Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK0100

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
200808841/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eersel (hierna: het college) een verzoek van [appellant] om toepassing van bestuurlijke handhavingmiddelen met betrekking tot een inrichting gelegen aan de Oirschotsedijk 48 te Wintelre afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200808841/1/M2.

Datum uitspraak: 14 oktober 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Eersel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eersel (hierna: het college) een verzoek van [appellant] om toepassing van bestuurlijke handhavingmiddelen met betrekking tot een inrichting gelegen aan de Oirschotsedijk 48 te Wintelre afgewezen.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief van 26 november 2008, bij de gemeente Eersel ingekomen op 27 november 2008, bezwaar gemaakt. Daarbij heeft [appellant] het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep op de administratieve rechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Het college heeft ingestemd met dat verzoek en het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden naar de Raad van State.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2009, waar [appellant], in persoon, bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.M.H.M. Bakermans, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het beroep is gericht tegen de afwijzing van het verzoek van [appellant] om handhaving met betrekking tot de inrichting wegens strijd met voorschrift 2.3.6 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: het Besluit landbouw).

2.2. Ingevolge voorschrift 2.3.6 van de bijlage behorend bij het Besluit landbouw (hierna: voorschrift 2.3.6), voor zover hier van belang, vindt de opslag van dunne mest plaats op een afstand van ten minste 50 meter van een object categorie IV.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder z, van Besluit landbouw, voor zover hier van belang, wordt onder object categorie IV verstaan, verspreid liggende niet-agrarische bebouwing.

2.3. Het college heeft aan de afwijzing van het verzoek in zoverre dit betrekking heeft op de beweerdelijke overtreding van voorschrift 2.3.6 ten grondslag gelegd dat wat betreft de afstand tussen de woning van [appellant] en het mestbassin wordt voldaan aan de afstandseis van 50 meter die is gesteld in dat voorschrift voor een object categorie IV als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder z, van het Besluit landbouw, zodat ter zake geen sprake is van een overtreding. In dit verband is het college ervan uitgegaan dat de afstand tussen de woning van [appellant] en het mestbassin 88 meter bedraagt.

2.4. [appellant] betoogt, onder meer, dat de aanwezigheid van het mestbassin op het terrein van de inrichting in strijd is met artikel 3.2.2 van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1988".

Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het bestreden besluit zoals dat hier ter beoordeling voorligt, zodat deze beroepsgrond reeds om die reden faalt.

2.5. [appellant] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van overtreding van voorschrift 2.3.6. Hij voert hiertoe, onder meer, aan dat het college ten onrechte heeft gesteld dat het mestbassin op 88 meter van zijn woning is gelegen. Daarnaast betoogt hij dat het college bij de in dit verband te verrichten beoordeling de afstand tussen het mestbassin en zijn garagebedrijf had moeten betrekken. Zoals ter zitting nader is toegelicht is dit garagebedrijf volgens [appellant] een object categorie IV als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder z, van het Besluit landbouw.

2.5.1. Naar aanleiding van de ter zitting namens het college getoonde foto - waarop de woning van [appellant], het mestbassin en het garagebedrijf zijn aangegeven - en het verhandelde hierover ter zitting is gebleken dat het mestbassin op een afstand van 88 meter van de woning van [appellant] is gelegen en op een afstand van 65 meter van zijn garagebedrijf.

2.5.2. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval geen sprake is van overtreding van voorschrift 2.3.6. Zowel de woning van [appellant] als zijn garagebedrijf liggen namelijk op een grotere afstand dan 50 meter van het mestbassin. Dit betekent - zoals het college ter zitting met juistheid nader heeft toegelicht - dat in zoverre wordt voldaan aan de afstandseis van 50 meter die ingevolge voorschrift 2.3.6 geldt voor objecten in de categorie IV.

De beroepsgrond faalt.

2.6. Voorts heeft [appellant] aangevoerd dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke maatregelen als bedoeld in voorschrift 2.3.7 van de bijlage bij het Besluit landbouw (hierna: voorschrift 2.3.7) reeds zijn getroffen om geurhinder te voorkomen.

2.6.1. Voorschrift 2.3.7 bepaalt dat voorschrift 2.3.6 niet van toepassing is indien de opslag van dunne mest is gelegen binnen een afstand als bedoeld in dat voorschrift en de opslag reeds in gebruik was voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Voorts bepaalt dit voorschrift dat degene die de inrichting drijft maatregelen of voorzieningen treft die geurhinder voorkomen of zoveel mogelijk beperken en dat deze op verzoek van het bevoegd gezag aangeeft welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft getroffen of zal treffen.

2.6.2. Nu vast is komen te staan dat het college zich in dit geval terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van overtreding van voorschrift 2.3.6, is er geen grond voor het oordeel dat het college een beoordeling binnen het toetsingskader van voorschrift 2.3.7 had moeten verrichten. In dit opzicht rustte er dan ook geen motiveringsplicht op het college bij het nemen van het bestreden besluit.

De beroepsgrond faalt.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van Hulst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2009

402.