Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK0800

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
200809331/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Bilt (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een africhtingsstal, paardenboxen, een stro- en kuilvoeropslag, alsmede een vaste mestopslag op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200809331/1/H1.

Datum uitspraak: 21 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Natuur en Milieufederatie Utrecht", gevestigd te Utrecht, en anderen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 november 2008 in zaken nrs. 08/1125, 08/1126, 08/1189 en 08/1127 in het geding tussen:

de stichting "Stichting Natuur en Milieufederatie Utrecht" en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van De Bilt.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Bilt (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een africhtingsstal, paardenboxen, een stro- en kuilvoeropslag, alsmede een vaste mestopslag op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij onderscheiden besluiten van 28 februari 2008 heeft het college het door de stichting "Stichting Natuur en Milieufederatie Utrecht" en anderen (hierna: de stichting e.a.) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 november 2008, verzonden op 17 november 2008, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door de stichting e.a. daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat het college een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de stichting e.a. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De stichting e.a. hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2009, waar de stichting e.a., vertegenwoordigd door C.R. de Mulder en A.M.M. Steneker, bijgestaan door mr. S. Land, en het college, vertegenwoordigd door H. Marinus, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. R.G. Wakelkamp, advocaat te Utrecht, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een africhtingsstal, paardenboxen, een stro- en kuilvoeropslag, alsmede een vaste mestopslag ten behoeve van een paardenhouderij- en fokkerij.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Maartensdijk" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Stadsrandgebied" met de aanduiding "agrarisch bedrijf".

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart met "Stadsrandgebied" aangewezen gronden bestemd voor uitoefening van het agrarisch bedrijf.

Ingevolge het derde lid, sub a en onder 1., geldt voor de bebouwing ten behoeve van de uitoefening van het agrarisch bedrijf dat de gebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd ten behoeve van een bestaand agrarisch bedrijf, dat is aangegeven met "agrarisch bedrijf".

2.3. De stichting e.a. betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan in overeenstemming is met artikel 5, eerste lid, en artikel 5, derde lid, onder a en onder 1., van de planvoorschriften. Hiertoe voeren zij aan dat de rechtbank het bouwplan ten onrechte aan deze planvoorschriften heeft getoetst, omdat de aanduiding "agrarisch bedrijf" nog niet onherroepelijk is. In dit verband voeren zij aan dat het besluit omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan, voor zover hierbij goedkeuring is verleend aan in artikel 1, onder n, van de planvoorschriften, door de Afdeling is vernietigd. Van een agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 5, eerste en derde lid, van de planvoorschriften is bovendien geen sprake, aldus de stichting e.a.

2.3.1. De onthouding van goedkeuring aan de in artikel 1, onder n, van de planvoorschriften opgenomen definitie van het begrip "agrarisch bedrijf", waarmee de Afdeling in zoverre zelf heeft voorzien in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 27 augustus 2003 in zaak nrs. 200103396/1 en 200105173/1 heeft, anders dan de stichting e.a. betogen, niet tot gevolg gehad dat artikel 5, eerste lid, en artikel 5, derde lid, onder a en onder 1., van de planvoorschriften niet onherroepelijk zijn geworden, doch slechts dat het bestemmingsplan, onder meer wat betreft deze planvoorschriften, onherroepelijk is geworden, zonder dat in het plan een definitie is opgenomen van het begrip "agrarisch bedrijf". Gelet hierop, heeft de rechtbank het bouwplan terecht aan deze planvoorschriften getoetst. Bij beantwoording van de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een agrarisch bedrijf, heeft zij bovendien terecht overwogen dat het college, bij het ontbreken van een definitie in het bestemmingsplan, aansluiting heeft kunnen zoeken bij hetgeen hieronder in het algemeen spraakgebruik wordt verstaan.

2.3.2. De stichting e.a. betogen tevergeefs dat bij toetsing van het bouwplan aan het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de te verwachten groei van het bedrijf. In dit verband moet worden uitgegaan van de door [vergunninghouder] bij de aanvraag om bouwvergunning overgelegde gegevens en niet van toekomstverwachtingen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het bouwplan is bestemd voor het fokken en africhten van paarden. [vergunninghouder] geeft geen instructie aan derden. Voorts worden de stallen niet door derden gebruikt. Gelet hierop, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het bouwplan betrekking heeft op een agrarisch bedrijf. Voor dit oordeel wordt steun gevonden in de brochure "Paardenhouderij en Ruimtelijke Ordening. Handreiking voor de praktijk" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2006 (hierna: de brochure). Hierin is onder meer vermeld dat de paardenhouderij een grote diversiteit aan verschijningsvormen kent en het veelal bedrijven betreft waar al dan niet in overwegende mate niet-agrarische activiteiten worden ondernomen en dat het geven van instructies dient te worden aangemerkt als inherent aan ieder type, niet-agrarische, paardenhouderij. Een onderscheid wordt echter gemaakt tussen productiegerichte en gebruiksgerichte paardenhouderijen, omdat instructie bij eerstgenoemde categorie paardenhouderijen ondergeschikt dient te zijn aan de overige activiteiten. Een productiegerichte paardenhouderij wordt in de brochure gedefinieerd als een paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten en trainen en verhandelen van paarden. Onder meer maneges en verenigingsaccommodaties worden in de brochure als gebruiksgericht en derhalve niet grondgebonden aangemerkt.

2.3.3. Gelet op het vorenoverwogene, is de rechtbank terecht tot de slotsom gekomen dat het bouwplan in overeenstemming is met artikel 5, eerste lid, en artikel 5, derde lid, onder a en onder 1., van de planvoorschriften.

Het betoog faalt.

2.4. In de overwegingen van de aangevallen uitspraak is de rechtbank ingegaan op hetgeen in beroep door de stichting e.a. is aangevoerd met betrekking tot de bebouwingsvoorschriften. Eerst ter zitting in hoger beroep hebben de stichting e.a. redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden en argumenten in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Deze gronden dienen met het oog op de goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten nu de stichting e.a., door eerst in deze fase van de procedure deze argumenten naar voren te brengen, [vergunninghouder] en het college de gelegenheid heeft ontnomen hierop te reageren. Niet valt in te zien dat de stichting e.a. deze gronden niet eerder in hoger beroep naar voren hadden kunnen brengen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009

357-593.