Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK0481

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
16-10-2009
Zaaknummer
200903841/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Waterscheiding asiel / regulier / conform beschikking minister / 3 EVRM

De vreemdelingen hebben verzocht om aan hen verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd te verlenen in verband met klemmende humanitaire omstandigheden. De minister heeft de aanvragen aangemerkt als verzoeken tot verlening van verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'conform beschikking minister'. Bij de beoordeling van een zodanige aanvraag staat de scheiding tussen enerzijds gronden die aanspraak geven op een verblijfsvergunning op grond van artikel 14 van de Vw 2000 en anderzijds gronden die aanspraak geven op een verblijfsvergunning op grond van artikel 28 van de Vw 2000 er aan in de weg om artikel 3 van het EVRM daarbij te betrekken. Een materiële overeenkomst als in voormelde uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2009 is in dit geval niet aan de orde, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris bij de aanvragen van de vreemdelingen mede diende te beoordelen of bij terugkeer naar het land van herkomst sprake is van een reëel risico op een met dit artikel strijdige behandeling.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 28
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/470 met annotatie van PB

Uitspraak

200903841/1/V3.

Datum uitspraak: 9 oktober 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 28 april 2009 in zaken nrs. 07/38640 en 07/38645 in de gedingen tussen:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarig kind

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 20 oktober 2005 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) aanvragen van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling), mede voor haar minderjarig kind (hierna tezamen: de vreemdelingen) om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij onderscheiden besluiten van 9 oktober 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) de daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 28 april 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht (hierna: de rechtbank), de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 26 mei 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn standpunt, dat de door de vreemdelingen gestelde mogelijke behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) asielgerelateerde gronden betreft en buiten het beoordelingskader van de onderhavige reguliere procedure valt, in rechte geen stand kan houden. Verder heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris ten onrechte overwogen dat, onder verwijzing naar de arresten van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 2 mei 1997 in de zaak St. Kitts, nr. 146/1996/767/964, RV 1997, 70 en van 6 februari 2001 in de zaak Bensaid, nr. 44599/98, JV 2001/103 en de uitspraken van de Afdeling van 26 juli 2007 in zaak nr. 200702121/1 (www.raadvanstate.nl) en van 10 maart 2008 in zaak nr. 200708141/1 (www.raadvanstate.nl), een beroep op dit artikel in verband met medische omstandigheden in een reguliere procedure aan de orde kan komen en inhoudelijk behandeld dient te worden.

Ter motivering van zijn grief betoogt de staatssecretaris onder meer dat met voormelde uitspraken van de Afdeling niet is beoogd de scheiding tussen asielprocedures en reguliere procedures te verlaten. Van een soortgelijke situatie als in die uitspraken is geen sprake, aldus de staatssecretaris.

2.1.1. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

In artikel 3.4, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) zijn beperkingen als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 vermeld.

Ingevolge artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000, kan de staatssecretaris de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de wet, verlenen onder een andere beperking, dan genoemd in het eerste lid, tenzij het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven een zodanig verband houdt met de situatie in het land van herkomst dat voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de staatssecretaris de indiening van een aanvraag, als bedoeld in artikel 28 van de wet, noodzakelijk is.

2.1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 11 april 2003 in zaak nr. 200301121/1, JV 2003/225), dient een vreemdeling, indien hij de bescherming van de Nederlandse autoriteiten wenst in te roepen tegen een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, een aanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 in te dienen.

2.1.3. Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 mei 2009 in zaak nr. 200806018/1, www.raadvanstate.nl) zijn de uitzonderlijke met de medische toestand van de vreemdeling verband houdende omstandigheden die er volgens de jurisprudentie van het EHRM (de hiervoor genoemde uitspraken van 2 mei 1997 en 6 februari 2001, en de uitspraak van 27 mei 2008 in de zaak N. tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05, JV 2008/266) toe kunnen leiden dat uitzetting van die vreemdeling in strijd is met artikel 3 van het EVRM door hun aard nauw verbonden met hetgeen in paragraaf B8/3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 wordt verstaan onder medische noodsituatie en zal degene die verkeert in een situatie als bedoeld in genoemde jurisprudentie van het EHRM ook komen te verkeren in een medische noodsituatie als bedoeld in deze paragraaf. Gezien deze materiële overeenkomst staat de in het algemeen geldende scheiding tussen enerzijds gronden die aanspraak geven op een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en anderzijds gronden die aanspraak geven op een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd er niet aan in de weg om uitzonderlijke omstandigheden die de desbetreffende vreemdeling onder verwijzing naar de jurisprudentie van het EHRM heeft gesteld te betrekken bij de beoordeling of aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning regulier vanwege medische noodsituatie.

2.1.4. Artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 bepaalt dat aan de verblijfsvergunning regulier een beperking wordt verbonden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 oktober 2005 in zaak nr. 200504402/1, JV 2005/467), dient de vreemdeling bij zijn aanvraag om vergunningverlening het specifieke verblijfsdoel, in verband waarmee hij in Nederland wenst te verblijven op te geven, opdat onderzocht kan worden of een en zo ja, welke aan de verblijfsvergunning te verbinden beperking van toepassing is.

2.1.5. De vreemdelingen hebben verzocht om aan hen verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd te verlenen in verband met klemmende humanitaire omstandigheden. De minister heeft de aanvragen aangemerkt als verzoeken tot verlening van verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'conform beschikking minister'. Bij de beoordeling van een zodanige aanvraag staat de scheiding tussen enerzijds gronden die aanspraak geven op een verblijfsvergunning op grond van artikel 14 van de Vw 2000 en anderzijds gronden die aanspraak geven op een verblijfsvergunning op grond van artikel 28 van de Vw 2000 er aan in de weg om artikel 3 van het EVRM daarbij te betrekken. Een materiële overeenkomst als in voormelde uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2009 is in dit geval niet aan de orde, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris bij de aanvragen van de vreemdelingen mede diende te beoordelen of bij terugkeer naar het land van herkomst sprake is van een reëel risico op een met dit artikel strijdige behandeling. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De grief slaagt. Hetgeen voor het overige in de grief is aangevoerd, behoeft geen bespreking.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 28 april 2009 in zaken nrs. 07/38640 en 07/38645;

III. wijst de zaken naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.K. van Leening, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Leening

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2009

513.

Verzonden: 9 oktober 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak