Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK0830

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
200809406/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet (hierna: het college) aan de vereniging "Vereniging Nationaal Jachtschietcentrum Berkenhorst" (hierna: de vereniging) bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een schietbunker, schietbioscoop en abri's, alsmede het aanbrengen van geluidwerende maatregelen bij de buitenschietplaatsen op het perceel Stakenbergweg 60 te Elspeet (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200809406/1/H1.

Datum uitspraak: 21 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Veluwe Bijzonder", gevestigd te Elspeet,

gemeente Nunspeet,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 13 november 2008 in zaak nr. 07/1740 in het geding tussen:

de stichting "Stichting Veluwe Bijzonder" en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet (hierna: het college) aan de vereniging "Vereniging Nationaal Jachtschietcentrum Berkenhorst" (hierna: de vereniging) bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een schietbunker, schietbioscoop en abri's, alsmede het aanbrengen van geluidwerende maatregelen bij de buitenschietplaatsen op het perceel Stakenbergweg 60 te Elspeet (hierna: het perceel).

Bij besluit van 14 november 2007 heeft het college, voor zover thans van belang, het door de stichting "Stichting Veluwe Bijzonder" (hierna: de stichting) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 november 2008, verzonden op 20 november 2008, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 januari 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de vereniging een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2009, waar de stichting, vertegenwoordigd door [voorzitter], en het college, vertegenwoordigd door G. de Vries, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de vereniging, vertegenwoordigd door drs. H.E. Winkelman, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het door haar op 1 december 2006 gemaakte bezwaar.

2.1.1. Het betoog slaagt. De rechtbank heeft in het geheel niet beslist op het door de stichting bij brief van 4 oktober 2007 ingestelde beroep tegen het ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht met een besluit gelijk gestelde niet tijdig nemen van een besluit op het door haar op 1 december 2006 gemaakte bezwaar. Met het indienen van dit beroep kon slechts worden bereikt dat alsnog een besluit zou worden genomen op het door de stichting gemaakte bezwaar. Ten tijde van de aangevallen uitspraak had het college dit alsnog gedaan bij besluit van 14 november 2007. In zoverre heeft de stichting dan ook geen belang meer bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Ook overigens is niet gebleken dat de stichting nog belang had bij de beoordeling van dit beroep, behoudens de vraag of aanleiding bestaat tot een proceskostenveroordeling over te gaan. Dat laatste geeft echter onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan. Indien, afgezien van de vraag of aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling, geen belang meer bestaat bij een beoordeling van de zaak, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Dit heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Agrarische enclave" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Recreatieve voorzieningen" met de aanduidingen "Rn 7: jachtschietvereniging" en "AW: archeologisch waardevol terrein".

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de als "jachtschietvereniging" aangewezen gronden bestemd voor een jachtschietvereniging en bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, zijn de als "archeologisch waardevol terrein" aangewezen gronden bestemd voor instandhouding van ter plaatse voorkomende of vermoede archeologische waarden.

Ingevolge artikel 20, tweede lid, gelezen in samenhang met de in het eerste lid bedoelde tabel, voor zover thans van belang, mogen op de als "jachtschietvereniging" aangewezen gronden uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken worden gebouwd.

Ingevolge artikel 20, derde lid, voor zover thans van belang, gelden voor het bouwen van gebouwen en andere bouwwerken als bedoeld in het tweede lid elf nader genoemde eisen.

2.3. De stichting betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte bouwvergunning heeft verleend. Hiertoe voert zij aan dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. In dit verband voert zij aan dat het als "Bos met meervoudige doelstelling" bestemde gebied rondom het perceel niet mag worden gebruikt als zogenaamd valgebied voor hagel en resten van kleiduiven.

Voorts verhouden de bouwactiviteiten zich volgens de stichting niet tot de archeologische waarden van het perceel en de directe omgeving. Zij verwijst in dit verband naar een advies van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek van 13 september 2004.

2.3.1. In de overwegingen van de aangevallen uitspraak is de rechtbank ingegaan op hetgeen in beroep door de stichting is aangevoerd met betrekking tot de archeologische waarden van het perceel. De stichting heeft geen redenen aangevoerd waarom de door de rechtbank gegeven weerlegging van de desbetreffende beroepsgrond en de daarbij betrokken argumenten in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zouden zijn.

Met betrekking tot hetgeen door de stichting voor het overige is aangevoerd over het gebruik van de gronden rondom het perceel, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college bij de beoordeling of het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan uitsluitend diende te toetsen aan de bouw- en gebruiksvoorschriften die betrekking hebben op het perceel waarop het bouwwerk volgens de aanvraag wordt opgericht. Gelet op artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften heeft de rechtbank in dit betoog van de stichting derhalve terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de in artikel 44, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet genoemde weigeringsgrond zich hier voordoet.

De omstandigheid dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland bij besluit van 20 maart 2001 onder meer goedkeuring heeft onthouden aan de in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften opgenomen bepaling met betrekking tot de maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte van bedrijfsgebouwen, en de raad niet heeft voldaan aan de verplichting om ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in zoverre een herziening van het bestemmingsplan vast te stellen, betekent evenmin dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. De onthouding van goedkeuring brengt slechts met zich dat het bedoelde bebouwingsvoorschrift geen onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan. De rechtbank heeft in dit verband dan ook terecht overwogen dat deze onthouding van goedkeuring, anders dan de stichting meent, niet met zich brengt dat de mogelijkheden om op het perceel te bouwen teniet zijn gedaan.

Het betoog faalt.

2.4. De stichting betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de aanvraag om bouwvergunning ingevolge de artikelen 52, eerste lid, en 52a, eerste lid, van de Woningwet had moeten worden aangehouden. Hiertoe voert zij aan dat ten tijde van de aanvraag om bouwvergunning geen vergunning krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) aan de vereniging was verleend, noch een aanvraag daartoe was gedaan. Verder is volgens de stichting sprake van ernstige bodemverontreiniging op het perceel. In dit verband verwijst zij naar een ontwerpbesluit van het college van gedeputeerde staten van 13 februari 2006.

2.4.1. Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, houden burgemeester en wethouders, in afwijking van artikel 46, eerste lid, de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning aan, indien er geen grond is de bouwvergunning te weigeren en het bouwen tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wm is vereist.

Ingevolge artikel 52a, eerste lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, houden burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning aan, indien er geen grond is de bouwvergunning te weigeren en uit het onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, blijkt dat de grond ter plaatse van het te bouwen bouwwerk in zodanige mate is verontreinigd dan wel bij hen uit andere hoofde een redelijk vermoeden bestaat dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

2.4.2. Indien de bouwvergunning in twee fasen wordt verleend, wordt ingevolge artikel 56a, vijfde lid, aanhef en onder e, van de Woningwet, voor zover thans van belang, in de artikelen 52, eerste lid, en 52a, eerste lid, van die wet in plaats van "aanvraag om bouwvergunning" telkens gelezen: aanvraag om bouwvergunning tweede fase. De vereniging heeft bij het college een aanvraag om bouwvergunning eerste fase ingediend. Gelet hierop, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat ten tijde van die aanvraag geen aanhoudingsplicht gold.

Het betoog faalt.

2.5. De stichting betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sprake is geweest van onzorgvuldige besluitvorming. Hiertoe voert zij aan dat het college zijn taak niet zonder vooringenomenheid heeft vervuld. Deze vooringenomenheid blijkt volgens de stichting uit het feit dat de verantwoordelijk wethouder zich in de media positief heeft uitgelaten over het bouwplan. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij onder meer verwezen naar een artikel in een regionaal dagblad.

2.5.1. Ingevolge artikel 2:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid.

2.5.2. Het betoog faalt. In hetgeen is aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat sprake is geweest van onzorgvuldige besluitvorming. Het enkele feit dat de wethouder zich in de media positief over het bouwplan heeft uitgelaten, brengt niet met zich dat het college heeft gehandeld in strijd met artikel 2:4, eerste lid, van de Awb.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij is nagelaten te beslissen op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het door de stichting op 1 december 2006 gemaakte bezwaar. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling dit beroep alsnog niet-ontvankelijk verklaren. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 13 november 2008 in zaak nr. 07/1740, voor zover daarbij is nagelaten te beslissen op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het door de stichting op 1 december 2006 gemaakte bezwaar;

III. verklaart het door de stichting "Stichting Veluwe Bijzonder" bij de rechtbank ingediende beroep tegen het met een besluit gelijk gestelde niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van 1 december 2006 niet-ontvankelijk;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet tot vergoeding van bij de stichting "Stichting Veluwe Bijzonder" in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 415,95 (zegge: vierhonderdvijftien euro en vijfennegentig cent), waarvan € 80,25 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet aan de stichting "Stichting Veluwe Bijzonder" het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Van Dorst

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009

357-593.