Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK0134

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
200904013/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard (hierna: het college) de aanvraag van [appellante] om verlenging van de geldigheidsduur van een gehandicaptenparkeerkaart afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200904013/1/H3.

Datum uitspraak: 14 oktober 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 15 augustus 2008 in zaak nr. 07/3432 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard (hierna: het college) de aanvraag van [appellante] om verlenging van de geldigheidsduur van een gehandicaptenparkeerkaart afgewezen.

Bij besluit van 6 november 2007 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 augustus 2008, verzonden op 21 augustus 2008, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Centrale Raad van Beroep ingekomen op 25 september 2008, hoger beroep ingesteld. Op 2 juni 2009 heeft de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep doorgezonden naar de Raad van State.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2009, waar [appellante], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door P. van Dooijeweert en C. Breg, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: BABW) kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriƫle regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (hierna: de regeling) kunnen bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen, voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, wordt een gehandicaptenparkeerkaart niet afgegeven alvorens een geneeskundig onderzoek heeft plaatsgehad met betrekking tot de handicap van de aanvrager.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, zoals dit gold ten tijde van het nemen van het bij de rechtbank bestreden besluit, kan een geneeskundig onderzoek achterwege worden gelaten, indien aan de aanvrager eerder een gehandicaptenparkeerkaart is verstrekt en de keurende instantie van oordeel is dat de aanvrager nog steeds voldoet aan de in artikel 1 omschreven criteria.

Ingevolge artikel 3 wordt, ingeval de gehandicaptenparkeerkaart wordt afgegeven door het gemeentelijk gezag, bedoeld in artikel 49 van het BABW, het geneeskundig onderzoek verricht door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst dan wel - bij externe advisering - door een vanwege het gemeentelijk gezag aangewezen deskundige.

2.2. Het college heeft de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de gehandicaptenparkeerkaart van [appellante] afgewezen op basis van een op 29 augustus 2007 uitgebracht rapport van het geneeskundig onderzoek dat in opdracht van het college is verricht door Argonaut Advies B.V. (hierna: Argonaut). In het rapport wordt geconcludeerd dat, samengevat weergegeven, [appellante] in staat wordt geacht meer dan 100 meter te lopen.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat op goede gronden een geneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. Zij stelt dat zij reeds tien jaar over een gehandicaptenparkeerkaart beschikte en om die reden kon worden afgezien van een geneeskundig onderzoek. Daarnaast had het college rekening moeten houden met een wijziging van de regeling, volgens welke een geneeskundig onderzoek ook achterwege kan worden gelaten, indien aan de aanvrager eerder een gehandicaptenparkeerkaart is verstrekt en aan de verstrekkende instantie bekend is dat de aanvrager nog steeds voldoet aan de in artikel 1 van de regeling omschreven criteria, aldus [appellante].

2.3.1. De wijziging van artikel 2 van de regeling is bekend gemaakt op 1 april 2008 en in werking getreden op 3 april 2008. Nu de wijziging is ingegaan na het nemen van het bij de rechtbank bestreden besluit, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college geen rekening heeft kunnen houden met deze wijziging.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat op grond van de van toepassing zijnde regeling [appellante] aan een geneeskundig onderzoek mocht worden onderworpen. Argonaut had [appellante] immers nog niet eerder geneeskundig onderzocht en kon derhalve, zonder dergelijk onderzoek, niet beoordelen of zij nog steeds in aanmerking kwam voor een gehandicaptenparkeerkaart. Het betoog faalt.

2.4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college op basis van het rapport van Argonaut terecht tot de conclusie is gekomen dat zij in redelijkheid in staat is met de gebruikelijke hulpmiddelen een afstand van 100 meter te overbruggen. Volgens [appellante] zijn haar medische problemen zodanig dat zij niet in staat is die afstand te overbruggen, en blijkt dit ook uit de gegevens van haar huisarts en behandelend specialisten die zij heeft overgelegd. Daarnaast heeft zij de gehandicaptenparkeerkaart nodig om haar invalide man en gehandicapte zoon te kunnen verzorgen.

2.4.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college op basis van het rapport van Argonaut tot de conclusie mocht komen dat [appellante] niet zodanig beperkt is dat zij niet in redelijkheid in staat is om met de gebruikelijke hulpmiddelen een afstand van 100 meter te overbruggen. Volgens het rapport heeft de keurend arts met [appellante] een beoordelingsgesprek gevoerd om zich een beeld te vormen van haar functionele beperkingen, heeft deze arts haar medisch dossier bestudeerd en overleg gehad met haar huisarts. Omdat geen grond bestaat voor het oordeel dat de keurend arts het onderzoek niet zorgvuldig heeft verricht en de conclusie van het rapport deugdelijk is toegelicht, mocht het college het rapport aan zijn besluit ten grondslag leggen. De stelling van [appellante] dat zij niet in staat is een afstand van meer dan 100 meter zelfstandig af te leggen maakt dit niet anders, nu uit de door haar overgelegde medische gegevens van haar huisarts en behandelend specialisten weliswaar volgt dat zij medische beperkingen heeft, maar niet dat zij niet in redelijkheid in staat zou zijn die afstand te overbruggen.

Het betoog van [appellante] dat zij de gehandicaptenparkeerkaart nodig heeft voor de verzorging van haar man en zoon, wat hier ook van zij, kan niet leiden tot een ander oordeel, nu dit geen omstandigheden zijn die op grond van het BABW of de regeling door het college mogen worden betrokken bij het al dan niet verstrekken van een gehandicaptenparkeerkaart aan [appellante].

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2009.

176-622.