Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK0106

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
200901405/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] (hierna: de maatschap) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij op het adres [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 15 januari 2009 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200901405/1/M2.

Datum uitspraak: 14 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Veendam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] (hierna: de maatschap) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij op het adres [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 15 januari 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 februari 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 26 maart 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. D. Pool, en het college, vertegenwoordigd door A. Zwerver, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is de maatschap, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. W. Remi, advocaat te Tilburg, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat het college voorafgaande aan het nemen van het bestreden besluit ten onrechte geen nieuw ontwerpbesluit heeft opgesteld. De uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht had opnieuw doorlopen moeten worden, aldus [appellant].

2.1.1. In geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter staat het het bevoegd gezag in beginsel vrij om bij het opnieuw in de zaak voorzien terug te vallen op de procedure die aan het besluit ten grondslag lag, dan wel de gehele procedure opnieuw te doorlopen. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waarin het uit het oogpunt van zorgvuldige voorbereiding van een besluit, mede gelet op de aard en de ernst van de gebreken die tot de vernietiging hebben geleid en het verhandelde in die eerste procedure, niet passend moet worden geoordeeld indien het bevoegd gezag ermee volstaat terug te vallen op de eerste procedure, en niet een nieuw ontwerpbesluit opstelt en ter inzage legt.

2.1.2. Bij uitspraak van 23 juli 2008 in zaak nr. 200706715/1) heeft de Afdeling het besluit van het college van 3 augustus 2007 waarbij eveneens vergunning was verleend voor het oprichten en in werking hebben van de inrichting vernietigd, omdat niet aan de volgens de richtlijn "Veehouderij en stankhinder" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeer (hierna: de richtlijn) minimaal aan te houden afstand van 128 meter werd voldaan. Het herstel van dit gebrek noopt niet tot het opnieuw ter inzage leggen van een ontwerpbesluit. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval uit het oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit een nieuw ontwerpbesluit had moeten worden opgesteld en ter inzage had moeten worden gelegd. De beroepsgrond faalt.

2.2. [appellant] stelt dat niet aan de volgens de richtlijn minimaal aan te houden afstand van 128 meter wordt voldaan, zodat de verlening van de vergunning neerkomt op een verkapte weigering. Volgens hem kan niet aan de vereiste afstand worden voldaan zolang de stal, waarvoor in 1995 een bouwvergunning is verleend, niet wordt aangepast.

2.2.1. Niet in geschil is dat volgens de richtlijn de afstand tussen de woning aan de [locatie 2] en het dichtstbijzijnde emissiepunt minimaal 128 meter moet bedragen. Ter zitting is mede aan de hand van de situatieschets en de plattegrondtekening, die blijkens het bestreden besluit deel uitmaken van de vergunning, aannemelijk gemaakt dat aan een afstand gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt tot aan de woning op [locatie 2] van 130 meter kan worden voldaan. Derhalve wordt aan de minimaal vereiste afstand van 128 meter voldaan.

2.3. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2009

407-632.