Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK0793

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
200904425/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2009, kenmerk 09/7759, heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Echt-Susteren (hierna: de raad) bij besluit van 6 november 2008 vastgestelde bestemmingsplan [IJssalon].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200904425/2/R2.

Datum uitspraak: 15 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2009, kenmerk 09/7759, heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Echt-Susteren (hierna: de raad) bij besluit van 6 november 2008 vastgestelde bestemmingsplan [IJssalon].

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2009, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 september 2009, waar [een der verzoekers], bijgestaan door mr. F.M.A. van der Loo, is verschenen. Voorts zijn daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. L. Bohnen, en [belanghebbenden], bijgestaan door J.L.J. Mevis.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet onder meer in een juridisch-planologische regeling voor het [IJscafé] en de woning op het perceel aan de [locatie] te [plaats].

2.3. [verzoekers], eigenaren van het ijscafé, betogen dat de ambtshalve wijzigingen die bij het besluit van 6 november 2008 zijn vastgesteld, ten onrechte niet zijn gemotiveerd. Voorts stellen zij dat de zienswijze van 18 september 2008 van de heer Mevis, die volgens hen buiten de termijn naar voren is gebracht, buiten beschouwing had moeten worden gelaten en geen basis had mogen zijn voor de ambtshalve wijzigingen. Verder betogen zij dat het plan ten onrechte niet voorziet in uitbreidingsmogelijkheden voor het ijscafé en dat het plan de bestaande gebruiksmogelijkheden beperkt. In dit verband voeren [verzoekers] aan dat het ten onrechte niet langer is toegestaan om handijs te verkopen vanuit het tuinhuis op hun perceel en om feesten en partijen voor derden te houden in het ijscafé.

2.4. Wat betreft de ambtshalve wijzigingen overweegt de voorzitter dat de omstandigheid dat de wijzigingen zijn ingegeven door de brief van de heer Mevis naar het voorlopig oordeel van de voorzitter geen afbreuk doet aan het ambtshalve karakter van de voorliggende wijzigingen. In het raadsbesluit is voorts aangegeven dat de wijzigingen in overeenstemming zijn met de doelstelling van het plan om de bestaande rechten vast te leggen. Met betrekking tot de uitspraken van de Afdeling van 5 november 2008 in de zaken met de nrs. 200707760/1 en 200708824/1 die in dit verband door [verzoekers] zijn aangehaald, is de voorzitter voorshands van oordeel dat de daar aan de orde zijnde situaties verschillen van de voorliggende situatie. In de voorliggende situatie gaat het naar het oordeel van de voorzitter namelijk om minder ingrijpende ambtshalve wijzigingen. Daarnaast is van belang dat de wijzigingen passen bij het beoogde kleinschalige karakter van het ijscafé. Gelet op het voorgaande is de voorzitter voorshands van oordeel dat het college in hetgeen [verzoekers] hebben aangevoerd met betrekking tot de ambtshalve wijzigingen geen aanleiding heeft moeten zien om in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.5. Voor zover het verzoek ertoe strekt dat uitbreidingsmogelijkheden voor het ijscafé in het plan worden opgenomen, overweegt de voorzitter dat een dergelijke voorlopige voorziening te verstrekkend is.

2.6. Voor zover [verzoekers] hebben gevraagd een voorlopige voorziening te treffen ter voorkoming van handhavend optreden, overweegt de voorzitter als volgt. Ter zitting heeft de raad uitdrukkelijk toegezegd dat vóór de uitspraak op het beroep van [verzoekers] niet handhavend wordt opgetreden tegen het gebruik van het tuinhuis voor de verkoop van handijs. In zoverre is met het verzoek geen spoedeisend belang gemoeid.

Voor zover het verzoek betrekking heeft op het verbod op het bedrijfsmatig houden van feesten en partijen voor derden bestaat echter wel een spoedeisend belang, aangezien de raad ter zitting heeft aangegeven hiertegen handhavend te zullen optreden.

2.6.1. Ingevolge artikel 11, tweede lid, onder g, van de planvoorschriften is het niet toegestaan de in het plan begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken, te doen of te laten gebruiken voor het ter plaatse van de ijssalon bedrijfsmatig houden van feesten en partijen voor derden. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat dit verbod ook reeds was opgenomen in het vorige bestemmingsplan "Uitbreidingsplan aanwijzende de bestemming in hoofdzaken" dat de voormalige gemeente Born heeft vastgesteld op 5 augustus 1960 en dat op 25 september 1961 is goedgekeurd. Uit de stukken noch het verhandelde ter zitting is echter gebleken dat het houden van feesten en partijen onder het vigeur van dat plan niet was toegestaan. Uit de door de raad naar voren gebrachte omstandigheid dat op grond van de voor het ijscafé verleende vrijstelling ter plaatse slechts daghoreca is toegestaan, heeft de voorzitter voorshands evenmin een dergelijk gebruiksverbod kunnen afleiden. Gelet hierop acht de voorzitter het niet uitgesloten dat de Afdeling in de bodemprocedure van deze zaak tot het oordeel zal komen dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de goedkeuring van artikel 11, tweede lid, onder g, van de planvoorschriften, voor vernietiging in aanmerking komt. De voorzitter ziet dan ook aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 28 april 2009, kenmerk 09/7759, voor zover het artikel 11, tweede lid, onder g, van de planvoorschriften betreft;

II. wijst het verzoek voor het overige af;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij [verzoekers] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 689,69 (zegge: zeshonderdnegenentachtig euro en negenenzestig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Limburg aan [verzoekers] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt;

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Kooijman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2009

177-589.