Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK0825

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
200902221/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 januari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) aan de eigenaar/beheerder van het nader omschreven vaartuig medegedeeld dat op - naar de Afdeling begrijpt: - 23 januari 2008 de naamloze vlet, welke gezonken lag afgemeerd in de Noordelijke Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder, nabij kilometerpaal 32,55 aan de rechterzijde, met toepassing van bestuursdwang is geborgen en vervoerd naar de provinciale dwanghaven te Heerhugowaard en daar is opgeslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200902221/1/H3.

Datum uitspraak: 21 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 17 februari 2009 in zaak nr. 08-5499 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) aan de eigenaar/beheerder van het nader omschreven vaartuig medegedeeld dat op - naar de Afdeling begrijpt: - 23 januari 2008 de naamloze vlet, welke gezonken lag afgemeerd in de Noordelijke Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder, nabij kilometerpaal 32,55 aan de rechterzijde, met toepassing van bestuursdwang is geborgen en vervoerd naar de provinciale dwanghaven te Heerhugowaard en daar is opgeslagen.

Bij besluit van 16 juli 2008 heeft het college het door [appellant], eigenaar van bedoelde vlet, daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 februari 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 maart 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Riessen, ambtenaar in dienst van de provincie, en A.C. van Ballegooijen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 122, eerste lid, van de Provinciewet is het provinciebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge artikel 5:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), ten tijde hier van belang, wordt een beslissing tot toepassing van bestuursdwang op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing is een beschikking. Ingevolge het vierde lid wordt in de beschikking een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen. Het bestuursorgaan omschrijft de te nemen maatregelen. Ingevolge het vijfde lid behoeft geen termijn te worden gegund, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet. Ingevolge het zesde lid zorgt het bestuursorgaan, indien de situatie dermate spoedeisend is dat het de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen, alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat geen bestuursdwang kon worden toegepast in verband met de illegale ligging van het bootje.

2.2.1. De door [appellant] gekozen ligplaats van de geklonken stalen, naamloze vlet was niet uitgezonderd van het ligplaatsverbod, zoals geregeld bij besluit van het college van 1 juli 1993, nr. 93900647. Dit besluit is genomen in het belang van:

a. het verzekeren van een veilig en vlot verloop van het scheepvaartverkeer;

b. het in stand houden van de scheepvaartweg en

c. het voorkomen of beperken van schade door de scheepvaart aan oevers en waterkeringen en het voorkomen van schade aan landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden.

Van het ligplaatsverbod is ontheffing mogelijk als deze belangen niet worden geschaad. Vaststaat dat [appellant] geen ontheffing van het college van dit verbod heeft gekregen. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het college bevoegd was ter zake handhavend op te treden. Hieraan doet niet af dat [appellant] van het Hoogheemraadschap van Rijnland de privaatrechtelijke toestemming zou hebben verkregen om de vlet op de plaats, waar deze is gezonken, af te meren.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

De rechtbank heeft terecht geen omstandigheden gezien waaronder van handhavend optreden had moeten worden afgezien. Het betoog van [appellant] faalt.

2.3. [appellant] betoogt dat er geen reden was om zonder het vaststellen van een begunstigingstermijn bestuursdwang toe te passen vanwege een gevaarlijke situatie.

2.3.1. Met de rechtbank wordt, gelet op het hierna volgende, overwogen dat het college de situatie terecht heeft beschouwd als één die acuut optreden vereiste. Niet in geding is dat de vlet in de ringvaart in gezonken toestand verkeerde. Het door het college aangevoerde, dat de stelling van [appellant] dat de vlet met drie touwen aan de vaste wal was bevestigd, niet maakt dat niet de mogelijkheid bestond dat de vlet ging schuiven en zou losbreken, is aannemelijk. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de ijzeren vlet vol met water was en dat het eigen gewicht van de vlet reeds 3,5 ton bedroeg. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat er was te vrezen dat de vlet los zou raken en daardoor gevaar voor de overige scheepvaart zou opleveren en dat er dus reden was om de boot meteen te lichten. Dat, zoals [appellant] betoogt, de vlet aan de onderzijde tevens was voorzien van twee skeggen en een "hak" met schroefconstructie, die in een gezonken situatie in de bodem zouden verdwijnen, maakt dit niet anders. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de technisch medewerker dit niet van tevoren kon vaststellen, nu de vlet in gezonken toestand verkeerde, en dat hij niet dan met grote inspanning notie van de onderzijde van de boot zou hebben kunnen nemen. Bovendien is niet onaannemelijk dat, gelet op de zwaarte van de vlet in gezonken toestand, dit vaartuig ondanks deze constructie toch een gevaar voor het overige scheepvaartverkeer kon gaan opleveren doordat het kon losraken van de kant en van de bodem. Daarnaast leidt ook de omstandigheid dat, zoals [appellant] stelt, in de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder slechts stapvoets mag worden gevaren, niet tot een ander oordeel omdat, zoals het college onweersproken heeft gesteld, het scheepvaartverkeer zich niet altijd houdt aan een maximumsnelheid. Derhalve is aannemelijk dat ondanks een lage maximumsnelheid ook daar zuigende werking van de scheepvaart mogelijk was. Het betoog van [appellant] faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. [appellant] verzoekt de Afdeling het college op grond van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van het onder bestuursdwang zonder aanzegging verwijderen van de vlet.

2.5.1. Ingevolge artikel 8:73, eerste lid, van de Awb, gelezen in verband met artikel 36, eerste lid, van de Awb, kan de Afdeling, indien zij het hoger beroep gegrond verklaart, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij de door haar aangewezen rechtspersoon veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.

Reeds omdat artikel 8:73 van de Awb niet de mogelijkheid biedt schadevergoeding toe te kennen ingeval het hoger beroep ongegrond wordt verklaard, dient het verzoek van [appellant] om toepassing van artikel 8:73 van de Awb te worden afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009

280-624.