Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK0120

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
200900984/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brieven van 7 juni 2005 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid (hierna: het dagelijks bestuur) [wederpartij] medegedeeld dat de beslissingen op haar aanvragen om splitsingsvergunningen, worden aangehouden totdat de gebreken aan de panden waarop de aanvragen betrekking hebben zijn opgeheven. Het dagelijks bestuur heeft [wederpartij] hiervoor een termijn gesteld tot één jaar na verzending van deze brieven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200900984/1/H3.

Datum uitspraak: 14 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 december 2008 in zaak nr. 08/781 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te [plaats],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij brieven van 7 juni 2005 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid (hierna: het dagelijks bestuur) [wederpartij] medegedeeld dat de beslissingen op haar aanvragen om splitsingsvergunningen, worden aangehouden totdat de gebreken aan de panden waarop de aanvragen betrekking hebben zijn opgeheven. Het dagelijks bestuur heeft [wederpartij] hiervoor een termijn gesteld tot één jaar na verzending van deze brieven.

Bij besluit van 10 oktober 2006 heeft het dagelijks bestuur [wederpartij] medegedeeld dat haar aanvragen om splitsingsvergunningen overdraagbaar zijn en dat bij verkoop van de desbetreffende panden de nieuwe eigenaar in beginsel een termijn tot 1 april 2008 zal worden gegund om de geconstateerde gebreken op te heffen.

Bij besluit van 8 januari 2008 heeft het dagelijks bestuur, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] bij brief van 16 november 2006 daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 december 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 januari 2008 vernietigd en bepaald dat het dagelijks bestuur opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] van 16 november 2006 besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak is namens het stadsdeel Oud-Zuid bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 februari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 5 maart 2009.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 3 september 2009 heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van [wederpartij] opnieuw ongegrond verklaard.

Het dagelijks bestuur en [wederpartij] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2009, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. J. Potthoff, ambtenaar in dienst van het stadsdeel Oud-Zuid, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. M.B. Koetser, advocaat te Amstelveen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3.2.10, eerste lid, van de Huisvestingsverordening 2003 (hierna: de huisvestingsverordening) kan een splitsingsvergunning worden geweigerd indien:

a. de toestand van het gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, zich uit een oogpunt van indeling of staat van onderhoud geheel of ten dele tegen splitsing verzet, en

b. de desbetreffende gebreken niet door het treffen van voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen kunnen worden opgeheven, dan wel onvoldoende is verzekerd dat die gebreken zullen worden opgeheven.

Ingevolge het tweede lid wordt de beslissing op een aanvraag om een splitsingsvergunning aangehouden, indien redelijkerwijs mag worden verwacht dat de aanvrager van de vergunning tot splitsing de gebreken als bedoeld in het eerste lid met het oog op de voorgenomen splitsing zal opheffen binnen een daarvoor door burgemeester en wethouders gestelde termijn. Het gestelde in de vorige zin is in ieder geval van toepassing, indien is aangeschreven tot het treffen van voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen ingevolge de artikelen 14 tot en met 25 van de Woningwet.

Ingevolge het derde lid wordt, indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, daarbij tevens bepaald dat de vergunning wordt verleend, indien de in het besluit tot aanhouding aangegeven gebreken zijn opgeheven binnen de daartoe in dat besluit aangegeven termijn. In geval van een aanschrijving als bedoeld in het tweede lid, wordt in het besluit tot aanhouding met betrekking tot de op te heffen gebreken en de daarvoor geldende termijn verwezen naar die aanschrijving. Nadat door burgemeester en wethouders is vastgesteld dat de voorzieningen zijn getroffen, wordt met inachtneming van de Bouwverordening Amsterdam 2003 binnen vier weken beslist op een aanvraag om een splitsingsvergunning.

Ingevolge artikel 3.2.8.e, vierde lid, kunnen burgemeester en wethouders, gelet op artikel 3.2.10, tweede lid, hun besluit inzake een aanvraag om een splitsingsvergunning aanhouden totdat een bouwplan als bedoeld in artikel 3.2.8.a volledig volgens het door hen goedgekeurde plan is uitgevoerd.

Ingevolge het vijfde lid, kunnen burgemeester en wethouders aan de verlening van de splitsingsvergunning de opschortende voorwaarde verbinden dat het bouwplan blijkens hun schriftelijke verklaring volledig volgens het door hen goedgekeurde plan is uitgevoerd.

Ingevolge het zesde lid kunnen burgemeester en wethouders in gevallen die daarvoor naar hun oordeel in aanmerking komen, bij het achterwege laten van de opschortende voorwaarde een zekerheidsstelling eisen, waardoor de uitvoering van het door hen goedgekeurde maar nog niet uitgevoerde bouwplan verzekerd wordt.

Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Verordening op de stadsdelen, draagt het college al zijn bevoegdheden over aan het dagelijks bestuur van de stadsdelen.

Ingevolge artikel 48, eerste lid, voor zover thans van belang, worden vanaf de datum waarop de bevoegdheden krachtens artikel 26 overgaan, de voor de uitoefening van die bevoegdheden te volgen administratieve procedures voortgezet door het dagelijks bestuur.

2.2. [wederpartij] wijst er in haar verweerschrift terecht op dat het hoger beroep namens "Stadsdeel Amsterdam Oud-Zuid" in plaats van namens het dagelijks bestuur is ingesteld. De Afdeling merkt dit aan als een kennelijke verschrijving die niet tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep leidt. Naar het oordeel van de Afdeling dient het hoger beroep te worden geacht te zijn ingesteld door het dagelijks bestuur. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het dagelijks bestuur ingevolge de artikelen 26, eerste lid, en 48, eerste lid, van de Verordening op de stadsdelen bevoegd is het stadsdeel in procedures als deze in rechte te vertegenwoordigen en dat het hogerberoepschrift is opgesteld door de ambtenaar die namens het dagelijks bestuur ook het verweerschrift in beroep opstelde en het dagelijks bestuur ter zitting bij de rechtbank vertegenwoordigde. Dat het de bedoeling van het dagelijks bestuur is geweest hoger beroep in te stellen, blijkt voorts uit de door zijn vertegenwoordiger aan de Afdeling toegestuurde machtiging. Uit die machtiging, gedateerd 27 februari 2008, blijkt daarnaast dat deze vertegenwoordiger is aangewezen als gemachtigde van het dagelijks bestuur in bestuursrechtelijke procedures. In die hoedanigheid moet hij naar het oordeel van de Afdeling bevoegd worden geacht tot het instellen van hoger beroep. [wederpartij] kan daarom evenmin worden gevolgd in haar standpunt dat het hoger beroep door de desbetreffende ambtenaar onbevoegdelijk ingesteld en daarom niet-ontvankelijk is.

2.3. Ter zitting heeft het dagelijks bestuur verduidelijkt dat het hoger beroep is beperkt tot het oordeel van de rechtbank over het besluit op bezwaar van 8 januari 2008, voor zover daarbij het besluit van 10 oktober 2006 is gehandhaafd.

2.4. Vooropgesteld wordt dat de rechtbank het beroep van [wederpartij] terecht heeft aangemerkt als mede te zijn gericht tegen het in bezwaar handhaven van het besluit van 10 oktober 2006. Anders dan het dagelijks bestuur betoogt, volgt uit de door [wederpartij] in beroep aangedragen gronden immers dat zij zich niet kan verenigen met dat besluit, in zoverre dit ertoe strekt dat de door haar gevraagde splitsingsvergunningen niet worden verleend.

2.5. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd in zoverre hierbij het besluit van 10 oktober 2006 is gehandhaafd. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit deel van het besluit op bezwaar niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Hiertoe overweegt de rechtbank dat het dagelijks bestuur in zijn besluit op bezwaar ten onrechte heeft laten meewegen dat aan [wederpartij] geen onttrekkingsvergunning is verleend. Uit artikel 3.2.10 van de huisvestingsverordening volgt niet dat aan die omstandigheid bij het besluit op een aanvraag om een splitsingsvergunning gewicht toekomt, aldus de rechtbank.

2.5.1. Dit oordeel wordt door het dagelijks bestuur terecht bestreden. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

Onder verwijzing naar artikel 3.2.10, tweede lid, van de huisvestingsverordening, heeft het college bij brieven van 7 juni 2005 beslist tot aanhouding van het nemen van een besluit op de aanvragen van [wederpartij] om splitsingsvergunningen. Redengevend voor die beslissingen was de gebrekkige staat van de gebouwen waarop de aanvragen betrekking hadden. Uit deze beslissingen volgt, dat tot vergunningverlening zou worden overgegaan indien de geconstateerde gebreken binnen de gestelde termijn van een jaar zouden zijn verholpen.

Na ommekomst van deze termijn heeft [wederpartij] bij brief van 21 september 2006 bij het dagelijks bestuur aangedrongen op het alsnog verlenen van de splitsingsvergunningen. Tussen partijen is niet in geschil dat de geconstateerde gebreken aan de betrokken gebouwen, op dat moment niet waren hersteld. [wederpartij] heeft aldus niet voldaan aan de in de aanhoudingsbeslissingen gestelde voorwaarde om voor vergunningverlening in aanmerking te komen. Het dagelijks bestuur heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat geen aanleiding bestond de gevraagde splitsingsvergunningen te verlenen. Gelet op het systeem van artikel 3.2.10 van de huisvestingsverordening, dat vergunningverlening eerst voorschrijft indien aan de in een aanhoudingsbeslissing neergelegde vereisten is voldaan, heeft het dagelijks bestuur die aanleiding niet hoeven vinden in de door [wederpartij] voorgestelde zekerheidsstelling met betrekking tot het alsnog verhelpen van de gebreken, noch in het door haar aangeboden funderingsherstel. Het dagelijks bestuur heeft in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat ondanks deze voorstellen van [wederpartij], destijds onvoldoende verzekerd was dat alle geconstateerde gebreken aan de panden zouden worden verholpen.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] ongegrond verklaren.

2.7. Het besluit van het dagelijks bestuur van 3 september 2009 is een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling zal dit besluit op grond van artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, in de beoordeling betrekken.

2.7.1. Met de vernietiging van het aangevallen deel van de uitspraak van de rechtbank, is de grondslag aan het besluit van 3 september 2009 komen te ontvallen. Het beroep tegen dit besluit is gegrond. De Afdeling zal dit besluit vernietigen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 december 2008 in zaak nr. 08/781, voor zover daarbij het besluit van 8 januari 2008, in zoverre daarbij het besluit van 10 oktober 2006 is gehandhaafd, is vernietigd;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid van 3 september 2009 gegrond;

V. vernietigt dit besluit.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Den Broeder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2009

546.