Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK0137

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
200809345/1/H1 en 200809430/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heiloo (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van 20 woningen aan de [locatie] te [plaats], op het voormalige Germefaterrein (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19a
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:12
Woningwet
Woningwet 41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/127

Uitspraak

200809345/1/H1 en 200809430/1.

Datum uitspraak: 14 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellante sub 1] en anderen,

2. [appellant sub 2] en anderen,

allen wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraken van de rechtbank Alkmaar van 17 november 2008 in zaken nrs. 08/705 en 08/363 in de gedingen tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Heiloo.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heiloo (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van 20 woningen aan de [locatie] te [plaats], op het voormalige Germefaterrein (hierna: het perceel).

Bij besluiten van 29 januari 2008 heeft het college het door [appellante sub 1] en anderen (hierna: [appellanten sub 1]) en [appellant sub 2] en anderen (hierna: [appellanten sub 2]) daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en het besluit van 28 augustus 2007 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 17 november 2008, verzonden op 18 november 2008, in zaak nr. 08/705, heeft de rechtbank Alkmaar hierna: de rechtbank) het door [appellanten sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 januari 2008 vernietigd en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Bij uitspraak van 17 november 2008, verzonden op 18 november 2008, in zaak nr. 08/363, heeft de rechtbank het door [appellanten sub 2] tegen het besluit van 29 januari 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen eerstgenoemde uitspraak hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2008, hoger beroep ingesteld. Tegen laatstgenoemde uitspraak hebben [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Vergunninghoudster heeft schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

[appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 3 september 2009, waar [appellanten sub 1], bijgestaan door mr. J. Hemelaar, advocaat te Leiden, [appellanten sub 2], bijgestaan door mr. J. Hemelaar en het college, vertegenwoordigd door L. Bas, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar vergunninghoudster gehoord, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam, en D. de Kruijf.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank in de uitspraak op hun beroep ten onrechte heeft vastgesteld dat zij na de uitspraak van de voorzieningenrechter geen nadere gronden van het beroep hebben ingediend en heeft volstaan met een verwijzing naar deze uitspraak. Zij wijzen op het op 27 augustus 2008 ingediende stuk en hetgeen ter zitting van de rechtbank op 28 augustus 2008 aan de orde is geweest.

2.1.1. Het betoog is terecht voorgedragen. Ter zitting hebben [appellanten sub 2] onder meer gesteld dat zij ten onrechte door het college niet in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijze te geven op twee onderzoeken en betoogd dat deze onderzoeken onjuistheden bevatten. Deze gronden zijn niet bij de uitspraak van de voorzieningenrechter betrokken. De rechtbank kon derhalve niet volstaan met een verwijzing naar deze uitspraak. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen.

2.2. Het bouwplan voorziet in de bouw van 20 woningen, waarvan 5 woon/werkwoningen, 5 vrijstaande woningen en 10 twee onder één kapwoningen.

2.3. Op de gronden waarop de woningen zijn voorzien, rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Eerste Partiële herziening van het bestemmingsplan Industrieterrein Oosterzij-Noord" de bestemming "bedrijfsbebouwing met bijbehorende erven".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften -voor zover hier van belang- zijn deze gronden bestemd voor bedrijfsdoeleinden, die genoemd zijn in de categorieën 1 t/m 3, met de daartoe benodigde bedrijfsgebouwen en de daarbij behorende dienstwoningen, met dien verstande dat:

a. de bij een bedrijf behorende gronden voor ten hoogste 75% mogen worden bebouwd, waarbij de op de plankaart aangegeven bebouwingsgrenzen niet mogen worden overschreden;

b. (…) de afstand van ieder gebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen (…) ten minste 4 m moet bedragen;

c. de goothoogte van de bedrijfsgebouwen ten hoogste 6 m mag bedragen;

d. de hoogte van de bedrijfsgebouwen ten hoogste 10 m mag bedragen;

(…)

g. de hoogte van bijgebouwen ten hoogste 5 m en de goothoogte ten hoogste 3 m mag bedragen;

h. de hoogte van andere bouwwerken ten hoogste 6 m mag bedragen

Ingevolge artikel 1, onder j, sub 2, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Industrieterrein Oosterzij-Noord", wordt onder peil voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst verstaan de hoogte van het terrein ter plaatse van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.

Ingevolge artikel 2, onder c, van het bestemmingsplan "Industrieterrein Oosterzij-Noord" wordt de hoogte van een gebouw gemeten vanaf het hoogste punt tot het peil.

2.4. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Op de gronden rust thans de bestemming "Bedrijfsbebouwing met bijbehorende erven". De woningen hebben een nokhoogte van 11 dan wel 10,5 meter en een goothoogte van 5,9 meter. De woningen staan op meer dan 4 meter afstand van de zijdelingse perceelsgrens van de percelen aan de Groenelaan met uitzondering van één woning, waarvan de garage op 1,2 meter afstand staat. Tevens overschrijdt die ene woning de bebouwingsgrens aan de Oosterzijweg. Teneinde het bouwplan mogelijk te maken heeft het college daarvan met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend.

2.5. [appellanten sub 1] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat in verband met een goede rechtsbescherming bij de bekendmaking van de aanvraag en de besluiten had moeten worden aangegeven in verband met welke onderdelen van het bouwplan vrijstelling nodig was dan wel was verleend.

2.5.1. Wat betreft de publicatie van de aanvraag van de bouwvergunning zijn in artikel 41 van de Woningwet geen eisen aan de inhoud gesteld. Met vermelding van de inhoud van het bouwplan en de locatie kon worden volstaan. Wat betreft de publicatie van het ontwerpbesluit tot verlening van de vrijstelling en de bouwvergunning, kan ingevolge artikel 19a, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) worden volstaan met het vermelden van de zakelijke inhoud. Met de vermelding van de inhoud van het bouwplan, bestaande uit het aantal en soort woningen, en de locatie is deze voldoende weergegeven. De publicaties bevatten voldoende informatie om te beoordelen of het wenselijk is om de op het gemeentehuis ter inzage gelegde stukken te gaan inzien en eventueel naar aanleiding daarvan zienswijzen in te dienen. Het betoog slaagt niet.

2.6. Het betoog van [appellanten sub 1] dat niet de procedure van artikel 19, tweede lid, van de WRO had mogen worden gevolgd, slaagt niet.

Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 6 augustus 2003, zaak nr. 200206610/1 heeft overwogen kent de wet geen rangorde tussen de procedure tot herziening van een bestemmingsplan en de procedure op grond van artikel 19 van de WRO. Hierin bestond dan ook geen belemmering om van deze laatste procedure gebruik te maken. Voor de vraag of het college bevoegd is om met toepassing van het tweede lid van artikel 19 van de WRO vrijstelling te verlenen is het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: gedeputeerde staten) van 19 juli 2005, waarin het beleid inzake de toepassing van dit artikel is vastgesteld, bepalend. Daarin staat dat zodra een speerpunt van provinciaal ruimtelijk beleid aan de orde is, een verklaring van geen bezwaar is vereist. Anders dan [appellanten sub 1] betogen valt het project niet onder het speerpunt locatiebeleid. Dit speerpunt heeft betrekking op projecten die de vestiging van arbeidsintensieve bedrijven, zoals kantoren, publiek- en verkeersaantrekkende bedrijven en grootschalige voorzieningen betreffen. Het bouwplan, dat betrekking heeft op 5 woon-werkwoningen en verder op woningen, kan niet als zo'n project worden aangemerkt.

Het betoog van [appellanten sub 2] dat het verlenen van vrijstelling in strijd is met de rechtszekerheid zolang geen nieuw bestemmingsplan is vastgesteld en van het thans geldende plan nog gebruik kan worden gemaakt -wat daar ook van zij- slaagt niet, nu het verlenen van vrijstelling juist een bij wet gegeven mogelijkheid is om van het geldende bestemmingsplan af te wijken.

2.7. [appellanten sub 1] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. In dit verband voeren zij aan dat deze ten onrechte niet vanwege de gemeente is opgesteld. Tevens heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het project een geringe inbreuk betreft, en daarom de onderbouwing voldoende is. Verder voeren zij aan dat de verleende vrijstelling in strijd met provinciaal en gemeentelijk beleid is.

2.7.1. In de tekst van artikel 19 noch artikel 19a van de WRO noch in de geschiedenis van de totstandkoming van deze wet zijn aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing vanwege de gemeente had moeten worden opgesteld om die aan het besluit tot verlening van een vrijstelling ten grondslag te kunnen leggen.

2.7.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 december 2002 in zaak nr. 200201760/1) kunnen aan de ruimtelijke onderbouwing van een project minder zware eisen worden gesteld, naarmate de inbreuk van dat project op het bestaande planologische regime kleiner is. Gelet op onder meer de bestemming "Bedrijfsbebouwing met bijbehorende erven", waarop tevens dienstwoningen zijn toegestaan, kan niet worden geconcludeerd dat het bouwplan, mede gezien de in het bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheden en maximale bouwhoogten, een ernstige inbreuk op het bestemmingsplan maakt. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat de inbreuk van het bouwplan op het bestaande planologische regime niet groot is te achten. Dat het provinciaal beleid ertoe zou leiden dat slechts een vergelijking met de feitelijke bestaande situatie kan worden gemaakt, is voor de vraag naar de inbreuk van het project als hiervoor bedoeld niet van belang.

2.7.3. In hetgeen [appellanten sub 1] in hoger beroep hebben aangevoerd zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing in strijd is met het provinciaal beleid. Anders dan zij stellen is het locatiebeleid, zoals neergelegd in de nota "Een goede plek voor ieder bedrijf" niet van toepassing op het project. Evenmin is de beleidslijn met betrekking tot plannen en initiatieven die gericht zijn op verandering van bestaande stedelijke functies in andere stedelijke functies van toepassing, omdat deze beleidslijn ziet op een door gedeputeerde staten te verrichten toets. Voorts is het perceel niet gelegen in het zogenoemde HAL-gebied noch maakt het deel uit van het gebied de Zandzoom, zodat het voor deze gebieden geldende beleid niet van toepassing is.

2.7.4. De notitie revitalisering Bedrijventerrein Oosterzij opgesteld door het college op 24 maart 2005, bevat een oriënterende visie met betrekking tot de (her)ontwikkeling van het bedrijventerrein Oosterzij. Daarin is geen beleid neergelegd waaraan het college gehouden was uitvoering te geven.

2.7.5. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de vereisten die daaraan in dit geval moeten worden gesteld. Het betoog faalt.

2.8. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen. Zij voeren aan dat de vrijstelling leidt tot een verkeersonveilige situatie en dat in onvoldoende parkeerplaatsen is voorzien. Voorts voeren zij aan dat het college in redelijkheid niet meer gewicht mocht toekennen aan de belangen van vergunninghoudster dan aan hun belangen. Het verlies van zonlicht en privacy achten zij voor de bewoners van de Groenelaan onevenredig groot. Daarbij is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van een afstand van 30 meter; verder wijzen [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] op de mogelijkheden tot uitbreiding van de bebouwing.

2.8.1. De vrijstelling voorziet in een ontsluiting van de woonwijk op de Oosterzijweg. In de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat nu de woonwijk geen vrachtverkeer genereert een ontsluiting via het bedrijventerrein niet nodig is. Verder acht het college het niet wenselijk om woonverkeer te ontsluiten op het bedrijventerrein om het woon- en vrachtverkeer gescheiden te houden. Voorts is uit onderzoek naar de veiligheid van de voorziene verkeersontsluiting, waarbij de richtlijnen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water-, en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: CROW) als uitgangspunt zijn genomen, gebleken dat het totaal aantal verkeersbewegingen op de Oosterzijweg, zal blijven onder de voor een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom maximaal toegestane verkeersbelasting van 6000 motorvoertuigen per etmaal. In hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de voorziene ontsluiting niet leidt tot een verkeersonveilige situatie.

2.8.2. In de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat 33 parkeerplaatsen nodig zijn, waarbij is uitgegaan van 1,5 parkeerplaatsen per woning en 2 per woon-werkwoning overeenkomstig de toepasselijke richtlijnen van het CROW. Blijkens de bouwtekeningen is bij de woningen op de inrit 1 parkeerplaats voorzien en bij de woon/werkwoningen 2 parkeerplaatsen op de inrit en 10 in de openbare ruimte. Dit zijn in totaal 35 parkeerplaatsen. Wat er ook zij van de stelling van [appellanten sub 1] dat de opritten bij woningen nr. 9 en 20 te klein zijn om als parkeerplaats te gelden, ook indien deze buiten beschouwing worden gelaten, voorziet de vrijstelling in voldoende parkeerplaatsen.

2.8.3. Blijkens de gebezigde bewoordingen in de uitspraak kan de rechtbank worden geacht te zijn uitgegaan van een gemiddelde afstand van 30 meter en dus bij haar beoordeling te hebben betrokken dat enkele woningen op kortere afstand komen te staan. Blijkens de bij de bouwvergunning behorende bouwtekeningen staan de woningen nr. 10 t/m 17 op een afstand van meer dan 30 meter van de woningen aan de Groenelaan. De woningen nr. 18 en 19 staan op een afstand van 26 meter. De woning nr. 20 staat op een afstand van 22 meter, waarbij de garage op een afstand van 19 meter staat. Blijkens de bouwtekeningen is bij de woningen nr. 18 en 19 niet voorzien in de mogelijkheid tot uitbreiding in de vorm van een uitbouw of bijkeuken. De mogelijke uitbreiding bij woning nr. 20 blijft op een afstand van 19 meter en bij de overige woningen blijft de bebouwing op een afstand van 30 meter.

De rechtbank heeft terecht bij de beoordeling of het college het verlies aan zonlicht niet onevenredig heeft kunnen achten een vergelijking gemaakt met de bouwmassa die ingevolge de hiervoor onder 2.3 weergegeven voorschriften van het bestemmingsplan is toegestaan. De vrijstelling is verleend voor een overschrijding van de nokhoogte met 0,5 tot 1 meter. Anders dan [appellanten sub 1] betogen is daarbij de hoogte niet onjuist gemeten, nu artikel 1, onder j, sub 2, in samenhang met artikel 2, onder c, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Industrieterrein Oosterzij-Noord" niet uitsluit dat het peil bij de bouw kunstmatig wordt verhoogd. Verder komt de garage en de eventuele uitbreiding van woning nr. 20 op kortere afstand dan 4 meter van de perceelsgrens. De hoogte van de garage en eventuele uitbreiding is niet meer dan 3 meter. Ook wordt de bebouwingsgrens in de richting van de Oosterzijweg overschreden. Niet valt in te zien dat met genoemde overschrijdingen een onaanvaardbare situatie zal ontstaan. Daarbij betrekt de Afdeling dat de verleende vrijstelling geen verandering brengt in de gebruiksmogelijkheden van de zonnecollectoren op het dak van het bijgebouw op perceel Groenelaan 31 ten opzichte van het bestemmingsplan.

Gelet op de in acht genomen afstanden kon het college zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat ook de belangen van de bewoners aan de Groenelaan bij behoud van hun privacy niet onevenredig worden geschaad.

2.8.4. Wat betreft het betoog van [appellanten sub 1] dat onvoldoende rekening is gehouden met wateroverlast op de percelen aan de Groenelaan ten gevolge van de realisering van het bouwplan, zijn er geen aanknopingspunten dat het college de met het oog op het voorkomen van wateroverlast te treffen voorziening onvoldoende had moeten achten. Blijkens de gemeentelijk reactie op de ingediende zienswijzen wordt in de achtertuinen van de nieuwe woningen een talud aangebracht, waardoor het maaiveldniveau gelijk komt te liggen met de tuinen van de woningen aan de Groenelaan. In dit talud komen infiltratiekratten, waardoor het regenwater op eigen grond kan wegzakken. De feitelijke uitvoering van de voorziening kan hier niet aan de orde komen, nu slechts het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van het besluit van 29 januari 2008 aan de orde is.

2.8.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de rechtbank terecht geen grond aanwezig geacht voor het oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling. Het betoog faalt. Ook het betoog dat gelet op het advies van de bezwaar- en beroepschriftencommissie het besluit van 29 januari 2008 ondeugdelijk is gemotiveerd faalt derhalve.

2.9. Verder betogen [appellanten sub 1] dat de rechtbank heeft miskend dat het college geen bouwvergunning mocht verlenen, omdat het bouwplan in strijd is met het bepaalde in de artikelen 2.5.5., 2.5.6. , 2.5.10 en 2.5.30 van de Bouwverordening Heiloo en het college daarvoor slechts deels, ongemotiveerd, ontheffing heeft verleend.

2.9.1. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds voor de rechtbank had kunnen worden aangevoerd en [appellanten sub 1] dat uit een oogpunt van zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de rechtszekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is hadden behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.10. Het betoog van [appellanten sub 1] dat de rechtbank bij het in stand laten van de rechtsgevolgen ten onrechte de op dat moment aanwezige gewenste uitbreidingsmogelijkheden van aanwezige bedrijven buiten beschouwing heeft gelaten, omdat de situatie was veranderd, faalt. Er zijn geen aanknopingspunten aangedragen, waaruit blijkt dat ten tijde van de uitspraak enig zicht was op uitbreidingsplannen van de aanwezige bedrijven. Verder zijn er, anders dan [appellanten sub 2] hebben betoogd, geen aanknopingspunten dat de woningen milieukundig niet inpasbaar zijn met het oog op de huidige bedrijfsvoering van de bestaande bedrijven.

2.11. [appellanten sub 1] betogen dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op door de andere partij ter zitting bij de rechtbank gegeven toelichting op de beroepsgronden.

2.11.1. Het betoog faalt. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank hetgeen namens [appellanten sub 2] als toelichting op diens beroepsgronden naar voren is gebracht, voor zover deze eveneens als toelichting op de beroepsgronden van [appellanten sub 1] kan dienen, niet bij haar beoordeling van de beroepsgronden van [appellanten sub 1] heeft betrokken.

2.12. De hoger beroepen zijn ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 08/705, voor zover aangevallen. Verder bevestigt de Afdeling de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 08/363 met verbetering van de gronden waarop deze rust. Gelet op het feit dat alle gronden aan de orde zijn geweest, ziet de Afdeling geen reden om de zaak met nr. 200809430/1 terug te wijzen naar de rechtbank.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank van 17 november 2008 in zaak nr. 08/363 en de uitspraak van de rechtbank van 17 november 2008, in zaak nr. 08/705, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Soede

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2009

270.