Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK0130

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
200901167/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 januari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) ingestemd met het hernieuwde saneringsplan voor de locatie [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 16 januari 2009 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200901167/1/M2.

Datum uitspraak: 14 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) ingestemd met het hernieuwde saneringsplan voor de locatie [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 16 januari 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 februari 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2009, waar [appellant] en anderen, in persoon en bijgestaan door mr. drs. H.A. Pasveer, advocaat te 's Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.A. Toebak en drs. E. van Alphen, zijn verschenen. Voort is Total Fina Nederland N.V., vertegenwoordigd door mr. S.W. Boot, advocaat te Rotterdam, en ing. K. Casteleyn, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] en anderen voeren aan dat het college ten onrechte heeft ingestemd met een functionele sanering van de bodem. Volgens hen had onderscheid gemaakt dienen te worden tussen het gedeelte van de verontreiniging dat is ontstaan vóór 1987 en het gedeelte van de verontreiniging dat daarna is ontstaan. Het gedeelte van de verontreiniging dat na 1987 is ontstaan dient volgens hen aangemerkt te worden als een nieuw geval van verontreiniging dat overeenkomstig artikel 13 van de Wet bodembescherming zonder meer multifunctioneel gesaneerd dient te worden. Voor het gedeelte van de verontreiniging dat vóór 1987 is ontstaan, had de keuze voor een multifunctionele sanering volgens hen voor de hand gelegen, omdat ook wanneer overeenkomstig artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming gesaneerd wordt, moet worden gestreefd naar een multifunctionele sanering, aldus [appellant] en anderen. Voorts had een analyse van de voor omwonenden ontstane kosten en baten van de sanering aanleiding moeten geven voor een multifunctionele sanering. Volgens [appellant] en anderen is het college er ten onrechte van uitgegaan dat multifunctionele sanering niet mogelijk is nu de verontreiniging zich deels bevindt onder de woning van [appellant], aangezien zij bereid is haar woning te verkopen of op andere wijze medewerking te verlenen.

2.1.1. Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming voert degene die de bodem saneert de sanering zodanig uit dat:

a. de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt;

b. het risico van de verspreiding van verontreinigde stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt;

c. de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in het gebruik van de bodem als bedoel in artikel 39d zoveel mogelijk wordt beperkt.

Ingevolge artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming voor zover hier van belang, behoeft het saneringsplan de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde.

2.1.2. In artikel 38 van de Wet bodembescherming wordt uitgegaan van functionele sanering, waarbij de bodem ten minste geschikt moet worden gemaakt voor de functie die hij na sanering krijgt. Voor zover [appellant] en anderen aanvoeren dat multifunctionele sanering op grond van artikel 38, eerste lid, sub c, van de Wet bodembescherming het uitgangspunt dient te zijn, vindt dit geen steun in de Wet bodembescherming.

2.1.3. Niet in geschil is dat het geval van verontreiniging op de locatie [locatie] reeds is ontstaan vóór 1 januari 1987. De sanering van een geval van verontreiniging dat vóór 1 januari 1987 is ontstaan, dient plaats te vinden overeenkomstig artikel 38 van de Wet bodembescherming, zodat kan worden volstaan met een functionele sanering. Dat het geval van verontreiniging na 1 januari 1987 in omvang is toegenomen, brengt niet met zich dat sprake is van een nieuw geval van verontreiniging dat overeenkomstig artikel 13 van de Wet bodembescherming multifunctioneel gesaneerd dient te worden.

De beroepsgrond faalt.

2.2. [appellant] en anderen voeren aan dat onder meer omdat de genomen grondmonsters bij de woning [locatie] niet zijn geanalyseerd de omvang van de verontreiniging onder de woning [locatie] niet is vastgesteld. Ten gevolge hiervan kan volgens hen niet worden gecontroleerd of een verspreiding van de verontreiniging wordt voorkomen.

2.2.1. In de aan het saneringsplan ten grondslag liggende saneringsafweging van 23 oktober 2007, opgesteld door Tauw, wordt in het kader van de verontreiniging van de grond ter plaatse van de woning [locatie] opgemerkt dat in de monsters van de wandvlakken W3 en W4 ter plaatse van het woonhuis licht verhoogde minerale oliegehalten en licht tot sterk verhoogde gehalten aromaten zijn achtergebleven. Onder het woonhuis is een restverontreiniging achtergebleven, welke door middel van een drietal boringen zintuiglijk is afgeperkt. Uit deze boringen is gebleken dat de restverontreiniging zich uitsluitend direct onder de funderingsstrook van de woning [locatie] bevindt in het traject van 0,5 tot circa 1,5 meter beneden funderingsniveau (1,5-3,0 m-mv). In overleg met de opdrachtgever is besloten geen monsters voor analyse in te zetten, aangezien de analyseresultaten van de wandmonsters W3 (0,0-1,5 en 1,5-3,0) als representatief voor deze strook kunnen worden beschouwd. Met betrekking tot de verontreiniging in het grondwater wordt opgemerkt dat uit de monitoringsgegevens kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de in de grond achtergebleven restverontreinigingen ook in het grondwater restverontreinigingen zijn achtergebleven.

Gelet op hetgeen is opgemerkt in de saneringsafweging is er geen aanleiding voor het oordeel dat de omvang van de verontreiniging ter plaatse van de woning [locatie] niet voldoende is vastgesteld. Weliswaar heeft geen analyse plaatsgevonden van de desbetreffende grondmonsters, maar niet is gebleken dat de analyseresultaten van de wandmonsters niet als voldoende representatief konden worden beschouwd. Er is daarom in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met het saneringsplan.

De beroepsgrond faalt.

2.3. [appellant] en anderen voeren aan dat onvoldoende is vastgesteld dat zich geen humane risico's voordoen ten gevolge van het niet verwijderen van de restverontreiniging. In het saneringsplan wordt weliswaar gesteld dat uit luchtmetingen is gebleken dat de TCL-waarden niet worden overschreden, maar dit is volgens hen niet in overeenstemming met de door Tauw opgestelde saneringsafweging van 23 oktober 2007. Daarin wordt namelijk aangegeven dat de TCL-waarden worden overschreden en dat een overschrijding van de MTR-waarden niet kan worden uitgesloten, aldus [appellant] en anderen.

2.3.1. In het saneringsplan wordt opgemerkt dat Tauw ten behoeve van het opstellen van de saneringsafweging een risicobeoordeling heeft uitgevoerd. In de kruipruimte van de woning [locatie] zijn in dat kader luchtmetingen uitgevoerd. Hieruit bleek dat voor vluchtige olie een zeer hoge luchtconcentratie is gemeten. Deze concentratie komt niet overeen met de verwachting, omdat de aromaten in de grond nabij de woning [locatie] niet hebben geleid tot een significante verhoging aan aromaten in de lucht van de kruipruimte. Voorts wordt minerale olie nauwelijks aangetroffen nabij de woning. Om vast te stellen of zich daadwerkelijk een actueel humaan risico voordoet heeft RPS Netherlands B.V. in juli 2007 luchtmetingen verricht in de kruipruimte, het woonvertrek en in de buitenlucht (referentiemeting in de tuin nabij het tuinhuis). Uit de resultaten van deze luchtmetingen blijkt volgens het saneringsplan dat geen sprake is van een overschrijding van de TCL waarden.

2.3.2. Niet aannemelijk is gemaakt dat de resultaten van de door RPS Netherlands B.V. uitgevoerde luchtmetingen onjuist zijn. Weliswaar komen de resultaten van deze metingen niet overeen met de resultaten van de door Tauw uitgevoerde risicobeoordeling, maar voldoende aannemelijk is geworden dat aan deze laatst genoemde resultaten getwijfeld kan worden. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het college er op grond van de door RPS Netherlands B.V. uitgevoerde metingen niet van heeft mogen uitgaan dat zich geen humaan risico voordoet in verband met de achtergebleven restverontreiniging. Het college heeft daarom in zoverre in redelijkheid in kunnen stemmen met het saneringsplan.

De beroepsgrond faalt.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Fransen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2009

407-578.