Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK0797

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
200808379/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Barneveld (hierna: het college) aan [appellante sub 3] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een mengvoederfabriek aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 10 oktober 2008 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200808379/1/M2.

Datum uitspraak: 21 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Barneveld (hierna: het college) aan [appellante sub 3] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een mengvoederfabriek aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 10 oktober 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2008, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2008, en [appellante sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 november 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellante sub 3] en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Nadere stukken zijn ontvangen van [appellanten sub 1] Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 september 2009, waar [appellanten sub 1], in persoon, [appellanten sub 2], in persoon en bijgestaan door P.J. Smink, [appellante sub 3], vertegenwoordigd door J.G. Schreuder, [gemachtigde] en ir. F.B.A. de Bree, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.A.M. Bellomo, ing. C. Struikenkamp en P.C.M. van der Horst Msc, in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft [appellante sub 3] haar beroepsgrond in zake vergunningvoorschrift 6.16 waarin voor de werkplaats een vloeistofkerende vloer wordt voorgeschreven, ingetrokken.

2.2. [appellanten sub 2] en [appellanten sub 1] voeren aan dat het college de hogere geluidsnormering ten onrechte met een beroep op de bestaande en vergunde bedrijfssituatie motiveert. Volgens hen is het bedrijf nooit eerder als een volcontinubedrijf vergund. Zij stellen dat hierdoor de bestuurlijke afweging bij de vaststelling van een geluidnormering die hoger is dan de geldende richtwaarden, onjuist is uitgevoerd.

2.2.1. Volgens het college zijn door de verlening van de veranderingsvergunning van 1996 de voordien geldende geluidnormen voor de gehele inrichting verruimd. De geluidgrenswaarden van het bestreden besluit zijn volgens het college gebaseerd op de aan deze vergunning ontleende rechten voor het volcontinu in bedrijf zijn van de inrichting.

Het college stelt hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening uit 1998 (hierna: de Handreiking) te hebben toegepast. De omgeving valt te typeren als een rustige woonwijk met weinig verkeer. Omdat de voor een dergelijke gebiedstypering geldende geluidgrenswaarden voor de inrichting worden overschreden en het grootste deel van de aangevraagde activiteiten reeds eerder vergund is, is het college van mening dat op grond van een bestuurlijke afweging hogere grenswaarden konden worden vergund.

2.2.2. Uit de vergunning van 1996, noch anderszins blijkt dat eerder is toegestaan dat de inrichting volcontinu in bedrijf is. Uit hoofdstuk 4 van de Handreiking volgt dat het slechts na bepaling van het referentieniveau van het omgevingsgeluid (hierna kortweg: referentieniveau) en op grond van een bestuurlijk afwegingsproces mogelijk is om de in de Handreiking genoemde richtwaarden te overschrijden. Het college heeft geen onderzoek verricht naar het ter plaatse heersende referentieniveau. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat een bestuurlijk afwegingsproces heeft plaatsgevonden.

Het college heeft in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaard en in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd.

2.3. [appellanten sub 1] voeren aan dat de geluidgrenswaarde voor het maximale geluidniveau in de nachtperiode te hoog is.

2.3.1. Het college stelt dat inderdaad niet aan de grenswaarde uit de Handreiking van 60 dB(A) voor het maximale geluidniveau in de nachtperiode kan worden voldaan. Het aankomen en vertrekken van vrachtwagens in de nachtperiode is volgens het college een bestaande activiteit die met de nieuwe aanvraag wordt uitgebreid. Volgens het college zijn er bestaande rechten en worden er bovendien organisatorische en technische maatregelen getroffen om de overschrijding van de grenswaarde zoveel mogelijk te beperken.

2.3.2. In paragraaf 3.2 van de Handreiking worden de waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode aangemerkt als de maximaal aanvaardbaar te achten grenswaarden voor het maximale geluidniveau. Paragraaf 3.2 van de Handreiking biedt (voor zover hier van belang) de mogelijkheid om, in gevallen waarin gedurende de nachtperiode niet aan de grenswaarde van 60 dB(A) kan worden voldaan, in een onvermijdbare situatie waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het maximale geluidniveau te beperken, de grenswaarde van 60 dB(A) voor de nachtperiode met ten hoogste 5 dB(A) te overschrijden. Deze uitzonderlijke situaties dienen in de vergunning te worden vermeld.

2.3.3. Het college heeft niet inzichtelijk gemaakt dat er een onvermijdbare situatie is waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden. Evenmin zijn in de bestreden vergunning uitzonderlijke situaties vermeld waarin niet aan de maximaal aanvaardbaar te achten grenswaarden uit de Handreiking kan worden voldaan.

Ook in zoverre is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.

2.4. [appellanten sub 1] voeren aan dat er in het bestreden besluit ten onrechte een geurnormering op leefniveau ontbreekt.

[appellante sub 3] voert aan dat het bestreden besluit aan de nieuwe Bijzondere regeling Diervoederindustrie uit de Nederlandse emissie Richtlijnen (hierna: NeR) had moeten worden getoetst.

2.4.1. Het college stelt dat de inrichting kan voldoen aan de NeR en de daarop gebaseerde bijzondere regelingen. Met de vergunde maatregelen kan voldaan worden aan het acceptabele hinderniveau van 1 OuE/m3 als 98-percentielwaarde. Verder stelt het college dat bij de beoordeling van het bij de aanvraag behorende geurrapport reeds rekening is gehouden met de nieuwe Bijzondere regeling Diervoederindustrie.

2.4.2. Vergunningvoorschrift 8.1 bepaalt dat de geuremissie vanwege de inrichting de waarde van 1 OuE/m3 (gebaseerd op de vigerende bijzondere regelgeving Diervoederindustrie van de NeR van 12 maart 2008) niet meer dan 2% van de tijd (98-percentiel) mag overschrijden. Bovengenoemde geuremissie dient te worden berekend volgens de methode beschreven in paragraaf 4.5 van het rapport 'Herziening bijzondere regeling diervoederbedrijven".

2.4.3. De Afdeling stelt vast dat het college zowel naar de Bijzondere regeling Mengvoer van de NeR verwijst als naar de bijzondere regelgeving Diervoederindustrie van de NeR van 12 maart 2008. Hiermee is niet duidelijk aan welke regeling het college de geuremissie heeft getoetst. In zoverre is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd.

2.4.4. Verder is in vergunningvoorschrift 8.1 niet vermeld op welke plaats de norm van 1 OuE/m3 geldt, zodat in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel geen duidelijke geurnormering in het bestreden besluit is opgenomen.

2.5. [appellanten sub 1] voeren aan stofoverlast te ondervinden van met name de stortput, die op korte afstand van hun woningen is gesitueerd. Zij zijn van mening dat onvoldoende maatregelen worden getroffen om die stofoverlast te voorkomen.

2.5.1. Het college stelt dat conform de NeR maatregelen en voorzieningen zijn voorgeschreven, waaronder afzuiging bij de bron en het door doekfilters leiden van de afgezogen lucht.

2.5.2. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat de in het bestreden besluit opgenomen voorschriften om stofhinder tegen te gaan niet voldoende zijn om te garanderen dat het stof bij het storten van grondstoffen in de stortput daadwerkelijk doelmatig wordt afgezogen en zich niet in de omgeving verspreidt. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met de in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vereiste zorgvuldigheid.

2.6. [appellanten sub 1] voeren aan dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet zullen worden nageleefd. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen.

2.7. [appellanten sub 1] voeren aan dat het in werking zijn van de inrichting zal leiden tot verkeersonveilige situaties in de omgeving. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en faalt reeds om die reden.

2.8. Voor zover [appellanten sub 1] aanvoeren dat de inrichting op een andere locatie gevestigd zou moeten worden, overweegt de Afdeling dat het college is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. De beroepsgrond treft geen doel.

2.9. De beroepen zijn gegrond. Aangezien de hierboven behandelde beroepsgronden van essentieel belang zijn voor de beantwoording van de vraag of de inrichting in werking kan zijn binnen de grenzen die het belang van de bescherming van het milieu stelt dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd. De overige gronden behoeven gelet hierop geen bespreking meer.

2.10. Het college dient ten aanzien van [appellanten sub 2] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten bij [appellanten sub 1] is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Barneveld van 8 oktober 2008, kenmerk 30/2007;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Barneveld tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Barneveld aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellanten sub 1], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellanten sub 2] en € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) voor [appellante sub 3] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Klap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009

315.