Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK0809

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
200903299/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van 23 woningen in de derde fase van de te ontwikkelen woonwijk Woerdblok, plaatselijk bekend "Waterrijk", te Naaldwijk (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/628
AB 2010, 124

Uitspraak

200903299/1/H1.

Datum uitspraak: 21 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Westland,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 april 2009 in zaak nr. 08/4365 in het geding tussen:

[wederpartijen], wonend te [woonplaats], gemeente Westland,

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van 23 woningen in de derde fase van de te ontwikkelen woonwijk Woerdblok, plaatselijk bekend "Waterrijk", te Naaldwijk (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 2 april 2009, verzonden op 3 april 2009, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 mei 2008 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 mei 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 juni 2009.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft vergunninghoudster een nader stuk ingediend.

[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.F. Groot, advocaat te Amsterdam, is verschenen. Voorts zijn ter zitting [wederpartijen], bijgestaan door [gemachtigde], werkzaam bij [makelaardij] te [plaats], alsmede vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als belanghebbenden gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van 23 vrijstaande en geschakelde woningen met daarbij behorende groen-, water- en infrastructuur aan de noordzijde van de nieuw te realiseren woonwijk Woerdblok. Het perceel ligt tegen de noordzijde van de bebouwde kom van Naaldwijk en wordt begrensd door de Geestweg, Kleine Achterweg en de Grote Woerdlaan. Van de 23 woningen zijn er 9 voorzien op gronden die in eigendom zijn van [wederpartijen]. Met de verwezenlijking van het bouwplan zal de diepte van hun percelen achter hun bestaande woningen worden teruggebracht van ongeveer 70 m naar 40 m.

2.2. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied" omdat op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" rust. Om verwezenlijking van het bouwplan mogelijk te maken heeft het college vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) verleend. Omdat [wederpartijen] vooralsnog niet bereid zijn hun gronden in eigendom over te dragen aan vergunninghoudster heeft het college een onteigeningsprocedure voor de desbetreffende gronden in gang gezet.

2.3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het college ter zitting heeft verklaard dat het hem tot op dat moment niet bekend was dat [wederpartijen] de gronden niet wilden verkopen. De vrijstelling van het bestemmingsplan zou niet zijn verleend indien het college ten tijde van de besluitvorming op de hoogte was geweest van de omstandigheid dat de vergunninghoudster een deel van de gronden nog niet in bezit had. Gelet op dit ter zitting ingenomen standpunt heeft de rechtbank het bestreden besluit als onzorgvuldig voorbereid geoordeeld.

2.4. Het college betoogt dat het de uitlatingen zoals die zijn opgenomen in het proces-verbaal van de zitting en die ten grondslag liggen aan het oordeel van de rechtbank niet heeft gedaan.

2.4.1. De Afdeling stelt voorop dat in beginsel dient te worden uitgegaan van de juistheid van hetgeen door de griffier is vastgelegd in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting. Alleen indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat het proces-verbaal geen juiste weergave is van het ter zitting verhandelde, kan van dat beginsel worden afgeweken. Daarvan is in dit geval geen sprake. De omstandigheid dat, zoals uit de overgelegde stukken blijkt, het college ten tijde van de besluitvorming wel op de hoogte was van de eigendomsverhoudingen en terzake een onteigeningsprocedure had gestart, betekent nog niet dat de door de gemachtigde van het college gedane uitlatingen onjuist zijn weergegeven in het proces-verbaal. Hetgeen het college in dit verband in verder naar voren heeft gebracht vormt hiervoor evenmin een duidelijke aanwijzing. Dit betoog slaagt niet.

2.4.2. Het college betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het vrijstellingsbesluit niet met de benodigde zorgvuldigheid is voorbereid. Het college voert hiertoe aan dat de eigendomsverhoudingen wel bekend waren bij het college en in aanmerking zijn genomen bij de besluitvorming.

2.4.3. Dit betoog slaagt. Niettegenstaande het tijdens de zitting bij de rechtbank door de vertegenwoordiger van het college ingenomen standpunt, blijkt uit de bij het vrijstellingsbesluit behorende weerlegging van de tegen het ontwerpbesluit ingediende zienswijzen dat het college ten tijde van de besluitvorming wel op de hoogte was van het feit dat een deel van de grond waarop de woningen zijn voorzien eigendom is van [wederpartijen] en dat het college dit in aanmerking heeft genomen bij zijn besluitvorming. Voorts blijkt uit de stukken dat het college ten tijde van het vrijstellingsbesluit reeds had besloten de onteigeningsprocedure op grond van de Onteigeningswet voor te bereiden teneinde de eigendom van deze gronden te verwerven. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Nu de rechtbank niet is toegekomen aan een beoordeling van de overige beroepsgronden, acht de Afdeling het uit een oogpunt van goede procesvoering aangewezen om de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terug te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 april 2009 in zaak nr. 08/4365;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009

163-604.