Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK0795

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
200806965/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Papendrecht (hierna: de raad) bij besluit van 15 november 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Dijkstrook-Middenpolder".

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2009/37 met annotatie van D. van der Meijden

Uitspraak

200806965/1/R1.

Datum uitspraak: 21 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de raad van de gemeente Papendrecht,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Papendrecht (hierna: de raad) bij besluit van 15 november 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Dijkstrook-Middenpolder".

Tegen dit besluit hebben de raad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2008, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2008, [appellante sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 september 2008, alsmede [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 september 2008, beroep ingesteld.

De raad, [appellant sub 2] en [appellante sub 3] hebben de gronden van hun beroepen aangevuld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht. De raad, [appellant sub 2] en [appellant sub 4] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2009, waar de raad, vertegenwoordigd door drs. E.D. Kamsteeg en drs. A. Nederlof, ambtenaren in dienst van de gemeente, [appellant sub 4], in persoon, [appellante sub 3], vertegenwoordigd door mr. A.Th. de Haan, advocaat te Alblasserdam, en vergezeld door haar [directeur], alsmede het college, vertegenwoordigd door ing. E. Schepers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De beroepen van de raad en [appellante sub 3]

2.2. De raad en [appellante sub 3] stellen zich op het standpunt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 6, derde lid, onder c en sub 4, van de planvoorschriften. Zij betogen dat dit bebouwingsvoorschrift, dat een kraan toestaat met een lengte van ten hoogste 32 meter en met een gieklengte van 45 meter ten behoeve van het bedrijf van [appellante sub 3] op het perceel [locatie 1], niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.2.1. Het college overweegt in het bestreden besluit – kort samengevat - dat de afstand tussen het bedrijf van [appellante sub 3] en de woningen van derden in belangrijke mate afwijkt van de in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) opgenomen richtafstand. Deze bestaande situatie is volgens het college in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Aangezien het plan voorziet in een uitbreiding van het bedrijf van [appellante sub 3] met een hogere kraan en een langere giek dan onder het voorheen geldende plan was toegestaan, wordt deze strijdigheid volgens het college vergroot. Het college wijst er in dit verband op dat het woonklimaat van omwonenden zal verslechteren als gevolg van de grotere kraan en de daarmee samenhangende intensievere bedrijfsvoering. Er zijn volgens het college bovendien geen andere bestuursrechtelijke middelen dan het onderhavig bestemmingsplan om te voorkomen dat de kraan de perceelsgrenzen van derden overschrijdt.

2.2.2. Het bedrijf van [appellante sub 3] op het perceel [locatie 1] betreft een bestaand bedrijf. In 1978 is ten behoeve van dit bedrijf een kraan in gebruik genomen met een hoogte van 25,5 meter en een gieklengte van 36 meter. In 2003 is deze kraan vervangen door een nieuwe kraan met een hoogte van 29,85 meter en een gieklengte van 45 meter. De raad heeft met het in artikel 6, derde lid, onder c en sub 4, van de planvoorschriften opgenomen bebouwingsvoorschrift beoogd deze nieuwe kraan als zodanig te bestemmen. Bij zijn afweging dienaangaande heeft de raad betrokken dat de nieuwe kraan meer open, slanker en bedrijfstechnisch stiller is dan de oude kraan. Aan de omstandigheid dat een zodanig gebruik van de nieuwe kraan mogelijk is dat deze zich gedeeltelijk boven de percelen van derden kan bevinden, heeft de raad geen doorslaggevend gewicht toegekend.

2.2.3. De Afdeling overweegt dat de in bijlage 1 van de VNG-brochure opgenomen richtafstanden niet zijn toegesneden op een geval als het onderhavige, waarin een bestaand bedrijf op korte afstand van bestaande woningen van derden is gelegen. Voormelde richtafstanden zijn namelijk afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die in nieuwe situaties wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een daarmee vergelijkbaar omgevingstype. Voor zover het college zich op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een uitbreiding van het bedrijf van [appellante sub 3] en dat het woonklimaat van omwonenden zal verslechteren, overweegt de Afdeling het volgende. Volgens zowel de raad als [appellante sub 3] is alleen sprake van het meegroeien van het bedrijf met de steeds groter geworden binnenschepen. De nieuwe kraan behoeft blijkens het deskundigenbericht niet per se te leiden tot een wijziging in de bedrijfsvoering of een vergroting van de opslag- of productiecapaciteit. Het college heeft niet inzichtelijk gemaakt dat het woon- en leefklimaat van omwonenden vanwege de nieuwe kraan niettemin zal verslechteren. In het standpunt van het college ziet de Afdeling verder geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid geen doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan de omstandigheid dat de kraan zodanig kan worden gebruikt dat de perceelsgrenzen van derden worden overschreden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de kraan blijkens het deskundigenbericht is voorzien van een mechanisme waardoor de zwenkmotor van de kraan automatisch afslaat wanneer de perceelsgrenzen van derden dreigen te worden overschreden.

2.2.4. De conclusie is dat hetgeen de raad en [appellante sub 3] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 6, derde lid, onder c en sub 4, van de planvoorschriften in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Door niettemin om deze reden goedkeuring aan dit plandeel te onthouden, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang bezien met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan voormeld planonderdeel.

Het beroep van [appellant sub 4]

2.3. [appellant sub 4] voert aan dat de maximum bouwhoogte van 8,5 meter te hoog is voor het thans op het perceel [locatie 1] aanwezige bedrijfsgebouw. Een verhoging van dit bedrijfsgebouw tot 8,5 meter zal volgens [appellant sub 4], mede vanwege de ligging van de bebouwingsgrens, leiden tot een vermindering van het uitzicht vanuit zijn woning aan de Kerkbuurt 110.

2.3.1. De raad heeft naar aanleiding van de tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijzen van [appellante sub 3] een maximum bouwhoogte van 8,5 meter opgenomen voor de bedrijfsgebouwen op het perceel [locatie 1]. Daarbij heeft de raad betrokken dat deze maximum bouwhoogte niet stuit op stedenbouwkundige bezwaren, dat wordt tegemoet gekomen aan een door [appellante sub 3] aangekondigde toekomstige verbouwing en dat in het voorheen geldende plan reeds een maximum bouwhoogte van 8 meter was opgenomen. Hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met deze afweging van de raad. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de afstand tussen de woning [appellant sub 4] en voormeld bedrijfsgebouw circa 44 meter bedraagt, indien dit gebouw tot de bebouwingsgrens zou worden uitgebreid. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat blijkens de bij het deskundigenbericht gevoegde foto's slechts gedeeltelijk uitzicht bestaat vanuit de woning van [appellant sub 4] op het bedrijfsgebouw vanwege de tussenliggende beplanting.

2.3.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voormeld planonderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.4. [appellant sub 2] voert aan dat aan zijn gronden aan de [locatie 2] ten onrechte grotendeels een specifieke bestemming voor een fruitteeltbedrijf is toegekend. Deze bestemming is volgens [appellant sub 2] te beperkend wanneer hij andere gewassen dan fruitgewassen zou willen telen. Verder is volgens [appellant sub 2] ten onrechte geen vergroting van het oppervlak van zijn winkel toegestaan.

2.4.1. De plankaart, voor zover hier van belang, kent aan het grootste gedeelte van de gronden van [appellant sub 2] de bestemming "Bedrijfsdoeleinden", de aanduiding "fruitteeltbedrijf" toe. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn deze gronden uitsluitend bestemd voor een fruitteeltbedrijf met de bij deze bestemming behorende bedrijfsgebouwen, andere bouwwerken, verkeers- en parkeervoorzieningen, verhardingen, water en (afschermende) groenvoorzieningen. Detailhandel ten behoeve van het fruitteeltbedrijf is uitsluitend toegestaan in de gebouwen tot een maximum van 100 m2.

2.4.2. Vast staat dat [appellant sub 2] thans een fruitteeltbedrijf op zijn gronden exploiteert. Behalve een boomgaard is op de gronden een kleine winkel met een oppervlak van circa 90 m2 aanwezig waar onder meer eigen geteeld fruit wordt verkocht. Met de toekenning van de hiervoor genoemde bestemming en aanduiding zijn het fruitteeltbedrijf en de winkel als zodanig bestemd. Hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college hiermee niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het in de plantoelichting opgenomen beleid, voor zover hier aan de orde, is gericht op het behoud van de bestaande ruimtelijke kwaliteiten in het plangebied. Het als zodanig bestemmen van het fruitteeltbedrijf en de winkel van [appellant sub 2] is hiermee in overeenstemming. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant sub 2] ten tijde van de vaststelling en goedkeuring van het plan geen concrete plannen had voor het telen van andere gewassen dan fruitgewassen of een vergroting van het oppervlak van zijn winkel.

2.5. [appellant sub 2] voert aan dat de woning [locatie 3] ten onrechte niet als tweede dienstwoning ten behoeve van zijn fruitteeltbedrijf is aangemerkt.

2.5.1. Vast staat dat de woning [locatie 2] wordt gebruikt als dienstwoning ten behoeve van het fruitteeltbedrijf van [appellant sub 2]. Deze dienstwoning is in het plan als zodanig bestemd. De woning [locatie 3] wordt blijkens het deskundigenbericht bewoond door de broer van [appellant sub 2] en zijn gezin. Weliswaar hebben deze bewoners een zekere binding met het naastgelegen fruitteeltbedrijf van [appellant sub 2] en is er tussen de dienstwoning [locatie 2] en de woning [locatie 3] een aantal bouwtechnische bindingen aanwezig, maar [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een noodzaak bestaat om laatstgenoemde woning als tweede dienstwoning ten behoeve van zijn fruitteeltbedrijf aan te merken. Gelet hierop hebben het college en de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding bestaat om aan de wens van [appellant sub 2] voor een tweede dienstwoning tegemoet te komen.

2.6. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de bestemming "Water" die aan een klein gedeelte van zijn gronden is toegekend. Hij acht deze bestemming te beperkend wanneer hij de op zijn gronden aanwezige sloten zou willen dempen.

2.6.1. Ter plaatse van een tweetal sloten kent de plankaart de bestemming "Water" aan het perceel van [appellant sub 2] toe. Deze sloten zijn daarmee als zodanig bestemd. Hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college hiermee niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken dat [appellant sub 2] ten tijde van de vaststelling en goedkeuring van het plan concrete plannen had voor het dempen van de sloten. Voor zover [appellant sub 2] heeft aangegeven in één van de sloten een dam te willen aanleggen, overweegt de Afdeling dat de bestemming "Water" zich hiertegen niet verzet. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de voor "Water" aangewezen gronden namelijk bestemd voor de waterhuishoudkundige doeleinden, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer en waterberging en voor kunstwerken, bruggen en andere waterstaatswerken.

2.7. [appellant sub 2] voert verder aan dat de op zijn gronden gelegen paardenstal ten onrechte niet als zodanig is bestemd.

2.7.1. Blijkens het deskundigenbericht heeft [appellant sub 2] rond mei/juni 2008 zonder bouwvergunning een paardenstal op zijn gronden gerealiseerd. De raad heeft de planologische aanvaardbaarheid hiervan ten tijde van de vaststelling van het plan op 15 november 2007 niet kunnen beoordelen. Hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met het ontbreken van een regeling in het plan voor de desbetreffende stal en de daarmee samenhangende nevenactiviteiten, zoals het verzorgen van het rondritten tijdens kinderfeestjes.

2.8. [appellant sub 2] stelt zich op het standpunt dat zijn fruitteeltbedrijf onnodig wordt belemmerd vanwege het aanlegvergunningenstelsel dat voor zijn gronden is opgenomen. Hij voert aan dat niet of nauwelijks archeologische sporen in zijn gronden voorkomen en dat het aanlegvergunningenstelsel ten onrechte betrekking heeft op normale jaarlijks terugkerende werkzaamheden voor zijn fruitteeltbedrijf.

2.8.1. De plankaart kent aan de gronden van [appellant sub 2] aan de [locatie 2] de medebestemming "Gebied met (redelijk) hoge archeologische verwachtingswaarde" toe. Ingevolge artikel 16, vijfde lid, onder e, van de planvoorschriften is het verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) bos of boomgaard aan te leggen of te rooien waarbij stobben worden verwijderd.

2.8.2. Vast staat dat een groot gedeelte van de gronden van [appellant sub 2] is ingericht als boomgaard en dat jaarlijks fruitbomen worden geplant en gerooid waarbij stobben worden verwijderd. Voormeld aanlegvergunningenstelsel is hierop van toepassing. Bij de begrenzing van de medebestemming "Gebied met (redelijk) hoge archeologische verwachtingswaarde" is blijkens de plantoelichting aansluiting gezocht bij de kaart van de zogenoemde cultuurhistorische hoofdstructuur van de provincie Zuid-Holland, waarop onder meer gebieden staan aangegeven met een zeer grote kans, een redelijk tot grote kans en een lage kans op archeologische sporen. Het grootste gedeelte van de gronden van [appellant sub 2] maakt blijkens het deskundigenbericht deel uit van een gebied met een lage kans op archeologische sporen. Ter zitting is van de zijde van de raad verder aangegeven dat eventueel voorkomende archeologische sporen al zijn verstoord vanwege de boomgaard van [appellant sub 2]. Dat het in artikel 16, vijfde lid, onder e, van de planvoorschriften opgenomen aanlegvergunningenstelsel voor de gronden van [appellant sub 2] niettemin nodig kan worden geacht, is niet inzichtelijk gemaakt. Dit klemt te meer nu in artikel 16, vijfde lid, onder e, van de planvoorschriften geen uitzondering is opgenomen voor werken of werkzaamheden die betrekking hebben op normaal onderhoud, beheer en gebruik overeenkomstig de bestemming. Dit was bijvoorbeeld mogelijk geweest door in voormeld artikel te vermelden dat alleen een aanlegvergunning benodigd is voor het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd op een grotere diepte dan 50 centimeter.

2.9. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat artikel 16, vijfde lid, onder e, van de planvoorschriften, voor zover dit artikel betrekking heeft op de gronden van [appellant sub 2] aan de [locatie 2], is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Door het plan niettemin in zoverre goed te keuren, heeft het college gehandeld in gehandeld in strijd met artikel 3:2 in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan voormeld planonderdeel.

Hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de overige bestreden planonderdelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat deze overige bestreden planonderdelen anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Proceskosten

2.10. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellante sub 3] en [appellant sub 2] te worden veroordeeld.

Wat betreft de raad is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Voor een proceskostenveroordeling ten behoeve van [appellant sub 4] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van de raad van de gemeente Papendrecht, [appellante sub 3] geheel en het beroep van [appellant sub 2] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 8 juli 2008, kenmerk PZH-2008-524574, voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan:

- artikel 6, derde lid, onder c en sub 4, van de planvoorschriften;

vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 8 juli 2008, kenmerk PZH-2008-524574, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

- artikel 16, vijfde lid, onder e, van de planvoorschriften, voor zover dit artikel betrekking heeft op de gronden van [appellant sub 2] aan de [locatie 2];

III. onthoudt goedkeuring aan:

- artikel 16, vijfde lid, onder e, van de planvoorschriften, voor zover dit artikel betrekking heeft op de gronden van [appellant sub 2] aan de [locatie 2];

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit voor zover het het onder III. genoemde planonderdeel betreft;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 4] geheel en het beroep van [appellant sub 2] voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, in verband met de behandeling van onderstaande beroepen opgekomen proceskosten, tot vergoeding van:

- een bedrag van € 688,83 (zeshonderdachtentachtig euro en drieëntachtig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellante sub 3];

- een bedrag van € 483,00 (vierhonderddrieëntachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 2];

VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland het voor de behandeling van onderstaande beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- een bedrag van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) aan de raad van de gemeente Papendrecht;

- een bedrag van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) aan [appellante sub 3];

- een bedrag van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) aan [appellant sub 2].

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Jansen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2009

399.