Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK0781

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
200902795/5/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 februari 2009 heeft de raad van de gemeente Heeze-Leende (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200902795/5/R3.

Datum uitspraak: 14 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Heeze-Leende,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2009 heeft de raad van de gemeente Heeze-Leende (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2009, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 september 2009, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 september 2009, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R.S. Klaver en T.J.M. Matheeuwsen, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting J.F.B. van Dijk, bijgestaan door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoeker] exploiteert een varkenshouderij aan de [locatie 1] te [plaats]. Hij voert aan dat het plan ten onrechte in de directe omgeving van zijn stallen de realisering van een kas en schuur bij een boomkwekerij en vier á vijf Ruimte-voor-Ruimte-woningen mogelijk maakt. Hij is van mening dat ter plaatse van de kwekerij geuroverlast en schade door ammoniakuitstoot zal optreden en voorts bij de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet kan worden gegarandeerd, omdat zowel de kas en de schuur als de woningen binnen de invloedssfeer van zijn agrarische bedrijf zullen komen te liggen. De nieuwbouw vormt daardoor een bedreiging voor de continuïteit van zijn bedrijf, aldus [verzoeker]. Hij betoogt met zijn verzoek onomkeerbare gevolgen van de inwerkingtreding van het plan te voorkomen.

2.3. Ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" met betrekking tot het voormalige perceel [locatie 2], waarmee beoogd wordt om drie Ruimte-voor-Ruimte-woningen mogelijk te maken, overweegt de voorzitter het volgende.

Blijkens de stukken heeft het college van burgemeester en wethouders bij besluit van 29 april 2009 een vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning (hierna: de WRO) verleend voor het oprichten van drie woningen op het voormalige perceel [locatie 2]. Bij uitspraak van 6 augustus 2009, zaaknummers AWB 09/1874 en AWB 09/1876, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch het beroep tegen de in bezwaar gehandhaafde vrijstelling ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is door [verzoeker] hoger beroep ingesteld en in het kader daarvan is een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Ten einde te vermijden dat aan het desbetreffende plandeel betekenis wordt toegekend in de procedure ingevolge artikel 19 van de WRO en uit de inwerkingtreding van dit planonderdeel zou worden afgeleid dat de bestemming "Wonen (W)" ter plaatse als een gegeven zou moeten worden beschouwd, schorst de voorzitter dit planonderdeel om in elk opzicht te vermijden dat de vrijstellingsprocedure door de inwerkingtreding van voormeld planonderdeel wordt beïnvloed.

Het perceel [locatie 3] betreft een bedrijfswoning die behoorde bij de voorheen ter plaatse gevestigde veehouderij van de [familie a], waar thans diens ouders wonen. Naar ook door [verzoeker] naar voren is gebracht, is het blijkens de aanduiding op de planverbeelding op basis van het plan mogelijk om het voormalige bedrijfspand te splitsen in twee burgerwoningen. Ter zitting is door de raad naar voren gebracht dat het hier een fout betreft. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat niet is gebleken van belangen die zich tegen schorsing zoals gevraagd verzetten, ziet de voorzitter aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening tot schorsing van het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" met betrekking tot het perceel [locatie 3] over te gaan.

De overige gronden van het desbetreffende deel van het verzoek behoeven gelet op het vorenoverwogene geen bespreking.

2.4. Ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Bedrijf-Agrarisch (B-A)", waarmee is voorzien in een gewijzigd bouwblok voor de boomkwekerij op het perceel plaatselijk bekend [locatie 2], overweegt de voorzitter als volgt.

2.5. [verzoeker] heeft onder meer aangevoerd dat, gelet op de geurcontour rond zijn veehouderij, voor het personeel van de kwekerij en de bijbehorende bedrijfsgebouwen geen goed werkklimaat zal kunnen worden verzekerd.

2.6. Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) in werking getreden. Het bestreden besluit dateert van na genoemde datum, zodat het college er terecht van uit is gegaan dat ten tijde van het bestreden besluit de Wgv van kracht was.

2.7. Ingevolge artikel 1 van de Wgv, voor zover hier van belang, wordt onder een geurgevoelig object verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en dat daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

2.8. Ten aanzien van de vraag of de gebouwen bij de boomkwekerij als geurgevoelig object in de zin van de Wgv moeten worden aangemerkt, is, gezien de in artikel 1 gegeven definitie, allereerst van belang of de gebouwen bestemd en geschikt zijn voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Uit de wetsgeschiedenis (kamerstukken II 2005/2006, 30 453, nr. 3, blz. 16 e.v.) blijkt dat met de term "bestemd" wordt bedoeld, dat het gebouw juridisch-planologisch mag worden gebruikt voor wonen of verblijf. Uit die wetsgeschiedenis blijkt verder dat het bij de beoordeling of een gebouw bestemd en geschikt is voor menselijk verblijf, niet van belang is hoeveel personen in het gebouw verblijven. Het verblijven van maar één persoon is voldoende. Ook is niet van belang of de personen een bijzondere gevoeligheid voor geur hebben. Deze twee criteria bepalen volgens de wetsgeschiedenis enkel de mate van bescherming tegen geur, maar niet of een gebouw als geurgevoelig object moeten worden aangemerkt. In de Wgv is er daarom voor gekozen om, anders dan in de door de Afdeling gevormde jurisprudentie over geurgevoelige objecten bij toepassing van de brochure "Veehouderij en Hinderwet" en de richtlijn "Veehouderij en stankhinder" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de aard van het verblijf, noch het aantal personen dat verblijft een rol te laten spelen bij de vaststelling of een (bedrijfs)gebouw als geurgevoelig object moet worden aangemerkt.

Tot slot geldt de eis dat het gebouw permanent of een daarmee vergelijkbare wijze voor wonen of verblijf dient te worden gebruikt.

2.9. De voorzitter overweegt dat blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting in de bedrijfsgebouwen niet alleen de opslag van bomen zal plaatsvinden, maar daarin ook een kantoor zal worden ondergebracht en dat tevens regelmatig mensen zullen werken in de schuur. Niet onaannemelijk is derhalve dat de bedrijfsbebouwing permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze zal worden gebruikt.

2.10. Gelet op het voorgaande acht de voorzitter niet zonder meer uitgesloten dat de bedrijfsgebouwen op het terrein [locatie 2] als geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv zullen kunnen worden aangemerkt.

De voorzitter stelt voorts vast dat niet is gebleken dat de raad bij de vaststelling van het plan onderzoek heeft verricht naar de geurbelasting die door de veehouderij van [verzoeker] ter plaatse van de boomkwekerij wordt veroorzaakt en naar de vraag of die geurbelasting bij de boomkwekerij op enigerlei wijze een belemmering zal kunnen vormen voor het voortbestaan van de veehouderij.

Gelet hierop ziet de voorzitter aanleiding, mede gezien de onomkeerbare gevolgen die kunnen ontstaan als gevolg van de inwerkingtreding van het plan, om bij wijze van voorlopige voorziening tot schorsing van het plandeel met de bestemming "Bedrijf-Agrarisch (B-A)" met betrekking tot het perceel [locatie 2] over te gaan. De overige gronden van het desbetreffende deel van het verzoek behoeven gelet hierop geen bespreking.

2.11. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Heeze-Leende van 2 februari 2009, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" met betrekking tot het perceel met daarop het bedrijfspand [locatie 3] en de aan weerszijden daarvan voorziene drie vrijstaande woningen, en het plandeel met de bestemming "Bedrijf-Agrarisch (B-A)" betreffende het perceel [locatie 2];

II. veroordeelt de raad van de gemeente Heeze-Leende tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat de raad van de gemeente Heeze-Leende aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Zijlstra

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2009

240.