Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK0834

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
200900779/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 december 2008 heeft de raad van de gemeente Tilburg (hierna: de raad)  het bestemmingsplan "Oude Stad Zuidwest 2008" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200900779/1/R3.

Datum uitspraak: 21 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], wonend te [woonplaats], en [appellante B], gevestigd te [plaats],

en

de raad van de gemeente Tilburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2008 heeft de raad van de gemeente Tilburg (hierna: de raad)  het bestemmingsplan "Oude Stad Zuidwest 2008" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellante B] (hierna in enkelvoud: [appellant]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2009, beroep ingesteld. [appellant] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 25 februari 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. K.M. Peters, advocaat te Tilburg, en de raad, vertegenwoordigd door mr. D.J. Kersten en R.C.A.M. van Groenendaal, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor een deel van het stedelijk gebied van Tilburg en heeft een conserverend karakter.

2.2. [appellant] betoogt dat het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 1] te klein is. Volgens [appellant] is daardoor een deel van de bestaande bebouwing op het binnenterrein ten onrechte niet als zodanig bestemd. [appellant] stelt in dat kader dat de bebouwing op het binnenterrein legaal is opgericht en verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2005, zaak nr. 200409545/1. [appellant] stelt voorts dat het plan in zoverre in strijd is met het gelijkheidsbeginsel nu bij de percelen aan de Meelstraat 35, de Korvelseweg 176-184, de Trouwlaan en de Diepenstraat 74a t/m 78a wel voor het hele bebouwde gedeelte een bouwvlak is opgenomen. [appellant] stelt daarnaast dat de begane grond in gebruik is als werkplaats met kantoor en magazijn en dat dit gebruik ten onrechte niet als zodanig is bestemd. [appellant] wenst primair dat aan het gehele perceel de bestemming "Wonen-Gestapeld (W-S)" wordt toegekend en subsidiair dat aan het perceel, in overeenstemming met het huidige gebruik op de begane grond als bedrijfsruimte, de bestemming "Gemengd II" wordt toegekend.

2.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er op het desbetreffende perceel geen sprake is van bedrijfsmatige activiteiten. Volgens de raad heeft op 6 november 2008 ter plaatse een inventarisatie plaatsgevonden en is toentertijd geen opslag van materialen aangetroffen. Ter zitting heeft de raad erkend dat de aanwezige bebouwing op het binnenterrein legaal is opgericht, doch zich op het standpunt gesteld dat het opnemen van een bouwvlak ter plaatse ongewenst is omdat daarmee hogere bebouwing zou worden toegelaten dan de thans ter plaatse aanwezige bebouwing. De raad heeft ter zitting voorts erkend dat de bestaande bebouwing ten onrechte onder de zogeheten bijgebouwenregeling is gebracht, aangezien de aanwezige bebouwing hoger is dan ingevolge de bijgebouwenregeling is toegestaan en bovendien het ter plaatse toegestane bebouwingspercentage wordt overschreden.

2.2.2. Aan het desbetreffende perceel is in het plan de bestemming "Wonen-Gestapeld (W-S)" met de nadere aanduiding "kantoor (k)" toegekend.

2.2.3. In het voorheen geldende plan had het perceel de bestemming "Gemengde doeleinden, aaneengesloten II (GDa II)". Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de voorschriften bij dat plan waren de gronden met de bestemming "Gemengde doeleinden, aaneengesloten (GDa II)" onder meer bestemd voor magazijnen en lichte bedrijvigheid.

2.2.4. Niet in geschil is dat de ter plaatse op het binnenterrein aanwezige bebouwing niet als zodanig is bestemd.

Gelet op de overgelegde foto's en de daarop gegeven toelichting, heeft [appellant] aannemelijk gemaakt dat de begane grond in gebruik is als werkplaats met magazijn. De Afdeling acht de eenmalige in opdracht van het gemeentebestuur verrichte inventarisatie in dit geval niet voldoende om op grond daarvan als vaststaand aan te nemen dat het pand niet wordt gebruikt als werkplaats en magazijn. De Afdeling stelt vast dat dit gebruik in overeenstemming is met de in het voorheen geldende plan ter plaatse geldende bestemming. Er is derhalve sprake van bestaand legaal gebruik. Het toekennen van de bestemming "Wonen-Gestapeld (W-S)" aan het perceel [locatie 1] betekent dat dit gebruik onder het overgangsrecht wordt gebracht, hetgeen slechts mogelijk is indien aannemelijk is dat dit gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Nu niet is gebleken dat het gemeentebestuur voornemens is tot aankoop van de desbetreffende gronden over te gaan, heeft de raad niet in redelijkheid aan het perceel de bestemming "Wonen-Gestapeld (W-S)" kunnen toekennen. In dat verband overweegt de Afdeling dat [appellant] ter zitting heeft aangegeven bereid te zijn het gebruik van de begane grond als werkplaats en magazijn te beëindigen, mits hij op het binnenterrein over extra bouwmogelijkheden kan beschikken teneinde enige flexibiliteit te hebben bij zijn plannen om de ter plaatse aanwezige woningen te vervangen. Gelet hierop ligt het op de weg van de raad een afweging te maken omtrent de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van de door [appellant] gewenste extra bouwmogelijkheden in relatie tot het al dan niet beëindigen van het bestaande legale gebruik van de begane grond als werkplaats en magazijn.

2.2.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant] tegen het plandeel met de bestemming "Wonen-Gestapeld (W-S)" en de nadere aanduiding "kantoor (k)" ter plaatse van het perceel [locatie 1] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd.

2.2.6. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen [appellant] overigens tegen het plandeel ter plaatse van het perceel [locatie 1] heeft aangevoerd geen bespreking.

2.3. [appellant] stelt dat aan de percelen [locatie 2] en [locatie 3] ten onrechte de bestemming "Wonen (W)" is toegekend. [appellant] voert aan dat ter plaatse een aantal zelfstandige wooneenheden aanwezig zijn. [appellant] wenst dat aan de desbetreffende percelen de bestemming "Wonen-Gestapeld (W-S)" wordt toegekend. [appellant] stelt in dat kader voorts dat de raad, blijkens de brief van 7 januari 2002, op de hoogte was van het feit dat het pand [locatie 2] uit meerdere zelfstandige wooneenheden bestond en dat hij gelet op een vooraanschrijving van het gemeentebestuur van 28 januari 2004 ervan uit mocht gaan dat het gemeentebestuur hiermee instemde. [appellant] stelt daarnaast dat het plan in zoverre in strijd is met het gelijkheidsbeginsel nu aan het perceel [locatie 4], overeenkomstig het feitelijk gebruik, de bestemming "Woningen-Gestapeld (W-S)" is toegekend. [appellant] wenst subsidiair dat aan het perceel, in overeenstemming met de laatst verleende bouwvergunning uit 1978, waarbij een café met bovenwoning is vergund, de bestemming "Gemengd II" wordt toegekend.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat ten tijde van de inventarisatie in het kader van het voorliggende plan weliswaar is geconstateerd dat de panden zijn gesplitst in een aantal wooneenheden, maar dat voor deze woningsplitsing geen vergunningen zijn afgegeven. Daarbij is gesteld dat gestapelde woningbouw uit stedenbouwkundig oogpunt slechts wenselijk wordt geacht langs historische linten en dat de Boekweitstraat geen historisch lint betreft. Verder is opgemerkt dat op het perceel [locatie 2] een bestuursdwangaanschrijving rust, teneinde de illegale woningsplitsing op te heffen. Wat betreft het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat bij het toekennen van de bestemming "Wonen-Gestapeld (W-S)" aan het perceel [locatie 4] betekenis is toegekend aan de omstandigheid dat ter plaatse al jaren sprake is van twee verschillende huisnummers. Voor zover [appellant] de bestemming "Gemengd II" wenst, stelt de raad dat deze bestemming niet aan de orde is omdat de Boekweitstraat in overwegende mate een woonstraat is en ter plaatse ook feitelijk geen café meer aanwezig is.

2.3.2. Aan de percelen is de bestemming "Wonen (W)" toegekend. Ingevolge artikel 15.1.1 van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor grondgebonden woningen. Ingevolge artikel 1, sub 46, van de planvoorschriften wordt onder grondgebonden woningen, voor zover thans relevant, verstaan: een met de grond verbonden woning bedoeld voor de huisvesting van één huishouden, met een zelfstandige ontsluiting op de begane grond en niet zijnde een gestapelde woning.

2.3.3. Voor zover [appellant] ter plaatse de bestemming "Wonen-Gestapeld (W-S)" wenst, wordt als volgt overwogen. Niet in geschil is dat voor de betreffende percelen geen splitsingsvergunning is afgegeven. Dat [appellant] ter zitting heeft betoogd dat hij het pand [locatie 3] in 1985 in reeds gesplitste staat heeft gekocht, laat onverlet dat de splitsing niet is vergund.

Uit de omstandigheid dat de vooraanschrijving van 28 januari 2004 geen betrekking heeft op de illegale splitsing van het pand [locatie 2], kan niet worden afgeleid dat splitsing van de woning legaal is. Aan deze brief kunnen derhalve, anders dan [appellant] betoogt, geen rechten worden ontleend in die zin dat het illegale gebruik in het voorliggende plan positief bestemd zou moeten worden.

Voor zover [appellant] betoogt dat aan het perceel [locatie 4] wel de bestemming "Wonen-Gestapeld (W-S)" is toegekend, volgt hieruit niet dat aan de percelen [locatie 2] en [locatie 3] niet de bestemming "Wonen (W)" kan worden toegekend. In dat verband overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting onweersproken heeft gesteld dat bij besluit van het college van burgemeester en wethouders voor het perceel [locatie 4], anders dan bij de percelen [locatie 2] en [locatie 3], twee verschillende huisnummers zijn toegekend en dat de raad, zoals ter zitting aangegeven, daaruit heeft afgeleid dat de dubbele bewoning ter plaatse kennelijk legaal moet worden geacht. Reeds daarom is niet aangetoond dat sprake is van gelijke gevallen.

Voor zover [appellant] ter plaatse de bestemming "Gemengd II" wenst, wordt overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestemming "Gemengd II" niet aan de orde is nu de Boekweitstraat in overwegende mate een woonstraat is en ter plaatse ook feitelijk geen café meer aanwezig is.

Gelet op het voorgaande en gelet op het gemeentelijk uitgangspunt dat gestapelde woningbouw uit stedenbouwkundig oogpunt slechts wenselijk wordt geacht langs historische linten en de Boekweitstraat geen historisch lint betreft, heeft de raad in redelijkheid aan de percelen [locatie 2] en [locatie 3] de bestemming "Wonen (W)" kunnen toekennen. Daarbij betrekt de Afdeling dat aan [appellant] bij besluit van 12 januari 2009 een last onder dwangsom is opgelegd met betrekking tot de illegale splitsing van het pand [locatie 2] en uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat ook terzake van de illegale splitsing van het pand [locatie 3] handhavend zal worden opgetreden.

2.3.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.4. [appellant] stelt dat de aan het perceel [locatie 5] en [locatie 6] toegekende planregeling ten onrechte leidt tot een inperking van onder het vorige plan ter plaatse toegestane bouwmogelijkheden. [appellant] wijst er in dat kader op dat onder het voorheen geldende plan ter plaatse bedrijfswoningen waren toegestaan. Volgens [appellant] is bovendien op het voorste deel van deze percelen aan de Meelstraat ten onrechte de bestemming "Wonen (W)" toegekend. [appellant] voert in dat kader aan dat deze bestemming niet overeenstemt met de feitelijke situatie nu het voorste deel van het perceel als bedrijfsterrein ten behoeve van [Autobedrijf] in gebruik is.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een dienstwoning ter plaatse niet aanwezig is en dat, gelet op het conserverende karakter van het plan, in het voorliggende plan niet is voorzien in de mogelijkheid van een dienstwoning ter plaatse. Daarbij is aangegeven dat het bovendien vanuit stedenbouwkundig oogpunt wenselijk wordt geacht bedrijvigheid en in verband daarmee ook het toestaan van nieuwe dienstwoningen, in de woonwijk te beperken. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat op basis van foto’s uit 2008 is geconstateerd dat het deel aan de straatzijde niet in gebruik is als opslagplaats voor auto’s.

2.4.2. In het plan is aan het perceel [locatie 5] en [locatie 6] de bestemming "Wonen (W)" zonder bouwvlak toegekend. Aan het achterste deel (hierna: het achterterrein) zijn tevens de aanduidingen "Bedrijf (b)" en "bebouwd erf" toegekend.

Ingevolge artikel 14.1.1 van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Wonen (W)" bestemd voor wonen, met dien verstande dat sprake is van grondgebonden woningen, en bouwwerken van algemeen nut. Ingevolge artikel 14.2.2., sub a, van de planvoorschriften mogen hoofdgebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd.

Ingevolge artikel 14.1.2, sub b, van de planvoorschriften zijn de gronden met de aanduiding "Bedrijf (b)", voor zover thans van belang, bestemd voor bedrijven met uitzondering van bedrijven als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder in samenhang met artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit van de Wet milieubeheer.

2.4.3. Zoals overwogen onder 2.4.1 is in het plan teneinde bedrijvigheid en daarmee dienstwoningen in een woonwijk te beperken, niet voorzien in de mogelijkheid van een dienstwoning ter plaatse.

Voor zover [appellant] betoogt dat de thans aan het perceel [locatie 5] en [locatie 6] toegekende planregeling tot een inperking van de onder het voorheen geldende plan toegestane bouwmogelijkheden leidt, wordt overwogen dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Daarbij wordt voorts overwogen dat de raad in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van het beperken van bedrijvigheid in de woonwijk en in verband daarmee aan het belang van het niet toestaan van nieuwe dienstwoningen dan aan het belang van [appellant] bij de door hem ter plaatse gewenste dienstwoningen.

Voor zover [appellant] betoogt dat het voorste deel van het perceel als bedrijfsterrein in gebruik is, wordt als volgt overwogen. Ter zitting is door [appellant] onweersproken gesteld dat zich op het achterterrein loodsen bevinden die onder meer worden gebruikt voor de opslag van auto's. Daarbij heeft [appellant] aangegeven dat het voorste deel gelegen aan de straatzijde wordt gebruikt als toegangsweg naar de op het achterterrein gelegen loodsen en bovendien wordt gebruikt voor het laden en lossen van auto's. Nu zich op het achterterrein loodsen bevinden die onder meer worden gebruikt voor de opslag van auto's, en deze loodsen slechts kunnen worden bereikt via het voorste deel van het perceel aan de straatzijde, heeft [appellant] aannemelijk gemaakt dat het voorste deel van het perceel aan de straatzijde wordt gebruikt voor bedrijfsdoeleinden. Niet in geschil is dat onder het voorheen geldende bestemmingsplan ter plaatse een bedrijfsbestemming gold, zodat ervan moet worden uitgegaan dat sprake is van bestaand legaal gebruik. Het toekennen van de bestemming "Wonen (W)" aan het voorste deel van het perceel aan de straatzijde betekent dat dit gebruik onder het overgangsrecht wordt gebracht, hetgeen slechts mogelijk is indien aannemelijk is dat dit gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Nu niet is gebleken dat het gemeentebestuur voornemens is tot aankoop van de desbetreffende gronden over te gaan, heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het hier aan de orde zijnde plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In dat verband overweegt de Afdeling voorts dat nu op het voorste deel van het perceel uitsluitend de bestemming "Wonen (W)" is toegekend zonder te voorzien in een bouwvlak voor woningen, verwezenlijking van deze bestemming binnen de planperiode ook om die reden niet aannemelijk wordt geacht.

2.4.4. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor zover daarbij aan het achterterrein van het perceel [locatie 5] en [locatie 6] de bestemming "Wonen (W)" en de nadere aanduiding "Bedrijf" (b) is toegekend, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.4.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor zover daarbij aan het voorste deel van het perceel [locatie 5] en [locatie 6] de bestemming "Wonen (W)" zonder nadere aanduiding "Bedrijf" (b) is toegekend, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het plan is in zoverre in strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening vastgesteld. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

2.5. [appellant] betoogt dat aan de percelen Paterstraat 39 onderscheidenlijk Meelstraat 35(a) ten onrechte de bestemming "Wonen (W)" en "Wonen-Gestapeld (W-S)" is toegekend. Volgens [appellant] wordt op beide percelen de begane grond gebruikt als autoshowroom en magazijn. Bovendien is volgens [appellant] op de bovenverdieping van het pand Paterstraat 39 een woning met kantoor gevestigd. [appellant] wenst dat aan beide percelen de bestemming "Gemengd-II" wordt toegekend.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat op beide percelen geen bedrijfsmatige verkoop van auto's plaats vindt. Volgens de raad worden ter plaatse slechts auto's geparkeerd behorende bij het autobedrijf van [appellant] dat gevestigd is aan de [locatie 5].

2.5.2. Op de plankaart komt het perceel Meelstraat 35(a) niet voor. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat daarmee het perceel wordt bedoeld dat op de kadastrale ondergrond van de plankaart is aangeduid als Meelstraat "35 t/m 35-06". Het perceel wordt hierna als Meelstraat 35 omschreven.

2.5.3. [appellant] heeft het gebruik van de begane grond van de Meelstraat 35 als showroom en magazijn aannemelijk gemaakt aan de hand van nadere stukken, waaronder foto's en verklaringen van omwonenden. [appellant] heeft het gebruik van de begane grond van de Paterstraat 39 als showroom en magazijn aannemelijk gemaakt aan de hand van een door hem overgelegde bouwtekening die volgens niet weersproken informatie van [appellant] behoort bij de laatst verleende bouwvergunning voor het perceel Paterstraat 39. Volgens deze bouwtekening is voor het perceel Paterstraat 39 een toonzaal met kantoorruimte vergund.

2.5.4. In het voorheen geldende plan had het perceel Meelstraat 35 de bestemming "Gemengde doeleinden, aaneengesloten (GDa)". Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de voorschriften bij dat plan waren de gronden met de bestemming "Gemengde doeleinden, aaneengesloten (GDa)" onder meer bestemd voor lichte bedrijvigheid en winkels.

2.5.5. De Afdeling stelt vast dat het door [appellant] aannemelijk gemaakte gebruik van de begane grond van het perceel Meelstraat 35 als showroom in overeenstemming is met de in het voorheen geldende plan ter plaatse geldende bestemming. Er is in zoverre sprake van bestaand legaal gebruik. Het toekennen van de bestemming "Wonen-Gestapeld (W-S)" aan het perceel Meelstraat 35 betekent dat dit gebruik onder het overgangsrecht wordt gebracht, hetgeen slechts mogelijk is indien aannemelijk is dat dit gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Nu niet is gebleken dat het gemeentebestuur voornemens is tot aankoop van de desbetreffende gronden over te gaan, heeft de raad niet in redelijkheid aan het perceel de bestemming "Wonen-Gestapeld (W-S)" kunnen toekennen.

Voor zover [appellant] betoogt dat aan het perceel Paterstraat 39 ten onrechte de bestemming "Wonen (W)" is toegekend, wordt overwogen dat nu voor het perceel Paterstraat 39 bouwvergunning is verleend voor een toonzaal met kantoorruimte en ter zitting onweersproken is gesteld dat van deze bouwvergunning gebruik is gemaakt, heeft de raad niet in redelijkheid aan het perceel de bestemming "Wonen (W)" kunnen toekennen.

2.5.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant] tegen de plandelen met de bestemming "Wonen (W)" onderscheidenlijk "Wonen-Gestapeld (W-S)" ter plaatse van de percelen Paterstraat 39 en Meelstraat 35 heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.6. Ten aanzien van het perceel Korvelseweg 190-200 betoogt [appellant] dat het ter plaatse opgenomen bouwvlak ten onrechte slechts een diepte van 12 meter heeft. [appellant] wijst er in dat kader op dat onder het voorheen geldende plan ter plaatse een bouwvlak gold van 15 meter diep en dat hij de afgelopen vier jaar plannen voor nieuwbouw heeft ontwikkeld waarbij steeds uitgegaan is van een bouwdiepte van 15 meter. Volgens [appellant] is het plan in zoverre bovendien in strijd met het gelijkheidsbeginsel nu voor onder meer de percelen aan de Korvelseweg 176-184 wel een bouwvlak met een diepte van 15 meter is opgenomen.

2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij bekend is met de nieuwbouwplannen van [appellant] maar dat ten aanzien van deze bouwplannen negatief is geadviseerd omdat bij de woningen geen buitenruimte aanwezig was. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat vanwege de bebouwing in de vorm van appartementencomplexen op naburige percelen, het stedenbouwkundig gezien wenselijk wordt geacht de bebouwingsmogelijkheden op dit deel van de Korvelseweg te beperken. Volgens de raad worden daarmee aantasting van de leefbaarheid en privacy van de desbetreffende appartementencomplexen alsmede ontsluitingsproblemen voorkomen.

2.6.2. In het plan is aan de percelen Korvelseweg 190-200 de bestemming "Centrum" toegekend. Ingevolge artikel 4.2.2, sub a en e, van de planvoorschriften mogen hoofdgebouwen met een maximaal toegestane bouwhoogte van 15 meter uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Op de plankaart is een bouwvlak met een diepte van 12 meter opgenomen. Aan de gronden grenzend aan het bouwvlak is de aanduiding "Bebouwd erf" toegekend. Het daarachter gelegen perceel, waarop zich een appartementencomplex bevindt, heeft de bestemming "Wonen-Gestapeld (W-S)". Ter plaatse is een bouwvlak opgenomen met een maximale bouwhoogte van 9 meter. De afstand tussen het bouwvlak ter plaatse van de percelen aan de Korvelseweg 190-200 met de bestemming "Centrum" en het bouwvlak van het appartementencomplex met een maximaal toegestane bouwhoogte van 9 meter, bedraagt 15 meter.

2.6.3. In het plan is ter plaatse van de naastgelegen percelen Korvelseweg 176-184 met de bestemming "Centrum" een bouwvlak met een diepte van 15 meter opgenomen. Dit bouwvlak grenst aan het bouwvlak van een daarachtergelegen appartementencomplex met de bestemming "Wonen-Gestapeld (W-S)", waarbij de bouwhoogte is gedifferentieerd in een maximale bouwhoogte van 4 meter en 15 meter. De afstand tussen het bouwvlak ter plaatse van de percelen aan de Korvelseweg 176-184 met de bestemming "Centrum" en het bouwvlak van het appartementencomplex met een maximaal toegestane bouwhoogte van 15 meter, bedraagt 6 meter.

2.6.4. Voor zover de raad ter zitting heeft betoogd dat in het plan, gelet op het conserverende karakter, uitsluitend de feitelijk bestaande situatie is vastgelegd, laat dat onverlet dat de raad bij de vaststelling van het plan de belangen van [appellant] bij het behoud van bestaande bouwmogelijkheden diende mee te wegen. Dit klemt te meer nu bij het gemeentebestuur niet onbekend was dat [appellant] van die mogelijkheden op één of andere wijze gebruik wilde maken.

Niet in geschil is dat ter plaatse van de percelen Korvelseweg 190-200, door het opnemen van een bouwvlak met een diepte van 12 meter, de bouwmogelijkheden worden beperkt ten opzichte van het voorheen geldende plan.

Nu het plan het mogelijk maakt ter plaatse van de percelen Korvelseweg 176-184 op een veel kortere afstand van het daarachtergelegen appartementencomplex bebouwing met een bouwhoogte van 15 meter op te richten, is de Afdeling van oordeel dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom het opnemen van een bouwvlak met een diepte van 15 meter ter plaatse van de percelen Korvelseweg 190-200 tot een aantasting van de leefbaarheid en privacy van omwonenden leidt. Nu voorts het opnemen van een dieper bouwvlak slechts ten koste gaat van de oppervlakte van de gronden met de aanduiding "Bebouwd erf" en daardoor het totale te bebouwen oppervlak ter plaatse niet toeneemt, is evenmin inzichtelijk gemaakt waarom het opnemen van een bouwvlak met een diepte van 15 meter leidt tot de door de raad gestelde ontsluitingsproblemen.

2.6.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant] terzake van het ontbreken van een bouwvlak met een diepte van 15 meter ter plaatse van de percelen Korvelseweg 190-200 heeft aangevoerd, aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

2.6.6. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant] te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Tilburg van 8 december 2008, voor zover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Wonen-Gestapeld (W-S)" en de nadere aanduiding "Kantoor (k)" ter plaatse van het perceel [locatie 1];

b. het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" zonder nadere aanduiding "Bedrijf (b)" ter plaatse van het perceel [locatie 5] en [locatie 6];

c. de plandelen met de bestemming "Wonen (W)" onderscheidenlijk "Wonen-Gestapeld (W-S)" ter plaatse van de percelen Paterstraat 39 en Meelstraat 35;

d. het plandeel met de bestemming "Centrum" ter plaatse van de percelen Korvelseweg 190-200, voor zover aan dat plandeel niet een bouwvlak met een diepte van 15 meter is toegekend;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Tilburg tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 670,50 (zegge: zeshonderdzeventig euro en vijftig cent), gedeeltelijk toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Tilburg aan [appellant A] en [appellante B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bosnjakovic, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Bosnjakovic

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009

410-525.