Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK0779

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
200906942/2/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zeist (hierna: het college) aan de gemeente Zeist ontheffing, tot en met augustus 2013, en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een tijdelijk gebouw ten behoeve van een ontmoetingsplek voor jongeren op het perceel Weteringlaan naast De Clomp 9004 te Zeist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200906942/2/H1.

Datum uitspraak: 14 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Zeist,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 7 augustus 2009 in zaak nrs. 09/2063 en 09/2064 in het geding tussen:

de stichting Stichting BewonersPlatform Brugakker en [wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeist.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zeist (hierna: het college) aan de gemeente Zeist ontheffing, tot en met augustus 2013, en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een tijdelijk gebouw ten behoeve van een ontmoetingsplek voor jongeren op het perceel Weteringlaan naast De Clomp 9004 te Zeist.

Bij uitspraak van 7 augustus 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het door de stichting Stichting BewonersPlatform Brugakker en [wederpartij] (hierna: de stichting en anderen) daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 juli 2009 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 september 2009, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 september 2009, heeft het college de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 oktober 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. H.J. Kolff, mr. M.J. Sluijs en O. Vos, allen ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen.

Voorts zijn ter zitting de stichting en anderen, in de persoon van [wederpartij], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 3.22, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders met het oog op de voorziening in een tijdelijke behoefte voor een bepaalde termijn ontheffing verlenen van een bestemmingsplan.

2.3. Het verzoek strekt primair tot schorsing van de aangevallen uitspraak. Aan het verzoek heeft het college ten grondslag gelegd dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat in het onderhavige geval geen sprake is van een tijdelijk behoefte als bedoeld in artikel 3.22 van de Wro, nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat ook na ommekomst van de in het besluit van 13 juli 2009 genoemde termijn in de betrokken wijk een grote vraag zal blijven bestaan naar een ontmoetingsplek voor jongeren. Volgens het college leidt de uitleg van de voorzieningenrechter tot een beperking van de toepassingsmogelijkheden van artikel 3.22 van de Wro die de wetgever niet heeft beoogd. Het stelt zich op het standpunt dat het begrip tijdelijke behoefte, als bedoeld in dat artikel, slechts betrekking heeft op de specifieke locatie waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd.

Voorts verzoekt het college te bepalen dat het geen nieuw besluit op de aanvraag van de gemeente Zeist hoeft te nemen, totdat op het hoger beroep is beslist.

2.4. De onderhavige procedure leent zich niet voor de beantwoording van de vraag of de voorzieningenrechter een juiste uitleg heeft gegeven aan artikel 3.22 van de Wro. Het oordeel van de Afdeling hierover zal moeten worden afgewacht. De door het college gestelde belangen bij onmiddellijke realisering van de tijdelijke ontmoetingsplek bieden, mede in aanmerking genomen de belangen van de stichting en anderen zoals die uit de niet door de voorzieningenrechter behandelde beroepsgronden naar voren komen, geen aanleiding om desondanks tot schorsing van de aangevallen uitspraak over te gaan. Het verzoek dient in zoverre dan ook te worden afgewezen.

Wat betreft het verzoek tot opschorting van de uit de aangevallen uitspraak voortvloeiende verplichting tot het nemen van een nieuw besluit op de aanvraag van de gemeente Zeist is niet gebleken van dringende belangen die zich tegen het treffen van de verzochte voorlopige voorziening verzetten. De voorzitter ziet dan ook aanleiding dat verzoek op na te melden wijze toe te wijzen.

2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat het college van burgemeester en wethouders van Zeist geen nieuw besluit op de aanvraag van de gemeente Zeist hoeft te nemen, voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist;

II. wijst het verzoek voor het overige af.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2009

457.