends, [appellant sub 3], in persoon en bijgestaan door mr. E.C. Lambers, advocaat te Hilversum, de Vechtplassencommissie, vertegenwoordigd door P.A. Bakker en M.C. Smit, [appellant sub 5], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], [appellant sub 6], vertegenwoordigd door mr. S. Haak, advocaat te Den Haag, en A. van Dam, en het college, vertegenwoordigd door mr. K.J.T.M. Hehenkamp, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. A. van Dekken, ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij en [Jachthaven], vertegenwoordigd door mr. S.A.B. Boer, advocaat te Amsterdam, en [partij], als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

Toetsingskader

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Planbeschrijving

2.2. Het bestemmingsplan voorziet in een actualisering van twee verouderde, uit 1951 en 1976 daterende bestemmingsplannen voor het Vechtplassengebied. Het plan is gericht op het behouden van aanwezige waarden, het tegengaan van ongewenste ontwikkelingen en het stimuleren van gewenste ontwikkelingen en is grotendeels conserverend van aard.

Bestreden besluit

2.3. Het goedkeuringsbesluit van het college van 10 juni 2008 betreft een heroverwegingsbesluit naar aanleiding van de gedeeltelijke vernietiging van het vorige goedkeuringsbesluit van 13 september 2005 door de Afdeling in haar uitspraak van 20 december 2006 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200508487/1&verdict_id=15790&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200508487/1&utm_term=200508487/1">200508487/1</a>. Het college heeft thans, voor zover vereist, deels goedkeuring verleend en deels goedkeuring onthouden aan het bestemmingsplan.

Ontvankelijkheid

2.4. Het college en de raad betogen dat het beroep van [appellant sub 6] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat dit niet tijdig is ingediend.

2.4.1. Ingevolge artikel 29, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 28, zesde lid, van de WRO wordt, voor zover hier van belang, het besluit omtrent goedkeuring met het bestemmingsplan met ingang van de zesde week na de bekendmaking voor de duur van zes weken ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage gelegd. De terinzagelegging is hiermee bepaald op de eerste reguliere werkdag van de zesde kalenderweek na de bekendmaking.

Ingevolge artikel 56a, aanhef en onder b, van de WRO vangt de beroepstermijn voor een geval als hier aan de orde aan met ingang van de dag van terinzagelegging van het besluit omtrent goedkeuring overeenkomstig artikel 29, derde lid, van de WRO.

2.4.2. Het besluit omtrent goedkeuring van het college van 10 juni 2008 is bekendgemaakt op 2 juli 2008. De wettelijke beroepstermijn is derhalve, niettegenstaande de terinzagelegging van het goedkeuringsbesluit op 9 juli 2008, begonnen op maandag 11 augustus 2008 en, gelet op het bepaalde in artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet, geëindigd op maandag 22 september 2008. Het beroep van [appellant sub 6] is op 12 september 2008, derhalve tijdig, ingekomen. Hierin kan derhalve geen aanleiding worden gevonden het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

2.5. De Vechtplassencommissie stelt in beroep dat het college ten onrechte niet de vraag heeft beantwoord of het aan de [locatie] tussen de [locatie 3] en [locatie 4] op gronden met de bestemming "Opslag" gevestigde bedrijf daar gewenst is. Ook ontbreekt volgens haar voor dit plandeel een blauwe belijning op de plankaart.

2.5.1. De Afdeling overweegt dat, anders dan de Vechtplassencommissie heeft gesteld, ten aanzien van de desbetreffende gronden op de gewaarmerkte plankaart een blauwe belijning is aangebracht. Gelet hierop en gelezen de verwijzing naar de blauwe belijning in de beslissing van het college is aan het plandeel goedkeuring onthouden. Het beroep van de Vechtplassencommissie moet daarmee worden geacht te zijn gericht tegen de aan de onthouding van goedkeuring ten grondslag gelegde motivering.

In verband met de verplichting van de raad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, oordeelde de Afdeling in bestemmingsplanzaken op grond van de WRO dat niet slechts de onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in de beroepsprocedure ter beoordeling kon staan. Daarbij was het procesbelang gelegen in de verplichting het besluit van het college in acht te nemen bij het artikel 30-plan.

Op 1 juli 2008 is de WRO ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden.

Aangezien het goedkeuringsbesluit is bekendgemaakt na 30 juni 2008, staat vast dat voor de planonderdelen waaraan goedkeuring is onthouden een bestemmingsplan op grond van de Wro zal moeten worden vastgesteld.

De Wro noch het daarbij behorende overgangsrecht voorziet in een bepaling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan op grond van artikel 3.1 van de Wro een besluit tot onthouding van goedkeuring aan een onder de WRO totstandgekomen plan in acht neemt. Artikel 30 van de WRO heeft derhalve geen betekenis voor een op grond van de Wro vast te stellen bestemmingsplan.

Gezien het voorgaande bestaat geen belang bij de beoordeling van het beroep van de Vechtplassencommissie tegen de aan het besluit tot onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Opslag" voor gronden aan de [locatie] tussen de [locatie 3] en [locatie 4] ten grondslag liggende motivering. Dit impliceert dat haar bezwaren op dit punt aan de orde kunnen komen bij de totstandkoming van het bestemmingsplan onder de Wro.

2.5.2. Het beroep van de Vechtplassencommissie is in zoverre niet-ontvankelijk.

Algemeen bezwaar

2.6. De Vechtplassencommissie betoogt dat de raad ten onrechte geen voorbereidingsbesluiten heeft genomen voor de plandelen waaraan op 13 september 2005 en 10 juni 2008 goedkeuring is onthouden.

2.6.1. De omstandigheid dat geen voorbereidingsbesluiten zijn genomen, raakt de bestemmingsplanprocedure niet. Voor zover de Vechtplassencommissie van mening is dat een of meer voorbereidingsbesluiten zouden moeten worden genomen, kan zij zich met een verzoek tot de raad wenden.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.7. [appellant sub 1] stelt in beroep dat het college ten onrechte wederom goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" ten westen van jachthaven Brugzicht. [appellant sub 1] wenst zijn jachthaven ter plaatse van het plandeel uit te breiden. Hij acht de gegeven motivering dat een uitbreiding van de jachthaven zal leiden tot een vermindering van het natuurpotentieel en tot overlast voor omwonenden niet toereikend. Bovendien is een uitbreiding voor [jachthaven] wel mogelijk gemaakt, terwijl deze jachthaven volgens hem in een vergelijkbare situatie verkeert.

2.8. Het college van burgemeester en wethouders heeft in reactie op de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2006 onder meer gesteld dat een uitbreiding van bestaande jachthavens in beginsel binnen het bestemmingsvlak dient plaats te vinden. Een uitbreiding buiten het bestemmingsvlak leidt tot een vermindering van de natuurwaarden. Bovendien zal de door [appellant sub 1] gewenste uitbreiding een ontsluitingsroute langs bestaande woningen binnen bereik brengen. Het college van burgemeester en wethouders is van mening dat, gelet op de ligging van het gebied in de speciale beschermingszone Oostelijke Vechtplassen, door de exploitant van de jachthaven ten minste een onderzoek had moeten worden uitgevoerd naar de gevolgen van de uitbreiding voor de aanwezige natuurwaarden. In het kader van de planherziening zal de exploitant worden verzocht een dergelijk onderzoek te laten uitvoeren. Het college heeft zich bij het vorenstaande aangesloten met dien verstande dat het abusievelijk spreekt van het bouwvlak in plaats van het bestemmingsvlak. Nu een onderzoek naar de gevolgen voor de natuurwaarden niet is verricht, acht het college de gewenste uitbreiding strijdig met een goede ruimtelijke ordening.

2.9. Het plandeel waar [appellant sub 1] de jachthaven wenst uit te breiden is gelegen direct ten westen, in het verlengde, van de bestaande jachthaven en heeft de bestemming "Natuurgebied". Het bestaat uit een stuk grond met een breedte van ongeveer 30 meter, dat is begroeid met gras en wordt begrensd door bosschages.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Natuurgebied" aangewezen gronden bestemd voor doeleinden van natuur en landschap, zijnde het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden van het gebied.

2.10. In haar uitspraak van 20 december 2006 heeft de Afdeling inzake dit onderdeel van het beroep van [appellant sub 1] het volgende overwogen:

"2.18. In het bestreden besluit is aan de bestemming "Natuurgebied" ter plaatse goedkeuring verleend omdat uitbreiding van de jachthaven de natuurwaarden zal aantasten en tot overlast bij woonhuizen zal leiden. De omstandigheid dat het plandeel is gelegen in een gebied met hoge natuurwaarden betekent echter niet dat iedere uitbreiding van de jachthaven zonder meer moet worden uitgesloten. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt welke gevolgen de uitbreiding van de jachthaven zal hebben op de natuurwaarden. Mede er op gelet dat de gewenste uitbreiding beperkt is, op gronden die thans slechts zijn begroeid met gras, is niet zonder meer aannemelijk dat aantasting van natuurwaarden zo groot zou zijn dat uitbreiding van de jachthaven ter plaatse moet worden uitgesloten. Ook de stelling dat nabij gelegen woonhuizen mogelijk overlast zullen ondervinden is niet gemotiveerd.

Hieruit volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering.".

2.10.1. De Afdeling heeft vervolgens de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" voor het door [appellant sub 1] bedoelde gedeelte aansluitend aan het bestemmingsvlak "Jachthaven" voor jachthaven Brugzicht vernietigd.

2.11. Niet in geschil is dat ingevolge de bestemming "Natuurgebied" het gebruik van de gronden als jachthaven niet is toegelaten. In het bestreden besluit heeft het college gewezen op het belang van het natuurpotentieel. De gronden maken deel uit van een groter als "Natuurgebied" bestemd gebied. Deze gronden bevinden zich in het als Vogelrichtlijngebied Oostelijke Vechtplassen aangewezen gebied. De raad heeft een natuurbestemming passend geacht en hieraan willen vasthouden. Naar de gevolgen van de gewenste uitbreiding voor de te beschermen natuurwaarden is geen onderzoek gedaan. Zo tot een bestemmingswijziging zou worden gekomen had in ieder geval een dergelijk onderzoek moeten plaatsvinden. Dat het zonder nader onderzoek omzetten van natuurgronden in gronden ten behoeve van een jachthaven kan leiden tot ongewenste navolging elders, zoals het college heeft gesteld, acht de Afdeling niet onaannemelijk. In dat verband overweegt de Afdeling dat, gelet op de gekozen natuurbestemming waarmee het college kan instemmen, het initiatief voor het doen van een natuuronderzoek primair bij [appellant sub 1] ligt. Het college heeft het vorenstaande in redelijkheid aan zijn besluit ten grondslag kunnen leggen. Hetgeen [appellant sub 1] voor het overige heeft aangevoerd, maakt dat niet anders en kan derhalve buiten bespreking blijven.

2.11.1. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" dat grenst aan de gronden van jachthaven Brugzicht, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 1] is in zoverre ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 1] en de Vechtplassencommissie

2.12. [appellant sub 1] betoogt voorts dat, voor zover het college goedkeuring heeft verleend aan het plandeel voor de westelijk gelegen gronden van [jachthaven] (hierna: de westelijk gelegen gronden) alsmede aan de (verschuiving van de) aanduiding "bouwvlak" voor die jachthaven, deze goedkeuring niet is voorzien van een toereikende motivering. Met het oog op de ligging in een speciale beschermingszone is volgens hem onvoldoende onderzoek verricht. Ook is volgens [appellant sub 1] ten onrechte niet onderzocht of het plan in zoverre in overeenstemming is met het streekplan Noord-Holland Zuid (hierna: het streekplan).

Evenals [appellant sub 1] betoogt de Vechtplassencommissie dat aan de aanduiding voor het bouwvlak goedkeuring had moeten worden onthouden. Daarbij komt volgens haar dat een blauwe belijning op de plankaart ontbreekt. Ook voert de Vechtplassencommissie aan dat onduidelijkheid bestaat over de uitbreiding van [jachthaven] op de westelijk gelegen gronden. Onduidelijk is volgens haar aan welke plandelen het college in de vorige procedure goedkeuring heeft onthouden. Daarbij wijst zij met name op de plandelen met de bestemmingen "Jachthaven" en "Water met natuur- en landschapswaarde" aan de westzijde van [jachthaven].

2.13. Aan het plandeel voor de westelijk gelegen gronden van jachthaven] en het plandeel voor de gronden met de bestemming "Water met natuur- en landschapswaarde" heeft het college in zijn besluit van 13 september 2005 goedkeuring onthouden. Dit onderdeel van het besluit was geen onderwerp van geschil in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2006. De onthouding van goedkeuring aan die gronden is dan ook in rechte onaantastbaar. Uit het heroverwegingsbesluit valt niet af te leiden dat het college omtrent deze plandelen een besluit heeft genomen. Voor zover [appellant sub 1] en de Vechtplassencommissie menen dat alsnog goedkeuring is verleend aan de desbetreffende plandelen, missen hun beroepen feitelijke grondslag en zijn deze ongegrond.

2.14. Ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Jachthaven" voor [jachthaven] aan het [locatie] tussen de [locatie 5] en [locatie 6] is voorzien in de aanduiding "bouwvlak" met de medebestemming "*". Blijkens de plankaart betekent deze medebestemming: bedrijfsdoeleinden.

2.14.1. In haar uitspraak van 20 december 2006 heeft de Afdeling inzake dit onderdeel van de beroepen van [appellant sub 1] en de Vechtplassencommissie het volgende overwogen:

"2.38. De Afdeling begrijpt het standpunt van verweerder aldus, dat volgens hem kan worden uitgesloten dat het plan significante gevolgen heeft voor de speciale beschermingszone (hierna: SBZ) de Oostelijke Vechtplassen, omdat ook het vorige plan de mogelijkheid om de bestaande bebouwing uit te breiden met een bedrijfsloods al bevatte, zodat geen sprake is van een nieuwe ontwikkeling. Een bedrijf met als activiteit de in- en verkoop en reparatie van tuin- en parkmachines, watersportartikelen, gereedschappen en aanverwante artikelen kan, behoudens wat betreft de watersportartikelen, echter niet worden geacht te vallen onder de doeleindenomschrijving van de bestemming "Jachthaven" van het vorige plan. Gelet hierop heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de mogelijke verplaatsing van het bestaande bedrijf aan het Zuidereinde, waarvoor onderhavige bestemmingsregeling expliciet is opgenomen, niet kan worden aangemerkt als een nieuwe ontwikkeling.

2.38.1. De aanwijzing van een gebied als SBZ heeft het behoud van een gunstige staat van instandhouding of het herstellen van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna tot doel. Hieruit volgt dat bij de vraag of een plan significante negatieve effecten kan hebben voor een SBZ in de eerste plaats dient te worden uitgegaan van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. Bezien dient te worden of het plan gevolgen heeft voor deze instandhoudingsdoelstellingen. Of de geconstateerde gevolgen van een plan vervolgens als significant zijn aan te merken is afhankelijk van de mate waarin ten tijde van de planvaststelling aan de instandhoudingsdoelstellingen wordt voldaan en van de verhouding tussen de reeds aanwezige belasting van het gebied en de bijdrage van het plan daaraan.

2.38.2. Nu het plan feitelijk voorziet in een nieuwe ontwikkeling, die volgens het deskundigenbericht een toename van het geproduceerde geluid en een toename van de betreding van het gebied met zich brengt, heeft verweerder zich zonder onderzoek niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan geen significante gevolgen heeft voor de SBZ de Oostelijke Vechtplassen. Het onderzoek van 17 oktober 2005 dateert van na het bestreden besluit en kan reeds daarom bij de besluitvorming geen rol hebben gespeeld. Gelet hierop dient dit onderzoek hier buiten beschouwing te blijven.

Voorts is niet gebleken dat verweerder heeft onderzocht in hoeverre het plandeel in overeenstemming is met het Streekplan Noord-Holland Zuid.

2.38.3. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.".

2.14.2. De Afdeling heeft vervolgens de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Jachthaven" aan het [locatie] tussen de [locatie 3] en [locatie 4], voor zover daarop een bouwvlak is ingetekend met de medebestemming "*", vernietigd.

2.15. In het bestreden besluit heeft het college aan de hand van de reactie van het college van burgemeester en wethouders op de uitspraak van de Afdeling gesteld dat niet kan worden vastgesteld welke significante gevolgen het gebruik van de in het plan opgenomen bedrijfsloods heeft voor de speciale beschermingszone Oostelijke Vechtplassen. De specifieke medebestemming "*" dient volgens het college om die reden te vervallen. In het besluit onthoudt het college vervolgens goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Jachthaven" aan het [locatie] tussen de [locatie 3] en [locatie 4], voor zover daarop een bouwvlak is ingetekend met de aanduiding "*" voor een bedrijfsgebouw ten behoeve van de in- en verkoop en reparatie van tuin- en parkmachines, watersportartikelen, gereedschappen en aanverwante artikelen, zoals met blauwe omlijning is aangegeven op de plankaart. Op de plankaart is de medebestemming "*", anders dan de Vechtplassencommissie heeft gesteld, blauw omcirkeld.

2.16. De Afdeling verstaat het goedkeuringsbesluit op dit punt aldus dat het college goedkeuring heeft onthouden aan de medebestemming "*" en goedkeuring heeft verleend aan het plandeel "Jachthaven" met het daarop op de kaart ingetekende bouwvlak. Met het onthouden van goedkeuring aan de medebestemming "*" ten behoeve van bedrijfsdoeleinden is het gebruik van het bouwvlak in die zin niet langer mogelijk. Het bouwvlak kan hiermee alleen worden gebruikt voor doeleinden gerelateerd aan de jachthaven.

2.16.1. Uit het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat het bouwvlak voor de loods voor [jachthaven] gevolgen kan hebben voor de huidige doorvaartmogelijkheid van jachthaven Brugzicht. Voor die jachthaven was in het bestemmingsplan ten westen van de westelijk gelegen gronden een nieuwe doorvaartmogelijkheid voorzien waaraan het college in zijn vorige besluit eveneens goedkeuring heeft onthouden. Ook die onthouding van goedkeuring vormt geen onderwerp van geschil meer en is in rechte onaantastbaar. Het college heeft niet onderkend dat die onthouding van goedkeuring, waarmee derhalve de mogelijke nieuwe doorvaartmogelijkheid voor jachthaven Brugzicht is komen te vervallen, in samenhang bezien met het mogelijk gemaakte bouwvlak voor [jachthaven], gevolgen kan hebben voor de huidige doorvaartmogelijkheid van jachthaven Brugzicht. Het is derhalve niet nagegaan of de bouwmogelijkheid voor een loods voor [jachthaven] in verband daarmee in overeenstemming is met het criterium van een goede ruimtelijke ordening en of deze mogelijkheid, bezien in het licht van zijn eerdere onthouding van goedkeuring aan de nieuwe doorvaartmogelijkheid, kan worden gehandhaafd.

2.16.2. Hierbij komt dat het bestreden besluit onvoldoende inzicht biedt in de afweging van het college omtrent de vraag of de thans toegekende bouwmogelijkheid in overeenstemming is met het streekplan. Uit het rapport "Beoordeling beschermde soorten en beschermde gebieden locatie [Jachthaven]" van Bureau Waardenburg van 17 oktober 2005 volgt dat nu de ingreep plaatsvindt in de provinciale Ecologische Hoofdstructuur, deze compensatieplichtig is en dat de vorm van compensatie door het provinciebestuur zal moeten worden bepaald. Hieromtrent doet Bureau Waardenburg verschillende aanbevelingen. Ook in het geactualiseerde rapport van Bureau Waardenburg uit juli 2009 is dit aangegeven. Het bestreden besluit geeft evenwel op dit punt geen nader inzicht omtrent de invulling en uitvoering van mogelijke compensatieverplichtingen.

2.16.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en de Vechtplassencommissie hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Jachthaven" en de aanduiding "bouwvlak" is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen van [appellant sub 1] en de Vechtplassencommissie zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd. Hetgeen [appellant sub 1] en de Vechtplassencommissie inzake de gevolgen voor de speciale beschermingszone hebben aangevoerd, kan buiten bespreking blijven.

2.17. [appellant sub 1] en de Vechtplassencommissie betogen verder dat het college aan een te smalle strook grond tussen jachthaven Brugzicht en [jachthaven] goedkeuring heeft onthouden. Door slechts uit te gaan van een diepte van acht meter ontstaat volgens hen de facto een uitbreidingsmogelijkheid voor [jachthaven]. Nader onderzoek naar de gevolgen voor de natuurwaarden had moeten plaatsvinden. Ook is deze mogelijke uitbreiding niet getoetst aan het streekplan, aldus [appellant sub 1].

2.18. Tussen [jachthaven] en jachthaven Brugzicht bevindt zich een strook grond die deels bestaat uit grasland en deels is begroeid met elzen en struikgewas en die thans dient als afscheiding tussen de twee jachthavens. Deze grond heeft in het bestemmingsplan, evenals al de omliggende gronden, de bestemming "Jachthaven" gekregen. In het vorige bestemmingsplan was aan deze groenstrook gedeeltelijk een natuurbestemming toegekend.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Jachthaven" aangewezen gronden bestemd voor een veelheid aan functies. Een groene bufferzone is daarbij niet genoemd.

2.18.1. In haar uitspraak van 20 december 2006 heeft de Afdeling inzake dit onderdeel van de beroepen van [appellant sub 1] en de Vechtplassencommissie het volgende overwogen:

"2.42. Anders dan verweerder betoogt, voorziet de bestemming "Jachthaven" niet in een groene bufferzone. De bestemming "Jachthaven" maakt daarentegen juist een veelheid aan functies mogelijk die niet zijn te verenigen met het huidige gebruik als natuurlijke afscherming. Gebleken is dat verweerder dit niet heeft onderkend. Ook overigens is niet gebleken dat met het belang van [appellanten sub 1] bij behoud van de groenstrook rekening is gehouden. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.".

2.18.2. Gelet op deze overwegingen heeft de Afdeling het vorige goedkeuringsbesluit vernietigd waarbij zij op kaart III heeft aangegeven dat deze vernietiging ziet op een strook grond met een diepte van 20 meter en een breedte van 60 meter.

2.19. Het college heeft zich, in navolging van het college van burgemeester en wethouders, in het thans bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen bezwaren bestaan tegen het toekennen van een groenbestemming aan een strook grond tussen beide jachthavens. Hierbij gaat het uit van een landtong over een diepte van acht meter en een breedte van 60 meter. Direct zicht op [jachthaven] kan daarmee worden voorkomen, aldus het college.

2.20. Uit de stukken volgt en ter zitting is bevestigd dat het plandeel waaraan goedkeuring onthouden is, een landtong is met de mogelijkheid van afschermende beplanting en houtopstanden. Anders dan [appellant sub 1] en de Vechtplassencommissie ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat een diepte van acht meter, mede gelet op de aard en het gebruik van het gebied, in beginsel ontoereikend moet worden geacht voor de door het college met de onthouding van goedkeuring beoogde afschermende, groene invulling. Welke bestemming met welke voorschriften voor de strook grond in aanmerking komt, zal moeten worden bezien in het kader van de planherziening.

2.20.1. Door de onthouding van goedkeuring te beperken tot een strook grond met een diepte van acht meter kan [Jachthaven] in beginsel een uitbreiding van haar jachthaven verwezenlijken op de ten zuiden van die strook liggende gronden, die een diepte heeft van slechts enkele meters. Immers, het gebruik van die gronden is, gelet op de bestemmingsregeling, dan mogelijk ten behoeve van de jachthaven. Voor zover de beroepen van [appellant sub 1] en de Vechtplassencommissie zien op de goedkeuring van deze smalle zuidelijke strook grond overweegt de Afdeling in vergelijkbare zin als hiervoor in 2.16.2. ten aanzien van het plandeel voor het bouwvlak.

2.20.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en de Vechtplassencommissie hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de verlening van goedkeuring aan een strook grond ten zuiden van de van goedkeuring onthouden gronden niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen van [appellant sub 1] en de Vechtplassencommissie zijn ook in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd. Hetgeen [appellant sub 1] en de Vechtplassencommissie inzake de gevolgen voor de speciale beschermingszone hebben aangevoerd, kan buiten bespreking blijven.

2.21. De Afdeling ziet voorts aanleiding voor de volgende overwegingen.

Nu een onthouding van goedkeuring aan een gedeelte van de tussen jachthaven Brugzicht en [jachthaven] gelegen gronden als zodanig niet in geschil is en eerder al goedkeuring is onthouden aan de westelijk gelegen gronden zal voor delen van het gebied in en rond beide jachthavens een planherziening dienen te worden voorbereid. Tussen de gronden voor beide jachthavens bestaat een grote mate van samenhang. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding aan de plandelen waarvan zij, zoals overwogen in 2.16.3. en 2.20.2., de goedkeuring zal vernietigen, ook goedkeuring te onthouden.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.22. [appellant sub 3] stelt in beroep dat het college ten onrechte wederom goedkeuring heeft verleend aan de medebestemming "Recreatiewoning" voor zijn woning op het perceel [locatie 1] (voorheen genummerd: [locatie 2], kavel H20). [appellant sub 3] beoogt een permanente woonbestemming voor zijn woning te verkrijgen.

2.23. Het college stelt zich, in navolging van de reactie van het college van burgemeester en wethouders op de vorige uitspraak van de Afdeling, op het standpunt dat uit archiefonderzoek is gebleken dat geen sprake is van permanente bewoning van de recreatiewoning van [appellant sub 3]. Het college acht de medebestemming "Recreatiewoning", gelet op de ligging binnen de invloedssfeer van de ecologische hoofdstructuur en de speciale beschermingszone, passend.

2.24. In het plan heeft het terrein Het Rustpunt waar de woning van [appellant sub 3] zich bevindt, de bestemming "Natuurgebied" gekregen.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Natuurgebied" aangewezen gronden bestemd voor doeleinden van natuur en landschap, zijnde het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden van het gebied, voor de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven en daaraan ondergeschikt voor extensieve natuurgerichte recreatie. Ter plaatse waar dit op de plankaart als zodanig is aangeven, zijn de gronden, voor zover thans van belang, medebestemd voor een recreatiewoning.

Ingevolge artikel 27, tweede lid, onder d, wordt onder verboden strijdig gebruik in ieder geval verstaan het gebruik van recreatiewoningen, recreatieve woonschepen en stacaravans voor permanente bewoning.

2.24.1. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de planvoorschriften mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van het van kracht worden van het plan worden voortgezet of gewijzigd zolang en voor zover de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemming in dit plan naar de aard en omvang niet wordt vergroot.

Ingevolge het tweede lid mag het gebruik van recreatiewoningen en ligplaatsen voor woonschepen en de daarbij behorende gronden, dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, in afwijking van het eerste lid worden voortgezet voor zover het hierbij gaat om het gebruik als hoofdverblijf door bewoners die dit gebruik reeds uitoefenden voor de datum van terinzagelegging.

Ingevolge het derde lid is het bepaalde in het eerste en tweede lid niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd is met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

2.24.2. In haar uitspraak van 20 december 2006 heeft de Afdeling inzake het beroep van [appellant sub 3] het volgende overwogen:

"2.60.1. Het Rustpunt is een schiereiland in de plas Het Wijde Blik, circa 2,7 hectare groot. Volgens het deskundigenbericht wordt ongeveer 85% van het terrein in beslag genomen door recreatiewoningen, terrassen, vlonderpaden, steigers, schuren en bergingen. Daar tussendoor liggen stroken moerasbos. Op het terrein bevinden zich acht recreatiewoningen en twee stacaravans en aan de wal zijn zeven woonschepen gelegen. Het terrein heeft volgens het deskundigenbericht weinig natuurgebied.

[…]

2.60.9. Woning H20 wordt enige tientallen jaren door verschillende bewoners permanent bewoond, sinds 1996 door [appellant sub 3].

[…]

2.62.2. Door de medebestemming "Recreatiewoning" is permanente bewoning van de woningen […] en H20 evenmin als zodanig bestemd. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is met betrekking tot deze woningen evenwel niet uitgesloten dat permanente bewoning reeds is begonnen voordat het vorige plan onherroepelijk was. In dat geval is artikel 32, derde lid, van de planvoorschriften, op deze woningen niet van toepassing en mag het gebruik als hoofdverblijf door de huidige bewoners worden voortgezet. Gebleken is dat verweerder dit niet heeft onderkend, zodat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 3] is, voor zover ontvankelijk, gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.".

2.24.3. Gelet op deze overwegingen heeft de Afdeling het vorige goedkeuringsbesluit vernietigd voor zover het betreft de goedkeuring van de medebestemming "Recreatiewoning" van onder meer de woning H20 op het terrein Het Rustpunt.

2.25. [appellant sub 3] heeft in beroep een groot aantal verklaringen van derden overgelegd. De Afdeling acht aan de hand van deze verklaringen aannemelijk gemaakt dat vanaf ongeveer de jaren vijftig van de vorige eeuw tot aan het overlijden van de toenmalige bewoner in 1982 ter plaatse van de woning van [appellant sub 3] permanente bewoning heeft plaatsgevonden. Eveneens aannemelijk is dat [appellant sub 3] ter plaatse sinds eind 1996 of begin 1997 permanent woonachtig is. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de woning vanaf 1982 in verband met het overlijden van de toenmalige bewoner enige jaren niet is bewoond. Ook is de woning in die periode op enig moment geheel vernieuwd althans gedurende langere tijd opgeknapt. Vervolgens is de woning aan verschillende personen gedurende kortere periodes verhuurd geweest. Uit deze omstandigheden volgt naar het oordeel van de Afdeling dat niet kan worden volgehouden dat de in of rond de jaren vijftig van de vorige eeuw aangevangen permanente bewoning ter plaatse tot dusver ononderbroken heeft plaatsgevonden. Door de langdurige onderbreking van de permanente bewoning na de datum van het van kracht worden van het vorige bestemmingsplan uit 1976 kan [appellant sub 3] zich niet met vrucht beroepen op het overgangsrecht van dat bestemmingsplan. Gelet daarop heeft het college in het beroep van [appellant sub 3] op de woongeschiedenis ter plaatse om aldus een permanente woonbestemming te verkrijgen, geen aanleiding behoeven te zien aan de medebestemming "Recreatiewoning" voor deze woning goedkeuring te onthouden.

2.25.1. De Afdeling ziet ook anderszins geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een permanente woonbestemming ter plaatse niet aanvaardbaar is. In haar uitspraak van 20 december 2006 heeft de Afdeling reeds overwogen dat het college de bestemming "Natuurgebied" voor het terrein Het Rustpunt, gelet op de ligging in onder meer een speciale beschermingszone en in de ecologische hoofdstructuur van de provincie, in redelijkheid passend heeft kunnen achten. Het college heeft zich, in navolging van het college van burgemeester en wethouders, terecht op het standpunt gesteld dat een woonbestemming op Het Rustpunt strijdig is met het op dat terrein gerichte natuurbeleid. Met de belangen van [appellant sub 3] is daarbij in zoverre rekening gehouden doordat hij, zoals door de raad ter zitting is bevestigd, aanspraak kan maken op een persoonsgebonden gedoogstatus en derhalve ter plaatse met zijn gezin kan blijven wonen. Voor zover [appellant sub 3] nog heeft gewezen op de waardering van zijn woning in het kader van de Wet waardering onroerende zaken en de hernummering van zijn woning overweegt de Afdeling dat [appellant sub 3] daaraan niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan ontlenen dat de woning bij de procedure omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan als gewone woning, niet zijnde een recreatiewoning, wordt aangemerkt. De waardering in het kader van de Wet waardering onroerende zaken alsmede een hernummering van de woning zijn immers niet relevant bij het vaststellen van een bestemming in het belang van een goede ruimtelijke ordening.

2.25.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de medebestemming "Recreatiewoning" voor de woning [locatie 1] (voorheen: [locatie 2], kavel H20) niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.26. [appellant sub 2] stelt in beroep dat het college ten onrechte wederom goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" aan de [locatie] tussen de [locatie 3] en [locatie 4], ten zuiden van het daar aanwezige pad. Hij wenst dat het terrein overeenkomstig het feitelijke gebruik wordt bestemd voor de opslag van bouwmaterialen.

2.27. Het college is van mening dat aan de hand van overgelegde luchtfoto's is gebleken dat de als "Natuurgebied" bestemde gronden pas na 2003 in gebruik zijn genomen ten behoeve van opslag. Het gebruik valt derhalve volgens het college niet onder het overgangsrecht.

2.28. [appellant sub 2] exploiteert een transportbedrijf met verhuur van containers en grondverzet. Op zijn gronden aan de [locatie] tussen de [locatie 3] en [locatie 4] plaatst hij zijn materieel en containers en slaat hij bouw- en bestratingsmateriaal op.

2.28.1. Een deel van de gronden van [appellant sub 2] heeft de bestemming "Opslag" gekregen. Ingevolge artikel 15 van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Opslag" aangewezen gronden bestemd voor opslag voor bouwmaterialen en containers en voor erven, toegangswegen en parkeervoorzieningen.

Het gedeelte van het terrein dat ten zuiden ligt van het pad dat over het terrein loopt, heeft de bestemming "Natuurgebied" gekregen. Deze gronden hadden onder het vorige bestemmingsplan de bestemming "Gebied van landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde met agrarisch gebruik". Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de voorschriften van het vorige bestemmingsplan mochten gronden en bouwwerken die ten tijde van het onherroepelijk worden van het plan gebruikt werden voor een doel dat krachtens artikel 32 van dat vorige bestemmingsplan is verboden, voor dit doel in gebruik blijven.

2.28.2. Ingevolge artikel 32, derde lid, van de planvoorschriften is van de werking van het gebruiksovergangsrecht uitgesloten het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan.

2.29. In haar uitspraak van 20 december 2006 heeft de Afdeling inzake het beroep van [appellant sub 2] het volgende overwogen:

"2.56. Gelet op het verhandelde ter zitting kan niet worden uitgesloten dat het gebruik van een gedeelte van de gronden met de bestemming "Natuurgebied" voor opslag van bouwmaterialen en containers is aangevangen voor de inwerkingtreding van het vorige plan, zodat dit gebruik onder het vorige plan mogelijk zou zijn toegestaan op grond van het overgangsrecht. Verweerder heeft dit niet onderzocht, zodat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre dient te worden vernietigd.

2.57. Door de opslagactiviteiten als zodanig in het plan op te nemen houdt dit in, gelet op de activiteiten die op het terrein ontplooid werden, dat er voor gekozen is het bedrijf ter plaatse te laten voortbestaan zoals het functioneerde. Dat betekent dat het bedrijf daarvoor ook planologisch de mogelijkheden moeten worden geboden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is evenwel niet af te leiden dat de bestaande gebouwen die zich op het plandeel met de bestemming "Opslag" bevinden gelet op de aard en de omvang van de bedrijfsactiviteiten niet noodzakelijk zijn voor een goede bedrijfsvoering. Een nadere motivering voor het niet opnemen van de bestaande gebouwen mocht derhalve niet achterwege blijven. In dit verband had voorts moeten worden onderzocht in hoeverre een dienstwoning noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering, in hoeverre het bedrijf behoefte heeft aan uitbreidingsmogelijkheden en welk belang het bedrijf heeft bij een stapelhoogte van zes meter. Eerst dan kunnen de belangen van het bedrijf worden afgewogen tegen de belangen die het plan mede beoogt te beschermen. Van zodanig onderzoek is evenwel niet gebleken.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van [appellant sub 2] in zoverre gegrond is, zodat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre dient te worden vernietigd.".

2.29.1. Gelet op deze overwegingen heeft de Afdeling het vorige goedkeuringsbesluit vernietigd voor zover het betreft de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Natuurgebied" en "Opslag" aan de [locatie] tussen de nummers [locatie 3] en [locatie 4].

2.30. Uit de door het college van burgemeester en wethouders overgelegde luchtfoto's is met voldoende zekerheid af te leiden dat de bedrijfsactiviteiten van [appellant sub 2] op de thans als "Natuurgebied" bestemde gronden, derhalve de gronden ten zuiden van de als "Opslag" bestemde gronden, pas een aanvang hebben genomen op of omstreeks het jaar 2003. Dat wellicht al eerder incidenteel een container op de als "Natuurgebied" bestemde gronden is geplaatst, maakt dat niet anders. Hieruit volgt dat [appellant sub 2] in zoverre geen beroep op het overgangsrecht toekomt.

2.30.1. Met het oog op het door de Afdeling aangegeven onderzoek heeft het college alsnog goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Opslag". De Afdeling ziet niet in dat het college ook aan de strook gronden met de bestemming "Natuurgebied" goedkeuring had moeten onthouden om de door [appellant sub 2] gestelde reden dat in het kader van het onderzoek naar de omvang van de bedrijfsactiviteiten op de als "Opslag" bestemde gronden ook de als "Natuurgebied" bestemde gronden moeten worden betrokken. De noodzaak voor en behoefte aan uitbreiding staan immers nog niet vast en niet bij voorbaat is uitgesloten dat, zo een uitbreiding noodzakelijk wordt geacht, deze binnen de als "Opslag" bestemde gronden kan worden gerealiseerd.

2.30.2. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding het standpunt van het college dat voor de gronden met de bestemming "Natuurgebied" welke onderdeel uitmaken van een groot als zodanig bestemd gebied en zijn gelegen binnen de speciale beschermingszone Oostelijke Vechtplassen, een natuurbestemming passend dient te worden geacht en dat een uitbreiding van bedrijfsactiviteiten hier in beginsel niet in de rede ligt, onredelijk te achten.

2.30.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" aan de [locatie] tussen de nummers [locatie 3] en [locatie 4] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 5]

2.31. [appellant sub 5] stelt in beroep dat het college ten onrechte wederom goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" voor een deel van zijn perceel [locatie 7]. Op de desbetreffende strook grond staat volgens [appellant sub 5] al lange tijd een stacaravan en daarvoor hebben daar toercaravans gestaan. Het betreft volgens hem geen natuurgebied. [appellant sub 5] wenst een (verblijfs)recreatieve bestemming voor deze gronden.

2.32. Het college stelt zich, in navolging van het college van burgemeester en wethouders, op het standpunt dat de stacaravan geen onderdeel uitmaakt van de in het bestemmingsplan opgenomen recreatieobjecten. Hij acht een stacaravan op deze plaats uit een oogpunt van landschap en natuur ongewenst. Precedentwerking is verder niet uit te sluiten, aldus het college.

2.33. In de noordoosthoek van het perceel van [appellant sub 5] aan het [locatie 7] bevindt zich een stacaravan die wordt gebruikt voor recreatief verblijf. Aan dit gedeelte van het perceel is de bestemming "Natuurgebied" zonder de medebestemming "Recreatiewoning" toegekend.

2.33.1. Bij besluit van 25 juni 1991 heeft het college goedkeuring verleend aan de wijziging van het bestemmingsplan "Buitengebied I Het Wijde Blik". Bij die wijziging is aan onder meer het plandeel de bestemming "Recreatieve doeleinden III" toegekend. Ingevolge die bestemming waren, voor zover van belang, ten hoogste zeven caravans toegestaan. Op de plankaart was ter plaatse van de thans aan de orde zijnde gronden geen aanduiding opgenomen voor een stacaravan. Voor zeven caravans op aangrenzende gronden was voorzien in de aanduiding "plaats en aantal caravans".

2.33.2. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de planvoorschriften mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van het van kracht worden van het plan worden voortgezet of gewijzigd zolang en voor zover de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemming in dit plan naar de aard en omvang niet wordt vergroot.

Ingevolge het tweede lid mag het gebruik van recreatiewoningen en ligplaatsen voor woonschepen en de daarbij behorende gronden, dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, in afwijking van het eerste lid worden voortgezet voor zover het hierbij gaat om het gebruik als hoofdverblijf door bewoners die dit gebruik reeds uitoefenden voor de datum van terinzagelegging.

Ingevolge het derde lid is het bepaalde in het eerste en tweede lid niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd is met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Ingevolge artikel 33, eerste lid, mogen bestaande bouwwerken en woonschepen, die strijdig zijn met het plan, in afwijking van het bepaalde in artikel 32, gedeeltelijk worden vernieuwd, veranderd en vergroot, doch uitsluitend onder de nader in deze bepaling aangegeven voorwaarden.

Ingevolge het tweede lid is het eerste lid niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan, doch zijn gebouwd in strijd met het toen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

2.34. In haar uitspraak van 20 december 2006 heeft de Afdeling inzake het beroep van [appellant sub 5] het volgende overwogen:

"2.66. Uit het bestreden besluit blijkt niet waarom de bestaande stacaravan in de noordoosthoek van het perceel [locatie 7] niet als zodanig in het plan is opgenomen. Verweerder en de gemeenteraad verwijzen wat betreft het beroep van [appellant sub 5] slechts naar de motivering die is gegeven voor de afwijzing van zijn verzoek om op een gedeelte van het perceel, grenzend aan het Moleneind, een bouwmogelijkheid voor een woning op te nemen. Dit betreft echter een ander gedeelte van het perceel en heeft geen betrekking op zijn wens om de bestaande stacaravan recreatief te mogen gebruiken. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.

Het beroep van [appellant sub 5] is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre dient te worden vernietigd.".

2.34.1. Gelet op deze overwegingen heeft de Afdeling het vorige goedkeuringsbesluit vernietigd voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" aan het [locatie 7].

2.35. Uit de planvoorschriften, gelezen in samenhang met de plankaart, volgt dat het plaatsen van een stacaravan en het verblijfsrecreatieve gebruik daarvan ter plaatse van de door [appellant sub 5] bedoelde gronden niet zijn toegestaan. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat op het desbetreffende gedeelte van het perceel van [appellant sub 5] een stacaravan is geplaatst in of omstreeks 1987. De Afdeling overweegt voorts dat de toenmalige bestemming en eveneens de gewijzigde bestemming "Recreatieve doeleinden III", mede gelet op de kaart van het wijzigingsplan, een stacaravan ter plaatse niet mogelijk maakten. Gelet hierop kan [appellant sub 5] voor de stacaravan niet met vrucht beroep doen op het bouwovergangsrecht. Evenmin komt [appellant sub 5] een beroep toe op het gebruiksovergangsrecht. Hieruit volgt dat in zoverre voor de stacaravan en het gebruik daarvan geen regeling in het bestemmingsplan is opgenomen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college met het achterwege laten van een regeling niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen. Daarbij neemt zij in aanmerking dat niet is gebleken dat [appellant sub 5] in planologisch opzicht rechten toekomen op het door hem voorgestane gebruik en voorts dat de gronden onderdeel uitmaken van een groter als "Natuurgebied" bestemd gebied. De Afdeling vindt geen grond voor het oordeel dat het college een natuurbestemming ter plaatse in redelijkheid niet passend heeft kunnen achten. De enkele omstandigheid dat de gronden grenzen aan campinggronden met de bestemming "Verblijfsrecreatieve doeleinden" en dat voornemens bestaan de gronden samen te voegen maakt nog niet dat een dergelijke bestemming ook aan de desbetreffende gronden van [appellant sub 5] zou moeten worden toegekend. De gronden van [appellant sub 5] zijn immers reeds lang van het als "Verblijfsrecreatieve doeleinden" bestemde gebied afgescheiden. Dat het als zodanig bestemmen van de stacaravan zou kunnen leiden tot ongewenste precedentwerking acht de Afdeling voorts niet uitgesloten. Ter zitting is verder desgevraagd door de raad gesteld dat tegen de aanwezigheid en het gebruik van de stacaravan handhavend zal worden opgetreden. De Afdeling acht voldoende aannemelijk dat dit ertoe zal leiden dat de stacaravan binnen de planperiode zal zijn verwijderd.

2.35.1. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" voor een gedeelte van de gronden van [appellant sub 5] aan het [locatie 7] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 5] is ongegrond.

De beroepen van de Vechtplassencommissie en [appellant sub 6]

2.36. [appellant sub 6] stelt in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de aanduiding "Gebied waarvoor een wijzigingsbevoegdheid geldt" voor de als "Natuurgebied" bestemde gronden aan het [locatie 8]. Hij stelt dat hij op verzoek van het gemeentebestuur onderzoek naar de gevolgen van de bouw van een woning op dit perceel voor de speciale beschermingszone heeft laten verrichten. Hij betwijfelt de noodzaak een daarop gerichte onderzoeksverplichting in de wijzigingsvoorwaarden op te nemen.

De Vechtplassencommissie stelt om uiteenlopende redenen dat de wijzigingsmogelijkheid voor het perceel [locatie 8] ten onrechte in het plan is opgenomen. Het college had volgens haar deze mogelijkheid ten principale moeten afwijzen.

De Vechtplassencommissie stelt voorts in beroep dat het college wederom ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" eveneens voor het perceel [locatie 8]. Zij is van mening dat de aanduiding "vervenershuisje" ook had moeten worden toegekend aan de twee aan elkaar gebouwde schuurtjes bij dit huisje, die, ook al zijn deze later opgericht, daarmee een geheel vormen. Hiermee kan worden bewerkstelligd dat ook deze schuren gerestaureerd en gehandhaafd worden, aldus de Vechtplassencommissie.

2.37. Het college stelt zich, in navolging van het college van burgemeester en wethouders, op het standpunt dat aan de wijzigingsbevoegdheid een onderzoeksverplichting inzake de gevolgen voor de speciale beschermingszone moet en zal worden toegevoegd. Het heeft om die reden goedkeuring onthouden aan de wijzigingsbevoegdheid voor het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" voor het perceel [locatie 8].

Het college heeft het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" voor dit perceel goedgekeurd. Het stelt dat de bebouwing niet monumentaal beschermd is. Het college kan zich verenigen met het standpunt van het college van burgemeester en wethouders dat het geheel geen bouwkundig ensemble is omdat de schuren later zijn gerealiseerd dan het vervenershuisje.

2.38. De gronden aan het [locatie 8] hebben deels de bestemming "Natuurgebied" en deels de bestemming "Woondoeleinden" gekregen, beide met de gezamenlijke aanduiding "Gebied waarvoor een wijzigingsbevoegdheid geldt".

Ingevolge artikel 30, derde lid, onder 3.1, van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders in geval van sanering van bestaande ruimtelijk ongewenste functies of situaties, de bestemming wat betreft de nader op de plankaart aangegeven gronden, plaatselijk bekend als [locatie 8], wijzigen van "Natuurgebied" in "Woondoeleinden".

Ingevolge het derde lid, onder 3.2, voor zover van belang, kan van de onder 3.1 genoemde wijzigingsbevoegdheid slechts gebruik worden gemaakt indien aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

a. binnen de bestemming "Woondoeleinden" is de bouw van maximaal één woning toegestaan;

b. de voorgevel van de te bouwen woning dient minimaal 22 meter en maximaal 32 meter van de as van de weg te worden gesitueerd;

[...]

h. de bestaande woning (voormalig vervenershuisje) dient te worden gerestaureerd en dient te worden gehandhaafd als bijgebouw bij de woning.

2.39. In haar uitspraak van 20 december 2006 heeft de Afdeling inzake het beroep van de Vechtplassencommissie het volgende overwogen:

"2.51. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit het beleid met betrekking tot de groene en cultuurhistorische waarden en milieubeschermingsgebieden in het streekplan Noord-Holland Zuid niet voortvloeit dat de bouw van een nieuwe woning ter plaatse niet is toegestaan. In het bijzonder is functiewijziging mogelijk als daarmee een ruimtelijk ongewenste situatie wordt opgeheven. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat daarvan in dit geval van een botenaanlegplaats voor twintig boten met de daarbij behorende verkeersbewegingen en parkeerproblematiek sprake is. Dat zich thans ter plaatse feitelijk geen botenaanlegplaats meer bevindt, doet daaraan niet af, omdat dit het directe gevolg is van de voorgenomen functiewijziging.

De omstandigheid dat in 1995 (lees: 1994) een verklaring van geen bezwaar na een negatief advies van de Inspecteur (voeg in: niet) is afgegeven, betekent niet dat ook thans reeds daarom een nieuwe woning ter plaatse moet worden uitgesloten. In 1995 (lees: 1994) was het onderhavige streekplan immers nog niet in werking. Ook de feitelijke situatie was toen anders dan nu.

Aan de omstandigheid dat na wijziging een woning mogelijk kan worden gemaakt buiten het bebouwingslint heeft verweerder, mede gelet op het deskundigenbericht waaruit blijkt dat zich ook elders langs het Moleneind al woningen bevinden buiten de lintbebouwing, geen zwaar gewicht behoeven toe te kennen. Voorts is van belang dat als wijzigingsvoorwaarde is gesteld dat de doorzichten naar het achterliggende natuurgebied behouden moeten blijven dan wel moeten worden hersteld. Gelet hierop heeft verweerder er in redelijkheid van kunnen uitgaan dat door de bouw van een woning geen sprake zal zijn van ernstige aantasting van de cultuurhistorische waarde.

Verweerder heeft evenwel miskend dat met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven kan worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van de nieuwe bestemming op de SBZ-VR had derhalve niet mogen ontbreken. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het beroep van de Vechtplassencommissie is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre dient te worden vernietigd.

2.52. Gelet op het deskundigenbericht vormt het vervenershuisje met de twee aan elkaar gebouwde schuurtjes een ensemble. Door de schuurtjes buiten het bouwvlak te laten en de aanduiding "v" te beperken tot het bouwvlak is niet gewaarborgd dat het ensemble behouden blijft. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat aan de schuurtjes niet dezelfde bescherming behoort toe te komen als aan het vervenershuisje is toegekend. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering.

Het beroep van de Vechtplassencommissie is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre dient te worden vernietigd.".

2.39.1. Gelet op deze overwegingen heeft de Afdeling het vorige goedkeuringsbesluit vernietigd voor zover het betreft de goedkeuring van de aanduiding "Gebied waarvoor een wijzigingsbevoegdheid geldt" voor het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" aan het [locatie 8] en de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" aan het [locatie 8].

2.40. Uit de overwegingen van de Afdeling in haar uitspraak van 20 december 2006 volgt dat de wijzigingsbevoegdheid niet per definitie uitgesloten wordt geacht. De Afdeling ziet geen aanleiding hierover thans anders te oordelen. Voor zover de Vechtplassencommissie betoogt dat een wijzigingsbevoegdheid voor het perceel [locatie 8] uitgesloten had moeten worden, slaagt haar beroep derhalve niet.

2.40.1. Als gevolg van de vernietiging van de hiervoor genoemde planonderdelen is alleen het plandeel met de bestemming "Natuurgebied", behoudens de daarop gerichte wijzigingsbevoegdheid, in werking getreden. Doordat de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" is vernietigd, is ook de mede daarop betrekking hebbende goedkeuring van de wijzigingsbevoegdheid vernietigd. Met het thans bestreden besluit heeft het college goedkeuring onthouden aan de wijzigingsbevoegdheid voor zover deze ziet op het plandeel "Natuurgebied" en goedkeuring verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" met de tevens daarop rustende wijzigingsbevoegdheid. Hiermee heeft het college niet onderkend dat deze wijzigingsbevoegdheid niet deelbaar is. Er is immers in de voorschriften en op de plankaart een verband gelegd tussen de plandelen met de bestemming "Natuurgebied" en de bestemming "Woondoeleinden". Een besluit omtrent goedkeuring van de wijzigingsbevoegdheid voor het perceel [locatie 8] dient eenduidig te zijn voor de gehele wijzigingsbevoegdheid.

2.40.2. Het college heeft ingestemd met het standpunt van het college van burgemeester en wethouders dat in de herziening van het bestemmingsplan aan de wijzigingsvoorwaarden een onderzoeksverplichting inzake de gevolgen voor de speciale beschermingszone zal worden toegevoegd. Hiermee heeft het college geen acht geslagen op de, voor zover van belang, weergegeven Afdelingsuitspraak. Uit de uitspraak volgt immers dat het bedoelde onderzoek reeds moet worden verricht bij de vaststelling en goedkeuring van het bestemmingsplan, op welk moment wordt beoordeeld of de wijzigingsbevoegdheid als zodanig aanvaardbaar is. Het gevolg van het besluit van het college zou zijn dat een dergelijk onderzoek pas bij het geven van toepassing aan de wijzigingsbevoegdheid wordt verricht. De bevoegdheid zou daarmee echter al een gegeven zijn.

2.40.3. Uit 2.40.2. volgt dat hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarmee goedkeuring is onthouden aan de wijzigingsbevoegdheid voor het perceel [locatie 8] is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 6] is gegrond. Ook het beroep van de Vechtplassencommissie is daarmee in zoverre gegrond. Gelet op de hiervoor in 2.40.1. weergegeven samenhang dient het bestreden besluit voor zover dat ziet op zowel de onthouding van goedkeuring aan, als de goedkeuring van, de wijzigingsbevoegdheid voor het perceel [locatie 8] wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Aan een beoordeling van de door [appellant sub 6] ingebrachte natuurrapporten van Els & Linde B.V. komt de Afdeling niet toe, aangezien deze rapporten door de Vechtplassencommissie zijn bestreden en het college ter zitting heeft aangegeven hieromtrent geen standpunt te kunnen innemen.

2.41. Over de door de Vechtplassencommissie gewenste aanduiding ten behoeve van een restauratie- en handhavingsverplichting voor de schuren bij het vervenershuisje overweegt de Afdeling het volgende.

Het vervenershuisje en de noordelijk daarvan gelegen schuren, die buiten het bouwvlak met daarbij de aanduiding "vervenershuisje" zijn gehouden, vormen ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" samen een geheel en zijn jarenlang gecombineerd in gebruik geweest. Dit betekent echter niet dat het college deze gebouwen reeds om die reden als een geheel beschermenswaardig heeft moeten achten. Het vervenershuisje noch de schuren zijn beschermd als monument. De omstandigheid dat de monumentenprocedure in 1995 is gestart en ook anderszins onderzoek zou zijn gedaan naar een eventuele aanwijzing als monument, behoefde het college niet doorslaggevend te achten, aangezien die procedure en onderzoeken niet hebben geleid tot een dergelijke aanwijzing. Ook anderszins is niet aannemelijk gemaakt dat de schuren van grote cultuurhistorische waarde zijn. De schuren, die in slechte staat verkeren, zijn in latere tijdsperioden opgericht dan het vervenershuisje. De huidige bebouwingssituatie wijkt derhalve af van de oorspronkelijke situatie van rond het jaar 1900. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college, mede gelet op de in dit verband aan de raad toekomende beoordelingsvrijheid, niet in redelijkheid met de keuze van de raad om die oorspronkelijke situatie te behouden heeft kunnen instemmen. Dat de waarde van het geheel in de opvolgende bouw kan worden gevonden, zoals de Vechtplassencommissie heeft betoogd, heeft het college van onvoldoende gewicht behoeven te achten om daarover anders te oordelen.

2.41.1. De conclusie is dat hetgeen de Vechtplassencommissie heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" en de aanduiding "vervenershuisje" voor het perceel [locatie 8] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Vechtplassencommissie is in zoverre ongegrond.

Proceskosten

2.42. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 1], de Vechtplassencommissie en [appellant sub 6] te worden veroordeeld. Wat betreft [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de stichting Stichting Commissie voor de Vecht en het Oostelijk en Westelijk Plassengebied niet-ontvankelijk voor zover het betreft de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Opslag" voor gronden aan de [locatie] tussen de [locatie 3] en [locatie 4];

II. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1] en de stichting Stichting Commissie voor de Vecht en het Oostelijk en Westelijk Plassengebied gedeeltelijk en het beroep van [appellant sub 6] geheel gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 10 juni 2008, kenmerk 2008-29773, voor zover het betreft:

a. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Jachthaven" en de aanduiding bouwvlak voor [jachthaven];

b. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Jachthaven" voor een strook grond ten noorden van het onder a. bedoelde plandeel;

c. de goedkeuring van en de onthouding van goedkeuring aan de aanduiding "Gebied waarvoor een wijzigingsbevoegdheid geldt" voor het perceel [locatie 8];

IV. onthoudt goedkeuring aan de plandelen met de bestemming "Jachthaven" als bedoeld onder III.a. en III.b. zoals op de bij deze uitspraak behorende kaart gearceerd is aangegeven;

V. bepaalt dat deze uitspraak voor zover het betreft het onder IV. genoemde in de plaats treedt van het besluit van 10 juni 2008;

VI. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1] en de stichting Stichting Commissie voor de Vecht en het Oostelijk en Westelijk Plassengebied voor het overige en de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] geheel ongegrond;

VII. a. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 670,79 (zegge: zeshonderdzeventig euro en negenenzeventig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

b. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij de stichting Stichting Commissie voor de Vecht en het Oostelijk en Westelijk Plassengebied in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 26,79 (zegge: zesentwintig euro en negenenzeventig cent);

c. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub 6] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellanten sub 1], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

b. € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) voor de stichting Stichting Commissie voor de Vecht en het Oostelijk en Westelijk Plassengebied;

c. € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellant sub 5].

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Bechinka

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009

371.

<HR>

plankaart