Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK0821

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-10-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
200905729/1/M2 en 200905729/2/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 maart 2009, voor zover hier van belang, heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer (hierna: het college) [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast de inrichting aan de [locatie] te [plaats] vóór 1 juli 2009 in overeenstemming te brengen met de op 6 november 2007 verleende milieuvergunning. De dwangsom bedraagt € 50.000,00 per week met een maximum van € 500.000,00.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/645
AB 2010, 31

Uitspraak

200905729/1/M2 en 200905729/2/M2.

Datum uitspraak: 16 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2009, voor zover hier van belang, heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer (hierna: het college) [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast de inrichting aan de [locatie] te [plaats] vóór 1 juli 2009 in overeenstemming te brengen met de op 6 november 2007 verleende milieuvergunning. De dwangsom bedraagt € 50.000,00 per week met een maximum van € 500.000,00.

Bij besluit van 2 juli 2009, voor zover hier van belang, heeft het college voor het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de begunstigingstermijn verlengd tot 1 oktober 2009.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2009, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [appellante] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 oktober 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Heijsman, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Blijkens het bestreden besluit is door het college geconstateerd dat de stallen 2, 3 en 5 van de inrichting niet overeenkomstig de op 6 november 2007 verleende milieuvergunning (hierna: de vergunning) waren voorzien van een centraal afzuigkanaal. Daarnaast waren de stallen 6 en 7 nog niet gerealiseerd en ten gevolge hiervan nog niet overeenkomstig de vergunning voorzien van een geïntegreerde luchtwasser waarmee een ammoniakreductie wordt bereikt van 95%. Stal 4 was als gevolg hiervan ook nog niet overeenkomstig de vergunning aangesloten op de genoemde luchtwasser.

Niet is bestreden dat de inrichting ten tijde van het nemen van het primaire besluit niet overeenkomstig de vergunning in werking was. Gelet hierop werd in strijd gehandeld met artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet milieubeheer, zodat het college ter zake bevoegd was tot handhavend optreden.

2.3. [appellante] stelt dat de haar gegeven termijn waarbinnen de inrichting in overeenstemming dient te worden gebracht met de vergunning, zonder dat een dwangsom wordt verbeurd, te kort is. Zij voert hiertoe aan dat de vergunning pas op 17 december 2008 onherroepelijk is geworden. Voorts is pas op 10 februari 2009 een besluit genomen op het bezwaar tegen het besluit van 6 mei 2008 tot verlening van de bouwvergunning voor het wijzigen van de inrichting. [appellante] stelt dat direct vanaf het moment dat deze bouwvergunning onherroepelijk is geworden, een aanvang is gemaakt met de bouwactiviteiten. Gelet op de omvang van de bouwactiviteiten en de bouwvakantie zal de inrichting echter niet binnen de gestelde termijn overeenkomstig de vergunning in werking kunnen zijn, aldus [appellante].

2.3.1. Het college stelt in het bestreden besluit dat de gestelde termijn, gelet op de aard en omvang van de uit te voeren werkzaamheden en de door [appellante] reeds aangevangen bouwactiviteiten, niet onredelijk is. Daarbij stelt het college dat [appellante] zelf de termijn van 1 oktober 2009 voor het voltooien van de werkzaamheden als toereikend heeft voorgesteld.

2.3.2. De voorzitter stelt vast dat het college bij het stellen van de begunstigingstermijn rekening heeft gehouden met hetgeen [appellante] zelf herhaaldelijk - in haar bezwaarschrift van 16 april 2009 en tijdens de zitting van 12 mei 2009, waar het verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van het primaire besluit is behandeld - als haalbaar heeft aangegeven. Daarnaast waren het college geen feiten of omstandigheden bekend op grond waarvan het niettemin een ruimere termijn had moeten stellen. Onder deze omstandigheden heeft het college de begunstigingstermijn tot 1 oktober 2009 in redelijkheid kunnen stellen. Dat [appellante] voor het voltooien van de noodzakelijke werkzaamheden mede afhankelijk is van derden, maakt dat niet anders.

De beroepsgrond faalt.

2.4. [appellante] stelt dat de hoogte van de dwangsom onevenredig is.

2.4.1. Ter zitting en uit de stukken is gebleken dat [appellante] ten tijde van het nemen van het besluit van 9 maart 2009 al was begonnen met de bouwactiviteiten die moesten resulteren in naleving van de vergunning. Nadien, ook ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, zijn die bouwactiviteiten voortgezet, zodat niet behoefde te worden gevreesd dat de [appellante] de inrichting langdurig in strijd met de vergunning in werking zou houden of dat de maatschap onwillig zou zijn om de inrichting met die vergunning in overeenstemming te brengen. Verder werden toentertijd geen dieren meer gehouden in stal 1, waardoor de geurhinder is verminderd. Gelet op deze omstandigheden en de ten tijde van het bestreden besluit reeds gedane investeringen, is de voorzitter van oordeel dat een bedrag van € 50.000,00 per week dat de inrichting niet in overeenstemming is gebracht met de vergunning, niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. De beroepsgrond slaagt.

2.5. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het de hoogte van de dwangsom betreft. Het beroep is voor het overige ongegrond. De voorzitter ziet aanleiding om op hierna te melden wijze in de zaak te voorzien en de hoogte van de dwangsom vast te stellen op € 20.000,00 per week met een maximum van € 200.000,00.

Er zij nog opgemerkt dat de voorzitter het primaire besluit bij uitspraak van 12 mei 2009, in zaak nr. 200902421/1/M2, heeft geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat - zoals in dit geval - indien binnen die termijn is verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist, zodat de dwangsommen eerst worden verbeurd vanaf de datum van de verzending van de uitspraak.

2.6. Gelet op het bovenstaande ziet de voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer van 2 juli 2009, kenmerk O-BOC/2009/808, voor zover het de hoogte van de dwangsom betreft en het maximaal te verbeuren bedrag (€ 50.000 per week respectievelijk € 500.000);

III. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer van 9 maart 2009, kenmerk RB/2007/6884, voor zover het de hoogte van de dwangsom betreft en het maximaal te verbeuren bedrag (€ 50.000 per week respectievelijk € 500.000);

IV. bepaalt dat de hoogte van de dwangsom ten aanzien van in het overeenstemming brengen van de inrichting met de vergunning van 6 november 2007 wordt vastgesteld op € 20.000,00 (zegge: twintigduizend euro) per week met een maximum van € 200.000,00 (zegge: tweehonderdduizend euro);

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;

VI. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VII. wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep en het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 594,00 (zegge: vijfhonderdvierennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2009

190-584.